Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-10-16
ECLI:NL:RBOVE:2024:5325
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/319849 / KG ZA 24-174
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.W. Post.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 augustus 2024 met 8 producties;- de wijziging/vermeerdering van eis;- de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde] ;- de aanvullende productie 9 van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 2 oktober 2024, waar partijen met hun advocaten zijn verschenen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
Partijen hebben een relatie gehad. Tijdens de relatie hebben partijen samen twee kinderen gekregen. Ook is er een hondje, [naam hondje] , gekocht. Partijen hebben na beëindiging van hun relatie een omgangsregeling opgesteld ten aanzien van de kinderen en daarin ook [naam hondje] betrokken. [gedaagde] is gestopt met het nakomen van de afspraak ten aanzien van [naam hondje] . De voorzieningenrechter vindt op straffe van een dwangsom dat [gedaagde] de gemaakte afspraak moet nakomen ook al stelt [gedaagde] dat hij [naam hondje] niet meer in zijn bezit heeft. De vordering tot betaling van een boete en het door [gedaagde] laten halen en brengen van de kinderen wijst de voorzieningenrechter af. Ten slotte worden de proceskosten gecompenseerd.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een relatie gehad en zij hebben tot 7 maart 2024 samengeleefd. Er is geen samenlevingsovereenkomst opgesteld.
3.2.
Partijen hebben samen twee minderjarige kinderen:- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] ;- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] .
3.3.
In augustus 2022 hebben partijen een hondje, [naam hondje] , gekocht.
3.4.
Partijen hebben op 21 februari 2024 een omgangsregeling afgesproken, waarbij afspraken zijn gemaakt over de kinderen, maar ook over [naam hondje] : ‘(…)* Dagen voorlopig bespreekbaar wanneer kinderen bij welke ouder zijn, daarna ouder rooster maken.(…)* Dierenarts kosten worden gedeeld door de helft door beide ouders.- [naam hondje] gaat naar ouder waar kinderen ook zijn.(…)’.
3.5.
Vanaf juli 2024 komt [naam hondje] niet meer mee met de kinderen naar [eiser] .
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging/vermeerdering van eis – dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:I. tot nakoming van de afspraak over de verblijfplaats van hond [naam hondje] uit de overeenkomst van partijen van 21 februari 2024, op straffe van een dwangsom;II. tot betaling van een boete van € 2.000,00 bij het niet nakomen van de afspraak als bedoeld onder I;III. de kinderen bij [eiser] op te halen en terug te brengen, tot de rechter in de bodemprocedure anders heeft beslist, op straffe van een dwangsom;IV. tot betaling van de proceskosten.
4.2.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan
Spoedeisend belang
5.1.
[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering, omdat partijen dit zijn overeengekomen en de kinderen al jaren gewend zijn om [naam hondje] bij zich te hebben en dit hen bij de omgang zekerheid/houvast geeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen belang hebben bij een snelle uitkomst van dit geschil. De kinderen hebben [naam hondje] sinds juli 2024 niet meer gezien. Bovendien is het spoedeisend belang niet betwist. De voorzieningenrechter zal de vorderingen inhoudelijk behandelen.
5.2.
Voor een toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Beoordeling
5.3.
Op 21 februari 2024 hebben partijen een regeling afgesproken over de kinderen en over [naam hondje] . Geen van de partijen heeft deze afspraak opgezegd.
5.4.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat hij die afspraak niet kan nakomen om dat hij [naam hondje] heeft verkocht. Hij stelt dat hij alleen eigenaar was van [naam hondje] , dat hij [naam hondje] eind juli 2024 heeft verkocht en dat de nieuwe eigenaar [naam hondje] niet wil teruggeven.
Gemeenschappelijk eigendom
5.5. Anders dan [gedaagde] stelt, is het geen uitgemaakte zaak dat hij alleen eigenaar is (geweest) van [naam hondje] .
[naam hondje] is ten tijde van de samenwoning aangeschaft ten behoeve van het gezin en uit bovenstaande afspraken blijkt dat de dierenartskosten van [naam hondje] ook nadat de relatie is beëindigd door partijen samen werden gedragen. Het is daarom aannemelijk dat de kosten die worden gemaakt voor [naam hondje] alsmede de kosten van de aanschaf van [naam hondje] destijds ook deel uitmaakten van de gemeenschappelijke huishouding, zoals [eiser] stelt. Welk bedrag van de kosten voor [naam hondje] van welke bankrekening is betaald, is daarbij niet doorslaggevend, nu geen der partijen naar voren heeft gebracht dat gemeenschappelijke kosten alleen van een gemeenschappelijke rekening werden betaald. Evenmin is de tenaamstelling op het hondenpaspoort en bij de Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (hierna: NDG) doorslaggevend. Een dier is immers voor de wet te vergelijken met een roerende zaak, waarvan de eigendom niet wordt ingeschreven in een openbaar register. Dat een dier uit praktisch oogpunt op naam van een persoon wordt geregistreerd, maakt die persoon dus geen eigenaar. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop zeer waarschijnlijk dat in de bodemprocedure tot de conclusie wordt gekomen dat [naam hondje] van beide partijen is. Aan nadere bewijslevering van de stelling van [gedaagde] dat [naam hondje] alleen van hem is wordt in kort geding niet toegekomen.
