Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-12-11
ECLI:NL:RBOVE:2024:6634
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,291 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2785 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. C.C.M. Peper),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Eiser had met ingang van 12 november 2018 recht op een WIA-uitkering. Met het besluit van 4 juli 2023 heeft het UWV zijn uitkering per 5 september 2023 beëindigd.
1.2.
Met het bestreden besluit van 24 april 2024 is het bezwaar gegrond verklaard, in zoverre dat de uitkering niet per 5 september 2023 maar per 2 april 2024 wordt beëindigd.
1.3.
Tegen die beslissing heeft eiser beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Ook de echtgenote van eiser was aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is voor het laatst werkzaam geweest als teamleider/productiemedewerker bij een bandenfabriek voor gemiddeld 40 uur per week. Na beëindiging van zijn dienstverband is met ingang van 1 september 2016 een WW-uitkering aan hem toegekend. Eiser heeft zich op 14 november 2016 ziek gemeld, waarna een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend. Aanvankelijk was de ZW-uitkering bij de Eerstejaars ZW-beoordeling beëindigd, maar eisers bezwaar daartegen is gegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij die heroverweging een psychiatrisch onderzoek laten verrichten bij Psyon. De onderzoeksbevindingen van psychiater A.J.W.M. Trompenaars (hierna: Trompenaars) staan in het rapport van 19 november 2018.
2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 november 2018 geconcludeerd dat bij eiser sprake is van geen benutbare mogelijkheden (GBM). Vervolgens is met ingang van 12 november 2018 een loongerelateerde WIA-uitkering aan eiser toegekend. Met het besluit van 22 februari 2019 is de loongerelateerde uitkering met ingang van 15 april 2019 gewijzigd naar een loonaanvullingsuitkering. In het rapport van
12 februari 2019 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er nog steeds sprake is van GBM.
2.2.
Op 14 oktober 2021 heeft een spreekuur plaatsgevonden vanwege een herbeoordeling. De verzekeringsarts heeft daarna opnieuw Psyon ingeschakeld. De onderzoeksbevindingen van psychiater R.J. Teunisse (hierna: Teunisse) staan in het rapport van 22 mei 2023. Vervolgens heeft de verzekeringsarts in het rapport van 11 juni 2023 geconcludeerd dat geen sprake meer is van een GBM-situatie. Daarom is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) met beperkingen opgesteld en vond er arbeidskundig onderzoek plaats. Met het besluit van 4 juli 2023 heeft het UWV aan eiser medegedeeld dat zijn WIA-uitkering vanaf 5 september 2023 wordt beëindigd. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Vanwege het tijdsverloop tussen het spreekuur op 14 oktober 2021 en het rapport van 11 juni 2023 heeft op 6 oktober 2023 opnieuw een spreekuur plaatsgevonden met de verzekeringsarts. In een rapport van 11 januari 2024 heeft verzekeringsarts ook vermeld dat geen sprake is van een GBM-situatie. Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op een voorgenomen beslissing op bezwaar. Dat heeft eiser gedaan, waarna op 19 maart 2024 en hoorzitting plaatsvond en een medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 maart 2024 vermeld dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts. Met het bestreden besluit van 24 april 2024 is het bezwaar gegrond verklaard, in zoverre dat de WIA-uitkering niet per 5 september 2023 wordt beëindigd maar per 2 april 2024. De reden hiervoor is dat vanaf 1 februari 2023 een nieuwe uitlooptermijn geldt, omdat tijdens de bezwaarprocedure nieuwe voorbeeldfuncties zijn geselecteerd.
Standpunten van partijen
3. Volgens het UWV heeft eiser met ingang van 2 april 2024 geen recht meer op een WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Eiser wordt in staat geacht om de voorbeeldfuncties controleur (tester elektronische apparatuur), lader, losser en productiemedewerker textiel te kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 24,07% op basis van het middelste uurloon van de voorbeeldfuncties en het loon dat eiser verdiende als teamleider/productiemedewerker. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
4. Eiser stelt – samengevat weergegeven – dat er nog steeds sprake is van en situatie van GBM, omdat zijn situatie niet is veranderd. Er is onvoldoende gemotiveerd waarom nu wel sprake is van benutbare mogelijkheden. Mocht er al sprake zijn van benutbare mogelijkheden, dan hadden er meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Ook had er dan een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Eiser kan zichzelf niet verzorgen en komt tot niets, waardoor hij volledig is aangewezen op anderen.
