Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-06
ECLI:NL:RBOVE:2024:4204
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.295338.23 (P)
Datum vonnis: 6 augustus 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1939 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juli 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door de moeder van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) namens haar en de vader van [slachtoffer] voorgedragen verklaring als nabestaanden.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 21 juni 2023 in Diepenveen als bestuurder van een motorrijtuig door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is overleden, dan wel dat verdachte gevaar/hinder op de weg heeft veroorzaakt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 21 juni 2023 te Diepenveen, gemeente Deventer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede
achterwaarts rijdende
vanuit een in- en/of uitrit, behorende bij perceel [adres 1] en/of gekomen nabij de weg, de [adres 2] ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
gekomen nabij de weg, de [adres 2] , al accelererend met zijn motorrijtuig achterwaarts te rijden en/of de [adres 2] op te rijden en/of (daarbij)
een medeweggebruiker (fietser), die zijn, verdachtes, motorrijtuig al zeer dicht was genaderd en/of zich achter het motorrijtuig van verdachte bevond, geen
onbelemmerde doorgang te verlenen en/of (vervolgens)
op/tegen voornoemde medeweggebruiker te botsen en/of te rijden en/of (daarbij) accelererend over voornoemde medeweggebruiker te rijden en/of (vervolgens)
op/tegen een aan de overzijde van de [adres 2] staande boom te botsen en/of te rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2023 te Diepenveen, gemeente Deventer, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee achterwaarts rijdende
vanuit een in- en/of uitrit, behorende bij perceel [adres 1] en/of gekomen nabij de weg, de [adres 2] ,
al accelererend met zijn motorrijtuig achterwaarts is gereden en/of de [adres 2] is opgereden en/of (daarbij) een medeweggebruiker (fietser), die zijn, verdachtes, motorrijtuig al zeer dicht was
genaderd en/of zich achter het motorrijtuig van verdachte bevond, geen onbelemmerde doorgang heeft verleend en/of (vervolgens)
op/tegen voornoemde medeweggebruiker is gebotst en/of gereden en/of (daarbij) accelererend over voornoemde medeweggebruiker is gereden en/of (vervolgens)
op/tegen een aan de overzijde van de [adres 2] staande boom is gebotst en/of gereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd.
3De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
Ontvankelijkheid officier van justitie
De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de vervolging van verdachte geen enkel doel meer treft, gelet op het al toegevoegde leed.
De rechtbank overweegt dat om te komen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie er sprake moet zijn van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Dictum
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4De bewijsmotivering
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir – gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Ter onderbouwing daarvan heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde pleitnota – algehele vrijspraak betoogd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij aangevoerd dat verdachte een enkele bedieningsfout heeft gemaakt. Dit is onvoldoende om schuld in de zin van artikelen 6 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) aan te nemen.
4.3
Beoordeling
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.
Feiten
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van het procesdossier worden vastgesteld. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
Op 21 juni 2023 rond 16:30 uur wilde verdachte met zijn personenauto van het merk BMW type X1, achteruitrijden van de oprit van zijn woning aan de [adres 1] , gemeente Deventer, de doorgaande weg op. Hij wilde de [adres 2] op rijden richting de [adres 3] . Toen zag hij een jongen (de zevenjarige [slachtoffer] ) en een vrouw (de moeder van [slachtoffer] ), beiden op een fiets, naderen over de [adres 2] en stopte hij. Verdachte wilde ruimte maken voor hen en zijn auto weer iets naar voren rijden, maar hij reed, voor iedereen onverwachts, achteruit.
Op het moment dat [slachtoffer] achter de BMW fietste, werd hij door de achteruitrijdende BMW geraakt. [slachtoffer] kwam ten val en raakte met zijn fiets beklemd onder de achterzijde van de BMW. Verdachte remde hierop niet, maar reed verder achteruit. De BMW kwam tot stilstand tegen een boom, waarbij de fiets en [slachtoffer] deels ingeklemd kwamen tussen de boom en de achter/onderzijde van de BMW.