Geen recht op derdenbescherming
5.6.
[gedaagde] stelt dat [naam hondje] niet meer in zijn bezit is omdat hij haar heeft verkocht en de koper eigenaar is geworden. Voor zover [gedaagde] daarmee doelt op derdenbescherming van de koper wordt deze stelling niet gevolgd. Allereerst is het niet [gedaagde] maar de koper die zich op deze bescherming zou kunnen beroepen. De koper is geen partij in deze procedure. Daarnaast heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de koper op de hoogte was van de rechtszaak, hetgeen ook blijkt uit de door hem overgelegde Whatsappcorrespondentie dat op 14 augustus 2024 door [gedaagde] aan de koper wordt gevraagd om het overschrijvingsbewijs van [naam hondje] . [gedaagde] schrijft daarover: ‘ik heb deze namelijk nodig voor de rechtbank’. Met andere woorden: koper was op de hoogte van een juridische procedure die werd gevoerd waarin de kwestie rond [naam hondje] ook speelde, welke kennis bij een eventueel beroep op derdenbescherming door de koper zal worden beoordeeld.
Nakoming afspraken
5.7. Het uitgangspunt in deze procedure is dat [naam hondje] gezamenlijk eigendom is van [eiser] en [gedaagde] . Uitgangspunt is eveneens dat partijen gehouden zijn tot nakoming van afspraken die zij maken. De vordering wordt daarom toegewezen. Wel zal de dwangsom worden gematigd zoals hierna wordt vermeld.
5.8.
Dat [gedaagde] [naam hondje] niet meer in zijn bezit heeft, komt voor zijn rekening en risico.
5.9.
Het argument dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde om [naam hondje] te verkopen uit geldnood heeft [gedaagde] niet onderbouwd en maakt hem bovendien als vermoedelijke mede-eigenaar niet bevoegd om tot verkoop over te gaan.
5.10.
Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde boete is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat. De vordering tot nakoming is bovendien al voorzien van een dwangsom. Deze vordering wijst de voorzieningenrechter af.
5.11.
[eiser] heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de kinderen bij haar op te halen en terug te brengen, waartegen [gedaagde] zich heeft verzet. Hoewel over de omgangsregeling een procedure loopt bij de rechtbank Gelderland, naar de voorzieningenrechter aanneemt, bij de Team Familie en Jeugd, zal de voorzieningenrechter, team Kanton en Handel, zich ook over deze vordering uitlaten nu partijen daar uitdrukkelijk om hebben verzocht.
5.12.
Nadat partijen in februari 2024 afspraken hebben gemaakt over de omgangsregeling is [eiser] naar [woonplaats 1] verhuisd. Partijen hebben over het halen en brengen van de kinderen geen (vastomlijnde) afspraken gemaakt. De eerste maanden heeft [gedaagde] het halen en brengen van de kinderen verzorgd. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gebracht dat [eiser] de kinderen ‘afgelopen weekend’ (toevoeging: het laatste weekend van september 2024) bij [gedaagde] heeft opgehaald. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat hij de kosten (het heen en weer reizen) amper kan dragen. [eiser] heeft gesteld dat ze eventueel wel wil meedenken bij het vinden van een oplossing wat betreft het halen en brengen van de kinderen.
Gelet op het vorenstaande lijkt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk dat alleen [gedaagde] het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening neemt. Beide partijen dienen daarbij hun verantwoordelijkheid te nemen en kunnen in de aanloop naar de bodemprocedure laten zien dat zij in het belang van hun kinderen daartoe in staat zijn. De voorzieningenrechter wijst de vordering dan ook af.
