Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-11-25
ECLI:NL:RBOVE:2024:6381
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,095 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: 322303 FT RK 24.676
Datum uitspraak: 25 november 2024
Vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, verder te noemen: [verzoeker] .
Het procesverloop:
Bij rekest van 20 augustus 2024 is door WTP World Timber Products B.V. en Würth Nederland B.V. het faillissement van [verzoeker] aangevraagd.
[verzoeker] heeft op 9 oktober 2024 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (defensief verzoek) ingediend.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft de rechtbank [verzoeker] opgeroepen te verschijnen ter zitting van 18 november 2024 voor de behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en heeft de rechtbank [verzoeker] een termijn van één maand (tot 11 november 2024) gegund om ontbrekende gegevens te verstrekken.
[verzoeker] is op 18 november 2024 niet ter zitting verschenen.
De beoordeling:
Feiten
In de oproepbrief van 11 oktober 2024 voor de zitting van 18 november 2024 is [verzoeker] er onder andere op gewezen dat aan zijn verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet ontbreekt en dat [verzoeker] een maand, dus tot 11 november 2024, in de gelegenheid wordt gesteld die verklaring aan te leveren. [verzoeker] is er in de oproepbrief ook op gewezen dat als hij die verklaring niet uiterlijk op 11 november 2024 aanlevert, hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.
[verzoeker] is er voorts op gewezen dat de termijn van één maand die hem wordt gegund om de ontbrekende gegevens te verstrekken, gelet op wettelijke bepalingen, niet kan worden verlengd en dat hij zich voor het opmaken van de verklaring dient te wenden tot een instantie die hiertoe bevoegd is. Aangezien er enige tijd gemoeid is met het opmaken van de verklaring, is [verzoeker] in de brief van 11 oktober 2024 aangeraden, onmiddellijk contact op te nemen met een bevoegde instantie.
De rechtbank heeft de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet niet ontvangen. De rechtbank heeft in het geheel geen gegevens van [verzoeker] ontvangen.
Op 19 november 2024 heeft [verzoeker] gebeld met de griffier van de rechtbank en heeft hij medegedeeld dat hij niet ter zitting is verschenen, omdat hij ervan uit is gegaan dat de zitting op woensdag zou plaatsvinden. [verzoeker] heeft op dinsdag 19 november 2024 in de oproepbrief gezien dat hij op 18 november 2024 ter zitting had moeten verschijnen. [verzoeker] heeft desgevraagd medegedeeld dat hij zich niet tot een bevoegde instantie heeft gewend voor het opmaken van een verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet.
Overwegingen
De rechtbank concludeert dat [verzoeker] de oproepbrief voor de zitting op maandag
18 november 2024 heeft ontvangen en dat hij desondanks niet ter zitting is verschenen. Ook heeft [verzoeker] niet voldaan aan hetgeen hem in diezelfde oproepbrief is opgedragen wat betreft het aanleveren van een verklaring ex artikel 285 Faillissementswet.
De rechtbank is van oordeel dat nu [verzoeker] die verklaring niet heeft aangeleverd, [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dictum
de rechtbank:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. R.P. van Eerde, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
De schuldenaar heeft gedurende
acht dagen na de dag van deze uitspraak
het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).