[slachtoffer] overleed ter plaatse aan zijn verwondingen.
Na het ongeval is onderzoek gedaan door de forensische opsporing verkeer. Zij concludeerden dat het ongeval niet te wijten was aan een technische bijzonderheid van de BMW.
Ten aanzien van schuld in de zin van artikel 6 WVW
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad valt in zijn algemeenheid niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Beoordeeld dient dus te worden of sprake is van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting op 23 juli 2024 onder meer verklaard:
…”Ik reed achteruit in mijn BMW op de oprit bij mijn woning om de [adres 2] op te rijden. Ik zag toen [slachtoffer] en zijn moeder en stopte voor hen. Daarna maakte ik de beslissing om weer vooruit de oprit op te rijden om duidelijk te maken aan hen dat ik ze had gezien. Op het moment dat ik stopte met de auto, stond de versnellingsbak in de R. Met een klein knopje op de pook moet je schakelen naar de D. Ik dacht ik geschakeld had naar D en gaf gas, maar in plaats van vooruit te gaan, ging ik naar achteren. Ik raakte in paniek en heb de versnellingspook er helemaal uitgeduwd en er vervolgens uitgetrokken. Mijn intentie was om weer naar voren te rijden.
…Ik rijd een automaat. Als je je voet van de rem afhaalt, gaat de auto rijden. Ik stond stil. Als je dan iets wil veranderen, vooruit of achteruit, moet je voet van de rem af.”
De rechtbank overweegt dat uit voornoemde feiten en omstandigheden en verklaring van verdachte blijkt dat verdachte een bedieningsfout heeft gemaakt toen hij weer vooruit wilde rijden op de oprit aan de [adres 2] . De BMW ging – door het niet zetten van de versnelling in de D – achteruit. Daardoor raakte verdachte in paniek, gaf hij meer gas in de hoop vooruit te rijden en trok hij uiteindelijk de versnellingspook los. Ondanks dat dit handelen desastreuse gevolgen heeft gehad, is deze enkele bedieningsfout van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een verwijt dat valt in de termen van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Nu geen sprake is van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Gevaarzettend gedrag in de zin van artikel 5 WVW?
Bij de beoordeling of verdachte een overtreding van artikel 5 WVW heeft begaan moet worden vastgesteld of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.
Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is. Verdachte is immers achteruitgereden op de oprit behorend bij het perceel [adres 1] de doorgaande weg op, terwijl op dat moment daar [slachtoffer] en zijn moeder fietsten. Hierdoor heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt in het verkeersongeval. Dit maakt dan ook dat de rechtbank van oordeel is dat de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW wettig en overtuigend is bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiair
hij op 21 juni 2023 te Diepenveen, gemeente Deventer, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee achterwaarts rijdende
vanuit een in- en uitrit, behorende bij perceel [adres 1] en gekomen nabij de weg, de [adres 2] ,
al accelererend met zijn motorrijtuig achterwaarts is gereden en de [adres 2] is opgereden en (daarbij) een medeweggebruiker (fietser), die zijn, verdachtes, motorrijtuig al zeer dicht was
genaderd en zich achter het motorrijtuig van verdachte bevond, geen onbelemmerde doorgang heeft verleend en (vervolgens)
tegen voornoemde medeweggebruiker is gebotst en gereden en(daarbij) accelererend over voornoemde medeweggebruiker is gereden en (vervolgens)
tegen een aan de overzijde van de [adres 2] staande boom is gebotst en
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 en 177 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
6De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het subsidiair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder subsidiair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 60 (zestig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
- bepaalt dat deze taakstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mrs. S.H. Peper en M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met nummer PL0600—2202327997-1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 15, alinea 4 en 7. Pagina 16, alinea 5 en 6.
Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 23 juli 2024.