4.1.
Volgens eiser concludeert psychiater Teunisse dat bij hem sprake is van een stoornis in het alcoholgebruik en een stoornis in het gebruik van cannabis, matig tot ernstig, maar betekent dat niet dat bij hem geen sprake is van de ernst van de eerder vastgestelde diagnoses depressieve stoornis en PTSS. Teunisse concludeert volgens eiser namelijk slechts dat die diagnoses niet geobjectiveerd konden worden, maar ook niet uitgesloten. Volgens eiser bleek uit informatie van de behandelend sector en ook uit het expertise-onderzoek in 2018 dat van die diagnoses wel sprake is. Ook blijkt uit de informatie van
2 oktober 2023 van Dimence dat sprake is van een complexe PTSS en een depressieve stoornis.
4.2.
Ook voert eiser aan dat niet kan worden uitgegaan van het rapport van psychiater Teunisse, omdat de inhoud niet actueel is. Daarnaast stelt eiser dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft vermeld dat sprake is van inconsistenties. Zo heeft zijn echtgenote nooit gezegd dat hij altijd in het schuurtje zit, maar alleen dat hij daar vaak is. Eisers dag- en nachtritme is verstoord, zodat zij soms ook niet weet waar hij is.
4.3.
Verder voert eiser aan dat de geen rekening is gehouden met de informatie van de heer M. [naam], vakkundig specialist FACT Twente en werkzaam bij Trajectum en de informatie van P. Bouwhuis, GZ-psycholoog. Tot slot voert eiser aan dat er geen functieduiding diende plaats te vinden, omdat sprake is van een situatie van GBM.
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het beroepschrift
5. De rechtbank moet als eerste beoordelen of het beroep van eiser inhoudelijk beoordeeld kan worden, omdat het beroepschrift te laat is ingediend. Het beroepschrift is
1. dag en 35 minuten na het einde van de wettelijke beroepstermijn ontvangen.
5.1.
De rechtbank acht deze termijnoverschrijding verschoonbaar. De rechtbank is onder verwijzing naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van oordeel dat sprake is van een geringe termijnoverschrijding. Ook weegt de rechtbank mee dat eiser toen nog geen gemachtigde had en dat hij en ook zijn vrouw psychische klachten hebben, waarvoor zij in behandeling zijn. Daarover is ook informatie overgelegd. Daarnaast zijn er geen derde-belanghebbenden bij dit geschil betrokken. Daarom zal de rechtbank het beroep van eiser wel inhoudelijk beoordelen.
Beoordeling
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet goed gemotiveerd is en licht dit als volgt toe.
Beoordeling
6.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
6.2.
In de ‘Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden’ zijn de criteria omschreven waarin sprake kan zijn van een GBM-situatie. Aan eén van die criteria wordt voldaan in de situatie waarin sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. In de standaard staat onder meer dat hiervoor nodig is dat de betrokkene disfunctioneert in de zelfverzorging, in samenlevingsverband én in de sociale contacten buiten het gezin. Dit moet blijken uit het dagelijks functioneren van de betrokkene.
6.3.
Het UWV mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten.
Beoordeling
6.4.
In de rapporten van 11 juni 2023 en 11 januari 2024 heeft de verzekeringsarts vermeld dat eiser bekend is met psychische stoornissen en gedragsstoornissen door overig en multipel drugsgebruik, PTSS en een whiplash. Volgens de verzekeringsarts blijkt uit eigen onderzoek en het expertiserapport van 22 mei 2023 dat bij eiser weliswaar (forse) beperkingen zijn in persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat er geen sprake is van een GBM-situatie. Daarnaast blijkt uit de spreekuren dat sprake is van inconsistenties.
6.4.1.
