Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-27
ECLI:NL:RBOVE:2024:4643
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10947387 \ CV EXPL 24-764
Vonnis van 27 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: K. Soellaart,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] .
1De inleiding
1.1.
[eiser] heeft aan [gedaagde] opdracht gegeven om hem juridische bijstand te verlenen. Hij heeft daarvoor een bedrag aanbetaald. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] (vrijwel) geen werkzaamheden verricht op grond waarvan hij het aanbetaalde bedrag terugvordert. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] grotendeels toe en zal dat oordeel hierna toelichten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de e-mail waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Mr. Soellaart heeft op 24 juni 2024 aan de rechtbank aanvullende producties toegezonden en de kantonrechter verzocht deze tot het geding toe te laten. Gelet op het late tijdstip van indiening en het bezwaar van de zijde van mr. [gemachtigde] , heeft de kantonrechter op zitting besloten deze producties buiten het geding te houden. Verder heeft mr. Soellaart op 5 juli 2024, dus enkele dagen na de zitting, nog aanvullende producties toegezonden. De kantonrechter heeft deze stukken geweigerd omdat de zaak inmiddels voor vonnis stond. Deze stukken behoren dus niet tot het procesdossier.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
In november 2021 heeft [eiser] [gedaagde] benaderd om hem bij te staan in twee juridische procedures: een geschil tussen [eiser] en zijn verzekeraar (hierna: de verzekeringszaak) en een daaruit voortvloeiend strafrechtelijk onderzoek (hierna: de strafzaak).
3.2.
Partijen hebben per e-mail over de opdracht gecorrespondeerd. Per e-mail van 1 november 2021 heeft [gemachtigde] [eiser] bericht dat zij een kort geding tegen de verzekeraar zouden kunnen aanspannen om de vermelding van [eiser] op de zwarte lijst aan te vechten en dat [gedaagde] doorgaans een uurtarief tussen de € 215,00 en € 235,00 hanteert.
3.3.
Uiteindelijk heeft dit contact geresulteerd in een overeenkomst van opdracht van 2 november 2021 (hierna: de overeenkomst). In deze overeenkomst staat onder de kop ‘Geldende tarieven’, ‘uurtarief € 225,00 exclusief btw’ vermeld.
3.4.
Op 30 november 2021 heeft [gedaagde] in de verzekeringszaak een factuur verstuurd voor een bedrag van € 3.023,79 (inclusief btw). De werkzaamheden zijn als volgt omschreven: ‘Dagvaardingsprocedure – kort geding verzekering (zwarte lijst).’ [eiser] heeft de factuur betaald.
3.5.
In maart 2022 heeft er in de strafzaak een politieverhoor en een bespreking tussen [eiser] en [gemachtigde] plaatsgevonden.
3.6.
Op 15 maart 2022 heeft [gedaagde] in de strafzaak een factuur verstuurd voor een bedrag van € 702,40 (inclusief btw), die [eiser] heeft betaald.
3.7.
Eind 2022 heeft [eiser] een andere advocaat, mr. Wiltink (hierna: Wiltink), in de arm genomen. Wiltink heeft telefonisch en per e-mail van 8 december 2022 en 3 januari 2023 geprobeerd om contact te leggen met [gemachtigde] .
3.8.
Omdat Wiltink geen reactie ontving en er in de verzekeringszaak geen kort geding aanhangig was gemaakt, heeft [eiser] een incassobureau ingeschakeld. Bij brief van 23 januari 2023, 30 januari 2023 en 7 februari 2023 heeft het incassobureau [gedaagde] gesommeerd om te betalen.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (primair) een verklaring voor recht dat de overeenkomst per 3 januari 2023 is ontbonden, dan wel (subsidiair) een verklaring voor recht dat de overeenkomst niet is uitgevoerd of [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de te verrichten werkzaamheden en dat [eiser] op grond van onverschuldigde betaling recht heeft op terugbetaling. In beide gevallen vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.726,19 plus rente en kosten.
4.2.
Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Primair stelt [eiser] dat hij een voorschot van € 3.726,19 aan [gedaagde] heeft betaald, terwijl [gedaagde] uiteindelijk geen werkzaamheden heeft verricht. [eiser] heeft de overeenkomst daarom buitengerechtelijk ontbonden. Op [gedaagde] rust de verplichting om € 3.726,19 aan [eiser] te betalen. Subsidiair stelt [eiser] dat hij het voorschot onverschuldigd heeft betaald en dat [gedaagde] om die reden gehouden is dit bedrag terug te betalen.
4.3.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] betwist dat zij haar verbintenissen niet is nagekomen en dat [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Van onverschuldigde betaling is volgens [gedaagde] evenmin sprake omdat er een rechtsgrond voor de betaling was. Tot slot voert [gedaagde] het verweer dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd en daarom niet-ontvankelijk is.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Er is geen sprake van buitengerechtelijke ontbinding
5.1.
[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat hij de overeenkomst met [gedaagde] mondeling heeft ontbonden en vordert de kantonrechter voor recht te verklaren dat dit het geval is. De wet vereist voor een buitengerechtelijke ontbinding echter een schriftelijke verklaring. Omdat deze ontbreekt, zal de gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.
De grondslag van [eiser] ’ vordering is wanprestatie
5.2.
Daarnaast vordert [eiser] – eveneens primair – betaling van een bedrag € 3.726,19. Hij voert aan dat het door hem bij wijze van voorschot betaalde bedrag hoger is dan het bedrag waar [gedaagde] op grond van de gewerkte uren aanspraak op kon maken, zodat het teveel betaalde terug moet. De kantonrechter begrijpt dat hij daarmee stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in zijn verplichting om bij het einde van de opdracht een eindafrekening op te maken en het te veel betaalde terug te storten.
[gedaagde] is tekortgeschoten in zijn verplichting om een eindafrekening op te maken
5.3.
Om te bepalen of [gedaagde] verplicht was om een eindafrekening op te maken, is relevant welke prijsafspraken partijen hebben gemaakt. Niet in geschil is dat partijen in de opdrachtbevestiging van 2 november 2021 een vast uurtarief van € 225,00 per uur zijn overeengekomen. Voor zover [eiser] nog stelt dat partijen in afwijking van deze afspraak een vaste (totaal)prijs zijn overeengekomen – wat [gedaagde] betwist – heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het bestaan van deze andersluidende overeenkomst kunnen ondersteunen. De kantonrechter gaat er dus van uit dat [gedaagde] haar gewerkte uren in rekening zou brengen tegen een vast uurtarief van € 225,00 per uur.
5.4.
Volgens [eiser] was het bedrag dat hij in 2021 betaald heeft een voorschot. Het betalen van een voorschot brengt met zich mee dat er uiteindelijk verrekend moet worden, aldus [eiser] . Hoewel [gedaagde] ter zitting betwist dat het bedrag een voorschot was, erkent zij dat er aan het einde van de werkzaamheden nog een (eind)afrekening had moeten plaatsvinden. Op [gedaagde] rustte dus de verplichting om bij het einde van de opdracht definitief af te rekenen.
5.5.
[eiser] stelt, zonder dat [gedaagde] dit weersproken heeft, dat de opdracht in ieder geval geëindigd was toen Wiltink [gedaagde] op 3 januari 2023 berichtte dat haar cliënt, [eiser] , voorschotten had betaald, maar geen dienstverlening had ontvangen. Na dat bericht had er een eindafrekening moeten plaatsvinden. Dat is niet gebeurd. Dit betekent dat [gedaagde] tekort is geschoten.
[eiser] heeft daardoor € 3.023,79 schade geleden
5.6.
Op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is [gedaagde] gehouden de schade te vergoeden die [eiser] door het ontbreken van een definitieve afrekening lijdt. De vraag welke schade [eiser] lijdt, moet worden beantwoord door twee situaties met elkaar te vergelijken, namelijk: de hypothetische situatie dat er een eindafrekening zou hebben plaatsgevonden en de werkelijke situatie waarin geen eindafrekening heeft plaatsgevonden.
5.7.
In de eerste situatie zou [gedaagde] zijn nagegaan hoeveel tijd zij aan de zaken had besteed. Als het bedrag dat zij op basis van haar gewerkte uren in rekening mocht brengen lager was dan het bedrag dat [eiser] al had betaald, zou [gedaagde] het overschot terug hebben betaald. Voor het bepalen van de schade is dus relevant hoeveel tijd [gedaagde] aan de zaken heeft besteed.
