Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-29
ECLI:NL:RBOVE:2024:4609
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,228 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3162
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker.
(gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 31 juli 2024 tegen de beslissing op bezwaar van het college van 12 juni 2024. Het college heeft daarbij het besluit van 19 december 2023 gehandhaafd. Daarin is aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om vier overtredingen op het perceel van verzoeker aan de [adres] ongedaan te maken onder verbeurte van een dwangsom van € 18.000,- ineens per overtreding indien daaraan niet is voldaan.
2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4. Verzoeker heeft op 19 juli 2024 (ook) om een verzoek om een voorlopige voorziening verzocht gericht tegen de beslissing op bezwaar van het college van 12 juni 2024. Verzoeker heeft daarbij aangegeven dat de begunstigingstermijn liep tot 25 juli 2024.
5. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 29 juli 2024 (ZWO 24/3077) het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de begunstigingstermijn inmiddels was verstreken. Daarmee zijn de dwangsommen verbeurd als bij controle mocht blijken dat verzoeker niet aan de lasten heeft voldaan. Verzoeker kon met de gewenste schorsing van het bestreden besluit niet meer bereiken dat verder geen dwangsommen werden verbeurd. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat verzoeker daarom geen belang meer had bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
6. Verzoeker heeft op 31 juli 2024 opnieuw verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening gericht tegen de beslissing op bezwaar van het college van 12 juni 2024. Daarbij heeft verzoeker aangegeven dat nieuwe feiten en omstandigheden zich voordeden, namelijk dat het college aan verzoeker te kennen heeft gegeven een controle te gaan uitvoeren op 1 augustus 2024. Daarmee zouden dwangsommen worden verbeurd. Verzoeker heeft (desgevraagd) in zijn mail aan de voorzieningenrechter op 1 augustus 2024 verduidelijkt dat hij met het verzoek de geplande controle van die dag wenste tegen te gaan. De voorzieningenrechter heeft in reactie op de mail van verzoeker op 1 augustus 2024 te kennen gegeven daarin niet mee te gaan en geen ordemaatregel te treffen vooruit lopend op de behandeling van het verzoek.
7. Zoals voorzieningenrechter in de uitspraak van 29 juli 2024 heeft vastgesteld is de begunstigingstermijn verstreken en zijn – als uit de controle zou volgen dat niet aan de lasten is voldaan- de dwangsommen verbeurd. Verzoeker kan met de gewenste schorsing van het bestreden besluit niet meer bereiken dat verder geen dwangsommen worden verbeurd. Verzoeker heeft om die reden geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter niet toe aan de vraag of verzoeker (tijdig) griffierecht heeft betaald en of het verzoek, als dat niet zo is, om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra , griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.