Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-21
ECLI:NL:RBOVE:2024:4505
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/312611 / HA ZA 24-129
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
HOIST FINANCE AB,
te Amsterdam,
oorspronkelijke eisende partij,
gedaagde in het verzet (geopposeerde),
hierna te noemen: Hoist Finance,
advocaat: mr. R.H. Steensma.
tegen
[opposant] B.V.,
te [vestigingsplaats],
oorspronkelijke gedaagde partij,
eiseres in het verzet (opposant),
hierna te noemen: [opposant],
advocaat: mr. Q.Y.T. Bruins,
1Samenvatting
1.1.
Hoist Finance heeft executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [opposant] ten laste van [naam], de directeur-grootaandeelhouder van [opposant]. [opposant] heeft verklaard dat [naam] niets van haar te vorderen heeft. Hoist Finance heeft dat betwist en [opposant] gedagvaard. Bij verstekvonnis is [opposant] veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Zij is hiertegen in verzet gegaan en heeft een nieuwe verklaring gedaan. Deze verklaring wordt niet door Hoist Finance betwist. Partijen discussiëren met name nog over de vraag of [opposant] al bedragen had moeten afdragen vanaf de beslaglegging of dat zij nu pas bedragen hoeft af te dragen, nu het maandelijks af te dragen bedrag vaststaat.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat [opposant] onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig een juiste verklaring te doen. Zij wordt veroordeeld tot betaling van de schade die Hoist Finance hierdoor heeft geleden. Deze schade bestaat uit de maandelijkse afdrachten die [opposant] had moeten doen als zij tijdig een juiste verklaring had gedaan. Daarnaast wordt zij veroordeeld tot nakoming van haar verplichting om de toekomstige afdrachten te betalen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzetdagvaarding,- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 24 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnotities van Hoist Finance.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
De heer [naam] is directeur-grootaandeelhouder van [opposant].
3.2.
Op 23 maart 2011 is [naam] bij vonnis van de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot betaling aan Mahuko Financieringen B.V. van een bedrag van € 20.181,89 aan hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,093% per maand, een bedrag van € 2.104,49 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.3.
Op 30 oktober 2013 heeft Mahuko Financieringen B.V. haar vordering op [naam] gecedeerd aan Hoist Portfolio Holding Ltd en op 1 mei 2018 is de vordering overgedragen aan Hoist Finance.
3.4.
Op 12 december 2022 heeft Hoist Finance executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [opposant] ten laste van [naam], voor een bedrag van € 34.243,49.
3.5.
Op 19 januari en 17 augustus 2023 heeft Hoist Finance [opposant] per brief gesommeerd om binnen acht dagen een verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen.
3.6.
Op 22 september 2023 heeft [opposant] een buitengerechtelijke verklaring ingediend, waarin zij heeft verklaard dat [naam] nu en in de toekomst niets van haar te vorderen heeft op grond van een nu bestaande overeenkomst of andere verplichting.
3.7.
Op 25 september 2023 heeft de deurwaarder van Hoist Finance de verklaring betwist.
3.8.
Op 16 november 2023 heeft Hoist Finance [opposant] gedagvaard. Primair vorderde zij betaling van een bedrag van € 34.243,49 als ware [opposant] daarvan zelf schuldenaar. Subsidiair vorderde zij [opposant] te veroordelen tot het doen van een juiste, naar waarheid ingevulde en deugdelijk onderbouwde gerechtelijke verklaring van de vorderingen die door het derdenbeslag zijn getroffen en tot betaling van hetgeen volgens de vaststelling door de rechtbank aan haar toekomt, en bij niet-nakoming daarvan het primair gevorderde. Daarnaast vorderde zij veroordeling van [opposant] in de proceskosten.
3.9.
Op 14 februari 2024 is [opposant] bij verstekvonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 34.243,49 en de proceskosten.
Geschil
4.1.
[opposant] vordert in de verzetdagvaarding – samengevat – het verzet gegrond te verklaren en de vorderingen van Hoist Finance alsnog af te wijzen, met veroordeling van Hoist Finance in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Hoist Finance voert verweer. Zij heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij haar subsidiaire vordering handhaaft, met uitzondering van het doen van de gerechtelijke verklaring. Dit houdt volgens haar in dat zij betaling vordert van een bedrag van € 14.269,00 (voor de periode van december 2022 tot en met juni 2024) en betaling van de toekomstig verschuldigde maandelijkse afdrachten, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.