In het rapport van 11 juni 2023 is daarover onder ‘4. Beschouwing’ het volgende vermeld: “ Betrokkene is een 37-jarige man die uitviel voor zijn functie als teamleider/ productiemedewerker voor 40 uur per week, aanvankelijk als gevolg van een verkeersongeval (…).Ten tijde van het spreekuur overheersten met name de belemmeringen in persoonlijk en sociaal functioneren waarvoor hij 1 keer in de 2 weken behandelingen zou krijgen (…). Aangezien betrokkene tijdens spreekuur niet veel vragen kon beantwoorden evenmin de namen kan noemen van zijn behandelaars, is een expertise aangevraagd.
Uit de expertise kwam naar voren dat betrokkene een vermoeide indruk maakte met een matige verzorging (dit in tegenstelling tot de eigen bevindingen, waarbij betrokkene alleen naar spreekuur is gekomen en goed was verzorgd). Ook tijdens expertise wist betrokkene veel dingen niet te benoemen, wat door de psychiater geweten kan worden aan langdurig en veel middelengebruik. Daarnaast blijken ook tijdens expertise (zoals met eigen bevindingen) inconsistenties zoals een score van 39 bij de validiteitstest, waarbij het afkappunt >16 is, het feit dat hij zoveel aanhoudende klachten heeft en ernstige cognitieve problemen claimt, echter geen behandelingen heeft en de gevolgde behandelingen elke keer voortijdig beëindigde en het feit dat hij geen medewerking verleent aan het onderzoek. Het feit is wel dat er sprake is van matig tot ernstig middelenmisbruik. Comorbiditeit kon tijdens expertise niet worden bepaald.
Dit alles overwegende kan gesteld worden dat er weliswaar (forse) beperkingen zijn in persoonlijk en sociaal functioneren, echter dat er geen sprake is van een gbm situatie. Weliswaar geeft hij aan tot niets te komen, zou er sprake zijn van anhedonie (welke ook bij de vorige expertise zou zijn aangegeven), echter het feit dat hij geen adequate behandelingen heeft afgerond en volgens het schrijven van Dimence ook bepaalde behandelingen niet wil volgen, zorgt dat de lijdensdruk en de ernst van de ervaren belemmeringen discutabel zijn. Daarnaast is het voor het ontvangen van een (WIA) uitkering wel verplicht om adequate en voorgeschreven behandelingen te volgen.
Daarbij is er nog de uitslag van de symptoomvaliditeit welke (forse) aanwijzingen geeft voor symptoomaggravatie.”.
6.4.2.
In het rapport van 11 januari 2024 is onder ‘4. Beschouwing’ onder meer het volgende vermeld: “Ook tijdens het spreekuur in oktober 2023 blijken inconsistenties: zo wordt aangegeven dat de echtgenote niet weet waar hij hele dagen uithangt en dat hij hele dagen over straat zwerft, om vervolgens aan te geven dat hij altijd in het schuurtje is, zodat de kinderen denken dat hij aan het werk is, kan ze vertellen hoe zijn eetpatroon is en wordt aangegeven dat hij de tv aan heeft voor het geluid. Dit alles overwegende kan gesteld worden dat er sinds de vorige beoordeling met de nieuwe medische informatie, geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen. Gezien langdurig middelengebruik zijn te geven beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren plausibel.”
6.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na eigen medisch onderzoek geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts. In het rapport van 29 maart 2023 staan onder 4.5. de bevindingen van het medisch onderzoek. Vervolgens is onder ‘4.6 en onder 5. Beschouwing’ het volgende vermeld:
“Informatie derden verkregen tijdens de bezwaarprocedure. Productie namens cliënt:
Partner licht toe dat Trajectum nog geen rapport heeft. Er is wel een intake geweest. Deze wordt op 20-03-2024 vervolgd middels een huisbezoek door drie medewerkers van Trajectum. In dit stadium is nog geen verslag beschikbaar. Er wordt volgens haar onderzoek gedaan naar depressie, verdriet en mogelijk laag IQ. Zij vraagt hier nog op gewacht kan worden. Aangegeven dat ik daar niet op wacht. Als het nog op tijd wordt toegezonden kan het nog worden meegewogen. Na de hoorzitting en medisch onderzoek heeft zij de medewerker bezwaar nog gebeld die nog heeft toegevoegd dat zij dat verslag nog in
een beroepsprocedure kan inbrengen als het later beschikbaar komt. Bij het schrijven van deze rapportage was nog geen informatie van Trajectum ontvangen.
