Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-02-05
ECLI:NL:RBOVE:2024:596
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,724 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Toezicht - Schuldsanering
Zittingsplaats Zwolle
insolventienummer: C/08/24/18 R
uitspraakdatum: 5 februari 2024
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoekster] , wonende te [adres 1]
,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] .
Het procesverloop
[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 januari 2024. [verzoekster] en mevrouw [naam] (namens gemeente Zwolle) zijn ter zitting verschenen.
Beoordeling
[verzoekster] heeft verzocht de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren en heeft tevens verzocht te bepalen dat de looptijd van de schuldsanering zal ingaan op 12 september 2023, zijnde vijf maanden eerder.
De rechtbank zal eerst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en vervolgens het verzoek betreffende de eerdere ingangsdatum behandelen.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Voorts heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Tevens heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Ten aanzien van het verzoek om te bepalen dat de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling vóór de datum van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ligt, overweegt de rechtbank als volgt.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in totaal vijf maanden maximaal heeft afgedragen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.
Op 1 juli 2023 is de Wet verbetering doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking getreden. Als gevolg van inwerkingtreding van vorengenoemde wet is onder andere artikel 349a lid 1 Faillissementswet aangepast, in die zin dat nu is bepaald dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt te rekenen van de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 eerde lid onder f Faillissementswet, indien die dag eerder is gelegen.
[verzoekster] heeft € 62,62 per maand afgedragen. In totaal zou [verzoekster] € 303,10 moeten hebben gespaard, maar [verzoekster] heeft € 514,45 gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. Ter zitting heeft [verzoekster] geen nadere toelichting kunnen geven hoe de extra afdrachten tot stand zijn gekomen. [verzoekster] heeft niet kunnen verklaren of zij de extra afdrachten uit haar vrij te laten bedrag heeft voldaan of dat deze gelden op andere wijze bij elkaar zijn gespaard. Uit de overgelegde loonstrook blijkt dat sprake is van loonbeslag. [verzoekster] heeft geen toelichting kunnen geven op de vraag of dit loonbeslag aanwezig is geweest gedurende de gehele periode van afdracht – dus vijf maanden – en de vraag of dit loonbeslag tot op heden nog steeds aanwezig is. Een loonbeslag begunstigd slechts de beslagleggende schuldeiser en niet alle gezamenlijke schuldeisers. Aangezien [verzoekster] geen toelichting hierop heeft kunnen geven, kan de rechtbank niet beoordelen of [verzoekster] wel maximaal heeft gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers.
[verzoekster] is gedurende de periode van afdracht gemiddeld 23 uur per week werkzaam geweest bij twee verschillende werkgevers. Dit betekent dat op [verzoekster] nog een (aanvullende) inspanningsplicht rust in de zin van het verwerven en behouden van betaalde (aanvullende) fulltime arbeid. Op [verzoekster] rust derhalve een inspanningsplicht voor 13 uur per week, zodat zij met haar huidige werkzaamheden in totaal 36 uur per week werkzaam zal zijn. [verzoekster] heeft toegelicht dat zij vermoedt dat zij in het geheel niet heeft voldaan aan de inspanningsplicht.
De rechtbank concludeert dat [verzoekster] het verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd en dat [verzoekster] niet – zoals zij zelf reeds heeft verklaard – heeft voldaan aan de inspanningsplicht. De rechtbank zal het verzoek om een eerdere ingangsdatum afwijzen.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat door de toepassing van de schuldsaneringsregeling de ten laste van [verzoekster] gelegde beslagen van rechtswege komen te vervallen.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.H. Margadant,
en tot bewindvoerder A. Palas,
[adres 2]
;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen;
- stelt de vergoeding voor de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorlopig vast op de bedragen zoals bepaald in het op 1 januari 2024 in werking getreden Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, en brengt deze bedragen ten laste van de boedel;
- bepaalt dat de bewindvoerder - bij wijze van voorschot - van deze vergoeding gemiddeld per maand een bedrag mag opnemen van maximaal het maandbedrag van het looptijdafhankelijke deel, te vermeerderen met 1/18 van het looptijdonafhankelijke deel, een en ander vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (een gedeelte van een maand daaronder begrepen) en uitsluitend wanneer het saldo op de ten behoeve van de schuldsaneringsregeling geopende bankrekening dit toelaat.
- Wijst het verzoek tot een eerdere ingangsdatum af.
Gewezen te Zwolle door mr. A.H. Margadant, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.