5.8.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] 2,58 uur aan de strafzaak heeft besteed tegen een uurtarief van € 225,00 (exclusief btw), wat neerkomt op een totaalbedrag van € 702,40 (inclusief btw). De discussie spitst zich met name toe op de vraag hoeveel uur [gedaagde] aan de verzekeringszaak heeft besteed. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen werkzaamheden verricht. Hij voert aan dat er geen kort geding aanhangig is gemaakt, terwijl hem dat wel was toegezegd, en dat hij verder ook geen (juridische) stukken of concepten heeft ontvangen. [gedaagde] geeft toe dat er uiteindelijk geen procedure is gestart, maar voert aan dat zij achter de schermen bezig is geweest met besprekingen, onderhandelingen, juridisch onderzoek en telefoongesprekken met [eiser] . Zij heeft deze algemene opsomming niet gespecificeerd met concrete omstandigheden, zoals data en omschrijving van de inhoud, en ook geen stukken in het geding gebracht die haar standpunt kunnen ondersteunen. Het had echter, gelet op de onderbouwing van [eiser] , op de weg van de [gedaagde] gelegen om het bestaan en de omvang van deze werkzaamheden verder te motiveren aan de hand van urenspecificaties, e-mails en/of andere (juridische) stukken. Omdat zij dit heeft nagelaten, kan de kantonrechter niet vaststellen dat er in de verzekeringszaak werkzaamheden zijn verricht en moet de kantonrechter uitgaan van de juistheid van het standpunt van [eiser] . Als er een eindafrekening zou hebben plaatsgevonden, zou [eiser] dus een bedrag van (€ 3.726,19 - € 702,40 =) € 3.023,79 van [gedaagde] hebben ontvangen.
5.9.
In werkelijkheid heeft er geen afrekening en dus ook geen restitutie plaatsgevonden. De schade die [eiser] heeft geleden is daarom € 3.023,79. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan [eiser] te betalen, tenzij haar verweer slaagt.
De contractuele klachtplicht is niet geschonden
5.10.
[gedaagde] voert het verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat hij te laat geklaagd heeft in de zin van de artikel 9.1 van de Algemene Leveringsvoorwaarden (hierna: AV). Uit artikel 9.1 AV volgt dat [eiser] verplicht is haar klacht schriftelijk aan [gedaagde] kenbaar te maken binnen 30 dagen na de verzenddatum van de stukken of informatie waarop de klacht betrekking heeft, dan wel na ontdekking van de onvolkomenheid. [gedaagde] stelt dat deze termijn is gaan lopen op 30 november 2021, het moment waarop de eerste factuur werd verstuurd. [eiser] heeft dit betwist. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij op 30 november 2021 nog niet kon weten dat [gedaagde] uiteindelijk geen werkzaamheden zou verrichten.
5.11.
Vooropgesteld moet worden dat [gedaagde] op grond van de wet verplicht is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt op welk moment de in artikel 9.1 AV genoemde termijn is gaan lopen. Daartoe heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aangevoerd. Anders dan [gedaagde] stelt, is de kantonrechter van oordeel dat de factuur geen stuk is waarop de klacht betrekking heeft. [eiser] klaagt immers niet over de factuur zelf, maar over het feit dat er nadien geen werkzaamheden zijn verricht. Op het moment dat [eiser] de factuur ontving, kon hij niet weten dat [gedaagde] uiteindelijk geen werk zou verrichten. [gedaagde] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] , onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt wanneer de in artikel 9.1 AV genoemde termijn is gaan lopen. Dit betekent dat het verweer niet slaagt. Gelet op 5.9 zal [gedaagde] worden veroordeeld om een bedrag van € 3.023,79 aan [eiser] te betalen.
Over de schade is wettelijke rente verschuldigd
5.12.
[eiser] vordert over dit bedrag wettelijke handelsrente rente vanaf 8 december 2022, dan wel 3 januari 2023. Omdat hier sprake is van een verplichting tot vergoeding van schade is hierover slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 3.023,79 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 januari 2023 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.040,84, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf de hiervoor bedoelde termijn voor nakoming,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.