Beoordeling
Is het verzet tijdig ingesteld?
5.1.
Degene die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het verstekvonnis in verzet gaan. Daarvoor geldt een termijn van vier weken. Deze termijn gaat in: 1) wanneer het vonnis, of een op grond daarvan opgemaakte akte of akte die daar uitvoering aan geeft, in persoon aan de veroordeelde is betekend, of 2) wanneer de veroordeelde een daad heeft gepleegd waaruit blijkt dat hij bekend is met het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging (artikel 143 lid 1 en 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
5.2.
Het verstekvonnis is niet aan [opposant] betekend. [opposant] heeft onbetwist gesteld dat zij op 5 maart 2024 kennis heeft genomen van het verstekvonnis. Zij heeft op 26 maart 2024 een verzetdagvaarding uitgebracht en is dus tijdig in verzet gegaan. De zaak kan daarom inhoudelijk worden behandeld.
Is het verzet gegrond?
Betwisting vordering van Hoist Finance op [naam]
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat [opposant] op de mondelinge behandeling heeft betwist dat [naam] ooit geld heeft geleend van Mahuko Financieringen B.V. Aan dit verweer moet echter voorbij worden gegaan in deze procedure. Als [naam] het niet eens was met de veroordeling tegenover deze partij, had hij namelijk in verzet moeten gaan tegen dat vonnis. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de beslissing bindend geworden tussen partijen. [opposant] heeft niet betwist dat de vordering van Mahuko Financieringen B.V. op [naam] inmiddels is overgedragen aan Hoist Finance. De rechtbank moet er daarom vanuit gaan dat Hoist Finance een vordering op [naam] heeft en dat het derdenbeslag onder [opposant] ten laste van [naam] terecht is gelegd.
De veroordeling tot betaling als ware zij zelf schuldenaar
5.4.
Hoist Finance vorderde in de oorspronkelijke dagvaarding primair veroordeling van [opposant] tot betaling van een bedrag van € 34.243,49 als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Volgens haar had [opposant] namelijk een onjuiste verklaring gedaan over de vorderingen die door het gelegde derdenbeslag zijn getroffen.
5.5.
Op grond van artikel 476a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de derde-beslagene (in dit geval [opposant]) verplicht om een verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het derdenbeslag zijn getroffen. Deze verplichting gaat in zodra twee weken (of vier weken als de geëxecuteerde dat schriftelijk verzoekt) na de beslaglegging zijn verstreken.
5.6.
In artikel 477a lid 1 Rv staat dat als een derde-beslagene in gebreke blijft een verklaring te doen, hij op vordering van de executant wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar. De derde-beslagene tegen wie deze vordering wordt ingesteld, wordt toegelaten om alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.
5.7.
[opposant] heeft in de verzetdagvaarding een nieuwe verklaring gedaan en verklaard dat [naam] een vordering op haar heeft uit hoofde van een tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst. Zij heeft een loonstrook van [naam] overgelegd waaruit blijkt dat zijn nettoloon € 2.136,00 per maand bedraagt. Zij heeft berekend dat de beslagvrije voet uitkomt op € 1.473,00 per maand, zodat zij een bedrag van € 663,00 per maand aan Hoist Finance kan afdragen. Hoist Finance heeft deze verklaring niet betwist en heeft verklaard alleen haar subsidiaire vordering (met uitzondering van het doen van een gerechtelijke verklaring) te handhaven.
5.8.
Aangezien Hoist Finance haar primaire vordering – tot veroordeling van [opposant] tot betaling van een bedrag van € 34.243,49 als ware zij daarvan zelf schuldenaar – niet handhaaft, is het verzet tegen het toewijzen van die vordering gegrond en moet het verstekvonnis op dat punt worden vernietigd. De proceskostenveroordeling zal echter worden bekrachtigd, aangezien het aan [opposant] te wijten is dat het tot een procedure heeft moeten komen, omdat zij eerder een onjuiste verklaring heeft gedaan.
Hoe moet de subsidiaire vordering worden beoordeeld?
De vordering tot afdracht van loon minus de beslagvrije voet
5.9.