Proceskosten
5.13. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in een zaak als deze, waarin het geschil te maken heeft met de (beëindigde) relatie, tussen partijen zullen worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de afspraak over de verblijfplaats van [naam hondje] uit de overeenkomst van partijen van 21 februari 2024, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel voor het niet meegeven van [naam hondje] met de kinderen en de zorgregeling, tot een maximum van € 2.500,00;
6.2.
verklaart de veroordeling onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/319849 / KG ZA 24-174
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.W. Post.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 augustus 2024 met 8 producties;- de wijziging/vermeerdering van eis;- de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde] ;- de aanvullende productie 9 van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 2 oktober 2024, waar partijen met hun advocaten zijn verschenen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
Partijen hebben een relatie gehad. Tijdens de relatie hebben partijen samen twee kinderen gekregen. Ook is er een hondje, [naam hondje] , gekocht. Partijen hebben na beëindiging van hun relatie een omgangsregeling opgesteld ten aanzien van de kinderen en daarin ook [naam hondje] betrokken. [gedaagde] is gestopt met het nakomen van de afspraak ten aanzien van [naam hondje] . De voorzieningenrechter vindt op straffe van een dwangsom dat [gedaagde] de gemaakte afspraak moet nakomen ook al stelt [gedaagde] dat hij [naam hondje] niet meer in zijn bezit heeft. De vordering tot betaling van een boete en het door [gedaagde] laten halen en brengen van de kinderen wijst de voorzieningenrechter af. Ten slotte worden de proceskosten gecompenseerd.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een relatie gehad en zij hebben tot 7 maart 2024 samengeleefd. Er is geen samenlevingsovereenkomst opgesteld.
3.2.
Partijen hebben samen twee minderjarige kinderen:- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] ;- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] .
3.3.
In augustus 2022 hebben partijen een hondje, [naam hondje] , gekocht.
3.4.
Partijen hebben op 21 februari 2024 een omgangsregeling afgesproken, waarbij afspraken zijn gemaakt over de kinderen, maar ook over [naam hondje] : ‘(…)* Dagen voorlopig bespreekbaar wanneer kinderen bij welke ouder zijn, daarna ouder rooster maken.(…)* Dierenarts kosten worden gedeeld door de helft door beide ouders.- [naam hondje] gaat naar ouder waar kinderen ook zijn.(…)’.
3.5.
Vanaf juli 2024 komt [naam hondje] niet meer mee met de kinderen naar [eiser] .
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging/vermeerdering van eis – dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:I. tot nakoming van de afspraak over de verblijfplaats van hond [naam hondje] uit de overeenkomst van partijen van 21 februari 2024, op straffe van een dwangsom;II. tot betaling van een boete van € 2.000,00 bij het niet nakomen van de afspraak als bedoeld onder I;III. de kinderen bij [eiser] op te halen en terug te brengen, tot de rechter in de bodemprocedure anders heeft beslist, op straffe van een dwangsom;IV. tot betaling van de proceskosten.
4.2.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan
Spoedeisend belang
5.1.
[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering, omdat partijen dit zijn overeengekomen en de kinderen al jaren gewend zijn om [naam hondje] bij zich te hebben en dit hen bij de omgang zekerheid/houvast geeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen belang hebben bij een snelle uitkomst van dit geschil. De kinderen hebben [naam hondje] sinds juli 2024 niet meer gezien. Bovendien is het spoedeisend belang niet betwist. De voorzieningenrechter zal de vorderingen inhoudelijk behandelen.
5.2.
Voor een toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Beoordeling
5.3.
Op 21 februari 2024 hebben partijen een regeling afgesproken over de kinderen en over [naam hondje] . Geen van de partijen heeft deze afspraak opgezegd.
5.4.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat hij die afspraak niet kan nakomen om dat hij [naam hondje] heeft verkocht. Hij stelt dat hij alleen eigenaar was van [naam hondje] , dat hij [naam hondje] eind juli 2024 heeft verkocht en dat de nieuwe eigenaar [naam hondje] niet wil teruggeven.
Gemeenschappelijk eigendom
5.5. Anders dan [gedaagde] stelt, is het geen uitgemaakte zaak dat hij alleen eigenaar is (geweest) van [naam hondje] .
[naam hondje] is ten tijde van de samenwoning aangeschaft ten behoeve van het gezin en uit bovenstaande afspraken blijkt dat de dierenartskosten van [naam hondje] ook nadat de relatie is beëindigd door partijen samen werden gedragen. Het is daarom aannemelijk dat de kosten die worden gemaakt voor [naam hondje] alsmede de kosten van de aanschaf van [naam hondje] destijds ook deel uitmaakten van de gemeenschappelijke huishouding, zoals [eiser] stelt. Welk bedrag van de kosten voor [naam hondje] van welke bankrekening is betaald, is daarbij niet doorslaggevend, nu geen der partijen naar voren heeft gebracht dat gemeenschappelijke kosten alleen van een gemeenschappelijke rekening werden betaald. Evenmin is de tenaamstelling op het hondenpaspoort en bij de Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (hierna: NDG) doorslaggevend. Een dier is immers voor de wet te vergelijken met een roerende zaak, waarvan de eigendom niet wordt ingeschreven in een openbaar register. Dat een dier uit praktisch oogpunt op naam van een persoon wordt geregistreerd, maakt die persoon dus geen eigenaar. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop zeer waarschijnlijk dat in de bodemprocedure tot de conclusie wordt gekomen dat [naam hondje] van beide partijen is. Aan nadere bewijslevering van de stelling van [gedaagde] dat [naam hondje] alleen van hem is wordt in kort geding niet toegekomen.