De rapportage van de primaire verzekeringsarts bevat een voldoende uitgebreide weergave van anamnese, klachtenpatroon, gericht lichamelijk onderzoek, psychisch onderzoek en beschikbare informatie van behandelaren en twee psychiatrische expertises. Bij de anamnese was er niet alleen aandacht voor de klachten van cliënt, maar ook voor zijn sociaal-maatschappelijke situatie. De primaire verzekeringsarts kon op basis van alle verzamelde gegevens tot een voldoende onderbouwd belastbaarheidsoordeel komen. Het medisch feitencomplex is daarbij op correcte wijze bepaald.
Het medisch onderzoeksverslag met bij behorend de FML overziende stel ik vast dat de primaire verzekeringsarts de cliënt op voldoende gemotiveerde, en ook adequate wijze, beperkt heeft ten aanzien van de veronderstelde arbeidsmogelijkheden op datum in geding. Ik zie geen onregelmatigheden in deze gevalsbehandeling.
Cliënt claimt meer beperkingen. Echter, gelet op alle beschikbare informatie en mijn eigen
onderzoeksbevindingen acht ik de beperkingen zoals aangegeven op de FML van 14-01-2024 in royale mate tegemoet komen aan het te objectiveren deel van zijn klachten op datum in geding.”
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat op de beoordelingsdatum 2 april 2024 geen sprake meer is van een situatie van GBM. Het ligt wel op de weg van het UWV om dit aannemelijk te maken. Er is onvoldoende gemotiveerd waaruit de (eventuele) verbetering blijkt. Dat de lijdensdruk en de ernst van de ervaren belemmeringen volgens de verzekeringsarts discutabel zijn, is onvoldoende. In 2018 is door een verzekeringsarts geconcludeerd dat sprake is van GBM, omdat sprake is van ernstige psychiatrische aandoeningen. Dit was in navolging van de expertise van Trompenaars, die geen aanwijzingen vond voor simuleren of overdrijven en die vaststelde dat eiser zowel een ernstige depressieve stoornis als ernstige PTSS heeft gekregen, dat hij in sociaal-maatschappelijk opzicht volledig is vastgelopen, hij niet meer in staat is om zelf nog op eigen kracht oplossingen te vinden. Bij de daaropvolgende herbeoordeling in 2019 is ook geconcludeerd dat sprake is van GBM, omdat de psychische klachten van eiser tot ernstige problemen leiden in het persoonlijk en sociaal functioneren.
6.7.
Dat de gezondheidssituatie van eiser op de beoordelingsdatum 2 april 2024 verbeterd is kan de rechtbank vooralsnog niet volgen. De verzekeringsartsen van het UWV hebben niet goed gemotiveerd waarom daarvan sprake zou zijn. De rechtbank begrijpt de verzekeringsartsen zo, dat deze conclusie voornamelijk berust op de veronderstelling dat eiser de klachten en beperkingen erger doet voorkomen dan zij in werkelijkheid zijn, wat volgens het UWV blijkt uit inconsistenties in wat hij vertelt, uit het feit dat eiser geen adequate behandelingen heeft afgerond en dat hij bepaalde behandelingen niet wil volgen, en uit een score van 39 bij de validiteitstest, waarbij het afkappunt >16 is.
Conclusie
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is in die zin dan ook gegrond. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
7.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
7.2.
Om het gebrek te herstellen, moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep – kort gezegd – met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen inzichtelijk en navolgbaar motiveren waarom op 2 april 2024 geen sprake meer is van GBM. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.3.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt het UWV op om binnen twee weken na verzenddatum van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzenddatum van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:935, ECLI:NL:CRVB:2024:932 en ECLI:NL:CRVB:2024:972
Standaard van Landelijk instituut sociale verzekeringen, juni 1996.