Subsidiair vordert Hoist Finance betaling van dat wat [opposant] volgens de vaststelling door de rechtbank aan haar verschuldigd is.
5.10.
Op grond van artikel 477 lid 1 Rv is de derde-beslagene verplicht de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te betalen. In artikel 477a lid 4 Rv staat dat als de derde-beslagene zijn verplichting tot betaling niet nakomt, hij op vordering van de executant wordt veroordeeld tot nakoming van deze verplichting.
5.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat [opposant] nog niets heeft betaald en dat zij een bedrag van € 663,00 per maand aan Hoist Finance kan afdragen. De rechtbank zal [opposant] dan ook veroordelen tot nakoming van haar verplichting om de (toekomstige) maandelijkse afdrachten van € 633,00 aan Hoist Finance te betalen.
5.12.
Hoist Finance stelt daarnaast dat [opposant] al vanaf de beslaglegging bedragen had moeten afdragen. Volgens haar is [opposant] inmiddels al een bedrag van € 14.269,00 verschuldigd (bestaande uit € 459,00 (voor december 2022) + 12 maanden x € 584,00 (voor 2023) + 6 maanden x € 663,00 (voor januari tot en met juni 2024) + € 1.412,00 (voor twee vakantiegeldafdrachten)). Zij vordert betaling van dit bedrag. [opposant] betwist dat zij vanaf december 2022 bedragen had moeten afdragen. Volgens haar moest eerst vast komen te staan welk bedrag zij maandelijks moet afdragen. Dat bedrag is pas vast komen te staan nu zij een verklaring heeft gedaan, die niet door Hoist Finance is betwist.
5.13.
De rechtbank overweegt dat [opposant] wettelijk verplicht is om een verklaring te doen zodra twee weken (dan wel vier weken) na de beslaglegging zijn verstreken. Hoist Finance heeft [opposant] op 19 januari 2023 gesommeerd om deze verklaring binnen acht dagen te doen. [opposant] heeft echter pas bij de verzetdagvaarding van 26 maart 2024 een juiste verklaring gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij door eerst een onjuiste verklaring af te leggen en pas veel later een correcte, onrechtmatig gehandeld tegenover Hoist Finance. Zij heeft immers een wettelijke plicht nagelaten zoals bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. [opposant] moet daarom op grond van artikel 6:162 lid 1 BW de schade betalen die Hoist Finance daardoor heeft geleden. Die schade bestaat uit de bedragen die [opposant] had moeten afdragen en die Hoist Finance dus zou hebben ontvangen, als de juiste verklaring wel tijdig was gedaan. [opposant] heeft de door Hoist Finance berekende bedragen niet betwist. Aangezien [opposant] de verklaring uiterlijk op 27 januari 2023 had moeten doen, zal de rechtbank de gevorderde bedragen vanaf januari 2023 toewijzen. Dit komt neer op een bedrag van € 13.774,00 (€ 14.269,00 – € 495,00).
De vordering tot betaling van het gehele bedrag bij niet-nakoming
5.14.
Ten slotte vordert Hoist Finance dat als [opposant] niet voldoet aan haar verplichting om de verschuldigde bedragen af te dragen, zij wordt veroordeeld tot betaling van het gehele bedrag van € 34.243,49, als ware zij daarvan zelf schuldenaar.
5.15.
Voor deze vordering bestaat echter geen grondslag.
Dictum
De rechtbank
6.1.
verklaart het verzet tegenover Hoist Finance gedeeltelijk gegrond,
6.2.
vernietigt de beslissing onder 3.1 van het op 14 februari 2024 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer C/09/307389 / HA ZA 23-466, en opnieuw beslissend:
6.3.
veroordeelt [opposant] om aan Hoist Finance te betalen een bedrag van € 13.774,00,
6.4.
veroordeelt [opposant] tot nakoming van haar verplichting zoals bedoeld in artikel 477a lid 4 Rv, wat inhoudt dat zij een bedrag van nu € 663,00 per maand aan Hoist Finance moet betalen, totdat het bedrag waarvoor het derdenbeslag is gelegd is betaald,
6.5.
bekrachtigt het verstekvonnis voor het overige,
6.6.
veroordeelt [opposant] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart de onderdelen 6.2, 6.3, 6.4 en 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.