Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-07-31
ECLI:NL:RBOVE:2024:4097
Strafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,284 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 08-031623-24
raadkamernummer : 24-017668
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
domicilie kiezende aan de [adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: klaagster,
bijgestaan door mr. J.W. Stegeman, advocaat te Almelo.
1Het verloop van de procedure
Klaagster is verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Op 18 april 2024 heeft de raadsman zich namens haar gesteld. Op 26 april heeft de officier van justitie kennisgegeven van het voornemen klaagster te dagvaarden voor de meervoudige zitting van 2 september 2024. Bij verzoek van 31 mei 2024 heeft de raadsman aan de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten: het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
Bij beslissing van 27 juni 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen. De raadsman heeft tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend.
Het bezwaarschrift, gedateerd 10 juli 2024, is op diezelfde dag op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de niet-openbare zitting van de meervoudige raadkamer van 24 juli 2024. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. M. Weimar, de verdachte (met behulp van een tolk in de taal Russisch) en de raadsman gehoord.
De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier in de strafzaak tegen verdachte. De raadkamer heeft ook kennisgenomen van het bezwaarschrift met bijlagen en de beschikking van de rechter-commissaris op het verzoek op grond van artikel 182 Sv.
2De standpunten van de verdediging en de officier van justitie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en gegrond moet worden verklaard en dat het verzoek tot het horen van de getuigen moet worden toegewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging het bezwaarschrift op te vatten als een verzoek aan de voorzitter van de rechtbank Overijssel als bedoeld in artikel 258, tweede lid Sv.
De verdediging heeft ter zitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan deze beschikking gehechte pleitnota.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard, overeenkomstig het door de zaaksofficier ingenomen standpunt in de mail van 3 juli 2024. Aanvullend heeft de officier van justitie gesteld dat de bewijsmiddelen die zich op dit moment in het dossier bevinden en in het kader van de Keskin-jurisprudentie gezien kunnen worden als compenserende factoren, voldoende zijn voor de later oordelende rechtbank om tot een oordeel te kunnen komen.
3De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.
4De ontvankelijkheid
De raadkamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster ontvankelijk is in haar bezwaarschrift.
De raadkamer stelt vast dat op 7 maart 2024 en op 26 april 2024 een kennisgeving van de officier van justitie met diens voornemen tot dagvaarding over te gaan, is verzonden aan klaagster respectievelijk de raadsman. De raadsman heeft op 31 mei 2024 verzoeken ingediend bij de rechter-commissaris die strekken tot het horen van de voornoemde getuigen.
Vanaf het moment van kennisgeving dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, in ieder geval op 26 april 2024, is de rechter-commissaris enkel nog bevoegd de lopende onderzoekshandelingen voort te zetten en af te ronden. Nieuwe vorderingen of verzoeken op grond van artikel 182 Sv kunnen op dat moment niet meer worden gedaan aan de rechter-commissaris maar moeten worden gericht aan de zittingsrechter.
Nu de verzoeken geen betrekking hebben op lopende onderzoekshandelingen en deze verzoeken zijn gedaan na kennisgeving van de officier van justitie om over te gaan tot dagvaarding, stond voor klaagster ook geen mogelijkheid tot bezwaar meer open tegen de afwijzing van die verzoeken. Het bezwaarschrift is om die reden niet-ontvankelijk (Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505).
5
Dictum
De raadkamer verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven op 31 juli 2024 door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter,
mr. E. Venekatte en mr. I. Piksen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier.