Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-10-25
ECLI:NL:RBOVE:2024:5544
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,898 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2770
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
het Centraal Administratie Kantoor (CAK).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hem opgelegde lage eigen bijdrage voor de zorg die hij vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) ontvangt. De eigen bijdrage is per 1 januari 2024 vastgesteld op € 144,27 per maand.
Met het bestreden besluit van 26 april 2024 op het bezwaar van eiser is het CAK bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig en namens het CAK hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2].
Beoordeling
1. Eiser (geboren [geboortedatum] 1999) heeft wegens lichamelijke beperkingen een indicatie op grond van de Wlz. Hij woont thuis en is werkzaam als controller. Om de voor hem benodigde zorg in te kunnen kopen ontvangt eiser een persoonsgebonden budget (pgb). Het CAK legt hiervoor een eigen bijdrage op. De eigen bijdrage bedraagt per 1 januari 2024 € 144,27 per hele maand. Eiser is het hiermee niet eens.
Het standpunt van eiser
2.1.
Volgens eiser houdt de lage eigen bijdrage in het algemeen geen rekening met de draagkracht. Het opleggen daarvan is volgens eiser daarom in strijd met het recht op bestaanszekerheid, zoals is neergelegd in artikel 20 van de Grondwet. De lage eigen bijdrage bedraagt 10% van het bruto inkomen, terwijl eiser in de kosten van zijn levensonderhoud moet voorzien met een netto inkomen, nadat hij over het bruto inkomen al belasting en premies voor de volksverzekeringen heeft betaald. Eiser is nu nog jong, maar zijn bruto inkomen zal blijven stijgen, waardoor hij uiteindelijk ruim € 800,- netto per maand aan lage eigen bijdrage zal moeten gaan betalen. De eigen bijdrage is bovendien sinds 2009 niet meer aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Eiser heeft net als ieder ander vaste lasten en is met deze eigen bijdrage niet meer in staat zijn leven op te bouwen.
2.2.
Het opleggen van de lage eigen bijdrage is volgens eiser ook in strijd met het verbod van discriminatie, genoemd in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser belet het moeten betalen van de eigen bijdrage hem in het opzetten en voortzetten van een menswaardig leven.
2.3.
Ook als er in de toekomst een fiscale partner zou zijn is er sprake van discriminatie. In die situatie wordt de eigen bijdrage wel berekend op basis van twee inkomens, maar wordt slechts een keer de aftrek pgb van € 7.287,20 toegepast. Voor eiser speelt dit nu niet, maar mogelijk wel in de toekomst.
2.4.
De vermogensbijtelling van 4% is volgens eiser in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom zoals beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Eisers vermogen bestaat grotendeels uit bank- en spaartegoeden met een veel lager rendement dan het veronderstelde percentage van 4%. Eiser is aan het sparen voor een eigen woning en neem dus niet het risico van risicovol beleggen om aan het rendement van 4% te komen dat wordt verondersteld bij de bijtelling van vermogen voor het bijdrageplichtig inkomen. Als de bijtelling van vermogen al rechtmatig is moet volgens de Hoge Raad worden uitgegaan van het werkelijk genoten rendement.
Het standpunt van het CAK
2.5.
Volgens het CAK stelt eiser wel dat zijn bestaanszekerheid wordt aangetast, maar maakt hij dit niet concreet. Hij geeft geen voorbeeld van een berekening van de toekomstige vaste lasten die hij als gevolg van het betalen van een eigen bijdrage niet meer zou kunnen voldoen. Voor eiser zijn twee proefberekeningen gemaakt (met en zonder partner), waaruit duidelijk wordt wat de hoogte van het inkomen van eiser ongeveer moet zijn bij een eigen bijdrage van ongeveer € 800,- per maand. Pas bij een bruto inkomen van € 123.000,- per jaar zou eiser dan volgens de huidige berekeningen een eigen bijdrage van € 795,55 verschuldigd zijn. Volgens het CAK komt dit neer op een inkomen van € 5.169,20 netto na aftrek van de belasting en de eigen bijdrage. Dit zou ruim voldoende moeten zijn om woonlasten en andere noodzakelijke kosten te kunnen betalen en daarnaast ook nog geld over te houden. Hieruit blijkt dat de bestaanszekerheid van eiser ook in de toekomst niet in het geding is.
2.6.
Op het punt van de (eventueel toekomstige) fiscale partner en verdubbeling van de pgb-aftrek heeft het CAK toegelicht dat de eigen bijdrage geen belasting over inkomen is, maar een bijdrage voor zorgkosten die worden gemaakt voor degene die de eigen bijdrage verschuldigd is. De partner wordt geacht mee te betalen voor deze kosten. Als het gaat om een volledig pakket thuis (vpt), modulair pakket thuis (mpt) of zorg in de vorm van een pgb is een lage eigen bijdrage verschuldigd. Bij het vpt zijn maaltijden in de zorgkosten meegenomen, maar bij het mpt en het pgb niet. Daarom is er alleen een aftrek als het gaat om zorg vanuit een mpt en pgb. Deze aftrek is er dus niet bij zorg vanuit een vpt. De enkele aftrek pgb is dus gekoppeld aan de enkele gebruiker van de zorg en niet aan een enkel of dubbel inkomen dat meegerekend wordt.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank beoordeelt het opleggen van de eigen bijdrage op grond van de Wlz aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.
3.2.
Eiser ontvangt zorg vanuit de Wlz en is hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd. Die eigen bijdrage is mede afhankelijk van zowel het inkomen als het vermogen van de verzekerde (en, indien daarvan sprake is, diens echtgenoot).
Voor eiser geldt de zogeheten lage eigen bijdrage, omdat hij thuis woont, een pgb heeft en geen echtgenote heeft die ook zorg ontvangt.
3.3.
De berekening van de eigen bijdrage op grond van de Wlz volgt uit de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 3.2.5, eerste lid, van de Wlz en, voor zover in deze zaak relevant, de artikelen 3.3.1.1, 3.3.2.2 en 3.3.2.4 van het Besluit langdurige zorg (Blz). Op grond van deze bepalingen wordt de vermogensinkomensbijtelling bij de berekening betrokken en maakt het CAK bij die berekening gebruik van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens over (onder meer) het vermogen. Aan de hand van de verzamelde gegevens heeft het CAK de bestreden berekening gemaakt.
3.4.
Het gaat hierbij om een gebonden besluit van verweerder, wat betekent dat de bepalingen verweerder geen ruimte bieden om daarvan af te wijken. In de bepalingen is geregeld onder welke voorwaarden eiser een eigen bijdrage is verschuldigd en hoe die bijdrage moet worden berekend. Eiser heeft niet aangevoerd dat verweerder de bepalingen niet juist heeft toegepast. Hij heeft erkend dat verweerder de juiste gegevens heeft gebruikt en de juiste berekening heeft gemaakt. Tussen partijen is dus niet in geschil dat verweerder de eigen bijdrage met toepassing van de geldende bepalingen juist heeft berekend. Eiser is echter van mening dat de voor zijn situatie geldende bepalingen van het Blz, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, in strijd zijn met het recht, in het bijzonder met bepalingen uit de Grondwet en het EVRM.
Bestaanszekerheid en zorgen over de toekomst
3.5.
Volgens eiser is de opgelegde eigen bijdrage in strijd met het in artikel 20 van de Grondwet neergelegde recht op bestaanszekerheid. De rechtbank overweegt allereerst dat dit artikel in de Grondwet de overheid weliswaar verplicht om een beleid te voeren dat is gericht op bestaanszekerheid, maar de individuele burger op zichzelf geen basis biedt om specifieke rechten af te dwingen. De wetgever heeft de concrete aanspraken uitgewerkt in nationale wetgeving.
3.6.
Eiser is het er niet mee eens dat de berekende eigen bijdrage niet in mindering wordt gebracht op zijn brutoloon (voordat daarover loonbelasting en premies zijn betaald) maar dat hij deze van zijn nettoloon moet voldoen. Volgens eiser is dit niet logisch, omdat de eigen bijdrage niet langer aftrekbaar is voor de belasting. Voor de wijze van berekening, die eiser voor ogen heeft, ziet de rechtbank in de geldende regelgeving geen aanknopingspunten. Het gaat om een eigen bijdrage voor zorgkosten, die van het eigen inkomen wordt betaald.
3.7.
Eiser heeft ook zijn zorgen geuit over het stijgen van de hoogte van de eigen bijdrage als hij meer gaat verdienen. De rechtbank merkt op, dat vrees voor een (onzekere) toekomstige gebeurtenis op zichzelf onvoldoende is voor een rechterlijk oordeel. Onduidelijk is nu immers nog hoe eisers inkomen zich zal gaan ontwikkelen en zelfs of de regelgeving gelijk blijft. Ook gaat de rechtbank niet in op de bezwaren die eiser heeft tegen de berekening wanneer eenmaal sprake is van een fiscale partner. Ook hier geldt dat nu nog niet duidelijk is wat dan de specifieke leef-, woon- en inkomenssituatie van eiser zal zijn en welke eigen bijdrage daar dan bij hoort. Zolang de door eiser geschetste situaties zich nog niet voordoen, ontbreekt bij hem bovendien een procesbelang om daarover een rechterlijk oordeel te vragen. Als eiser het in de toekomst niet eens is met de eigen bijdrage die hem wordt opgelegd kan hij de besluitvorming daarover op dat moment, na bezwaar bij het CAK, aan de rechtbank voorleggen. Overigens heeft het CAK naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk toegelicht, wat de achtergrond is van de dubbele of enkele pgb-aftrek.
Ongestoord genot van eigendom en de vermogensinkomensbijtelling
3.8.
Artikel 1 van het EP bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft uit dit artikel het vereiste afgeleid dat een inmenging op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan wanneer deze is voorzien bij wet en een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en een ‘fair balance’ is getroffen tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van de individuele rechten anderzijds. Aan het vereiste van een ‘fair balance’ is niet voldaan als sprake is van een individuele en buitensporige last voor de betrokken persoon.
3.9.
Volgens eiser staat de bijtelling niet in verhouding tot zijn inkomen en volgt uit arresten van de Hoge Raad dat uitgegaan moet worden van het daadwerkelijk behaalde rendement en niet van een fictief rendement. Bedoelde arresten hebben echter betrekking op de heffing van inkomstenbelasting over rendement op vermogen. Dat is wat anders dan het betalen van een eigen bijdrage voor ontvangen zorg. Voor de vraag of de vermogensinkomensbijtelling van (een fictieve) 4% van het vermogen in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten volgt de rechtbank de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in vergelijkbare zaken. Daarbij is relevant dat de wetgever met het zorgstelsel voor ogen heeft gehad dat het risico wordt geborgd van kosten voor (langdurige) zorg die burgers zelf niet kunnen dragen. Om in de dekking van deze kosten te voorzien is een volksverzekering tot stand gebracht waarvoor iedere burger een inkomensafhankelijke premie betaalt en tevens, indien hij zorg ontvangt, een bijdrage in de kosten van die zorg. De eigen bijdragen heeft de wetgever nodig geacht om de (langdurige) zorgverzekering betaalbaar te houden. Een belangrijke overweging om een percentage van het vermogen bij de vaststelling van de eigen bijdrage te betrekken is geweest dat verzekerden die naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen over vermogen beschikken op die manier een eigen bijdrage gaan betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Voor de vraag of de eigen bijdrage voor personen als eiser proportioneel is, dan wel in zijn geval tot een “individual and excessive burden” leidt, is relevant dat de hoogte van de maandelijks te betalen eigen bijdrage aan een maximum is gebonden en dat bovendien een deel van het vermogen buiten beschouwing blijft, doordat voor het in aanmerking te nemen vermogen een drempel geldt. Voorts geldt dat de eigen bijdrage ten goede komt aan de bekostiging van de zorg van de verzekerde van wie die bijdrage wordt geheven. Dit alles moet tot de conclusie leiden dat de vaststelling van de eigen bijdrage proportioneel is en dat niet gezegd kan worden dat het tot een individuele en buitensporige last leidt. Van schending van artikel 1 van het EP is daarom geen sprake.
Discriminatie
3.10.
Eiser heeft op de zitting toegelicht waarom hij van mening is dat het opleggen van een eigen bijdrage discriminatie op grond van handicap oplevert. Hij heeft er niet om gevraagd om zorg op grond van de Wlz nodig te hebben en als gevolg daarvan een eigen bijdrage te moeten betalen die hem hindert in zijn financiële ontwikkeling.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter, mr. F. Koster en
mr. R.J. Ouderdorp, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In artikel 3.3.1.1, eerste lid, van het Blz staat dat iedere verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg
Artikel 3.3.1.1., tweede lid van het Blz
Artikel 3.3.2.2, tweede lid, onder a van het Blz
Artikel 3.3.2.3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Blz
Artikel 3.3.1.3, vierde lid, onder a, van het Blz.
Zie bijvoorbeeld de HR van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963
CRvB van 16 december 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:4761 en 5 oktober 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:3886