Geen recht op derdenbescherming
5.6.
[gedaagde] stelt dat [naam hondje] niet meer in zijn bezit is omdat hij haar heeft verkocht en de koper eigenaar is geworden. Voor zover [gedaagde] daarmee doelt op derdenbescherming van de koper wordt deze stelling niet gevolgd. Allereerst is het niet [gedaagde] maar de koper die zich op deze bescherming zou kunnen beroepen. De koper is geen partij in deze procedure. Daarnaast heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de koper op de hoogte was van de rechtszaak, hetgeen ook blijkt uit de door hem overgelegde Whatsappcorrespondentie dat op 14 augustus 2024 door [gedaagde] aan de koper wordt gevraagd om het overschrijvingsbewijs van [naam hondje] . [gedaagde] schrijft daarover: ‘ik heb deze namelijk nodig voor de rechtbank’. Met andere woorden: koper was op de hoogte van een juridische procedure die werd gevoerd waarin de kwestie rond [naam hondje] ook speelde, welke kennis bij een eventueel beroep op derdenbescherming door de koper zal worden beoordeeld.
Nakoming afspraken
5.7. Het uitgangspunt in deze procedure is dat [naam hondje] gezamenlijk eigendom is van [eiser] en [gedaagde] . Uitgangspunt is eveneens dat partijen gehouden zijn tot nakoming van afspraken die zij maken. De vordering wordt daarom toegewezen. Wel zal de dwangsom worden gematigd zoals hierna wordt vermeld.
5.8.
Dat [gedaagde] [naam hondje] niet meer in zijn bezit heeft, komt voor zijn rekening en risico.
5.9.
Het argument dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde om [naam hondje] te verkopen uit geldnood heeft [gedaagde] niet onderbouwd en maakt hem bovendien als vermoedelijke mede-eigenaar niet bevoegd om tot verkoop over te gaan.
5.10.
Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde boete is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat. De vordering tot nakoming is bovendien al voorzien van een dwangsom. Deze vordering wijst de voorzieningenrechter af.
5.11.
[eiser] heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de kinderen bij haar op te halen en terug te brengen, waartegen [gedaagde] zich heeft verzet. Hoewel over de omgangsregeling een procedure loopt bij de rechtbank Gelderland, naar de voorzieningenrechter aanneemt, bij de Team Familie en Jeugd, zal de voorzieningenrechter, team Kanton en Handel, zich ook over deze vordering uitlaten nu partijen daar uitdrukkelijk om hebben verzocht.
5.12.
Nadat partijen in februari 2024 afspraken hebben gemaakt over de omgangsregeling is [eiser] naar [woonplaats 1] verhuisd. Partijen hebben over het halen en brengen van de kinderen geen (vastomlijnde) afspraken gemaakt. De eerste maanden heeft [gedaagde] het halen en brengen van de kinderen verzorgd. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gebracht dat [eiser] de kinderen ‘afgelopen weekend’ (toevoeging: het laatste weekend van september 2024) bij [gedaagde] heeft opgehaald. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat hij de kosten (het heen en weer reizen) amper kan dragen. [eiser] heeft gesteld dat ze eventueel wel wil meedenken bij het vinden van een oplossing wat betreft het halen en brengen van de kinderen.
Gelet op het vorenstaande lijkt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk dat alleen [gedaagde] het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening neemt. Beide partijen dienen daarbij hun verantwoordelijkheid te nemen en kunnen in de aanloop naar de bodemprocedure laten zien dat zij in het belang van hun kinderen daartoe in staat zijn. De voorzieningenrechter wijst de vordering dan ook af.
Proceskosten
5.13. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in een zaak als deze, waarin het geschil te maken heeft met de (beëindigde) relatie, tussen partijen zullen worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de afspraak over de verblijfplaats van [naam hondje] uit de overeenkomst van partijen van 21 februari 2024, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel voor het niet meegeven van [naam hondje] met de kinderen en de zorgregeling, tot een maximum van € 2.500,00;
6.2.
verklaart de veroordeling onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.