Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-09-30
ECLI:NL:RBOVE:2024:5094
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
1,237 tokens
Dictum
RECHTBANK OVERIJSSEL
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/321379 / KG RK 24/400
Dictum
in de zaak van
[verzoekster]/[bedrijf],
gevestigd te [vestigingsplaats],
verzoekster tot wraking,
procederend zonder advocaat/gemachtigde.
Procesverloop
1.1.
Bij e-mailbericht van 19 september 2024 heeft verzoekster een verzoek tot wraking gedaan van de rechter die belast is met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder zaaknummer 11235125 CV 24-2845.
1.2.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van dit verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
Beoordeling
2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat een verzoeker tot wraking die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
2.2.
Uit het e-mailbericht van 19 september 2024 van verzoekster begrijpt de wrakingskamer dat zij meerdere keren heeft verzocht om uitstel en/of om te worden gehoord. Verzoekster is er niet mee akkoord dat er niet op deze verzoeken is gereageerd of dat haar verzoeken zijn afgewezen. Verzoekster heeft begrepen dat de behandelend rechter op 24 september 2024 uitspraak zal doen in de zaak zonder dat er een mondelinge behandeling plaatsvindt. Daar is verzoekster het niet mee eens. Volgens haar is dat in strijd met de (internationale) wet- en regelgeving. Gelet op het vorenstaande meent verzoekster dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid en of vooringenomenheid bij de behandelend rechter.
2.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. Het is de wrakingskamer gebleken dat de zaak nog niet aan een rechter is toebedeeld en dat de zaak op de rol staat voor het indienen van een (conclusie van) antwoord. Verzoekster lijkt het niet eens te zijn met enkele in de kantonprocedure genomen procesbeslissingen. Uit de reactie van de regierechter, mr. R.F. van Aalst, volgt dat er op 24 september 2024, anders dan verzoekster kennelijk meent, geen vonnis zou worden gewezen, maar dat verzoekster op die datum een proceshandeling zou moeten verrichten waarvoor al twee keer een uitstel is verleend.
2.4.
Een procesbeslissing vormt in principe geen grond voor wraking, ook niet als verzoekster het niet eens is met die procesbeslissing, dan wel bezwaar maakt tegen het uitblijven van een procesbeslissing (zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413)). Dat kan anders zijn indien geen andere verklaring voor de beslissing te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is niet onderbouwd door verzoekster en hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer ook op geen enkele manier gebleken.
2.5.
De conclusie is dan ook dat verzoekster geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid van de (regie)rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.
2.6.
Deze beslissing is gebaseerd op artikel 5 lid 2 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Dat betekent dat de wrakingskamer zonder behandeling ter zitting het wrakingsverzoek aanstonds kennelijk ongegrond verklaart.
Dictum
De wrakingskamer
3.1.
verklaart het verzoek (kennelijk) ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A.E. Zweers, A. van Holten en A. Smedes in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op 30 september 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.