Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-07-09
ECLI:NL:RBOVE:2024:3600
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.088736.24 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
nu verblijvende in de [locatie] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.H. Jansen, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1 primair: diefstal met geweld en braak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;
feit 1 subsidiair: huisvredebreuk;
feit 2: mishandeling van [slachtoffer 1] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning, gelegen aan [adres 2] , gedurende de nachtrust,
- een mobiele telefoon (merk Samsung, type Galaxy S10) en/of
- een Rabopas (ten name van [slachtoffer 2] )
- en/of een hoeveelheid geld (ongeveer 175 euro) en/of
- een portemonee met inhoud (met daarin een Rabopas ten name van [slachtoffer 1]
en/of een creditcard ten name van [slachtoffer 1] en/of een hoeveelheid geld (ongeveer
325 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door éénmaal of meermalen [slachtoffer 1] op zijn hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de [adres 2] bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of
zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door éénmaal of meermalen [slachtoffer 1] op zijn hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat sprake is geweest van braak of verbreking of dat daarbij geld en een portemonnee met inhoud zijn gestolen, zodat verdachte van deze onderdelen van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.
3.3
Beoordeling
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] in de nachtelijke uren de woning van aangever [slachtoffer 1] binnen is gegaan, spullen uit de woning heeft ontvreemd en vervolgens [slachtoffer 1] heeft mishandeld.
De rechtbank stelt vast dat de verdenking dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan in belangrijke mate is gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn vriendin [slachtoffer 2] . Uit het dossier en de toelichting van verdachte ter zitting komen aanwijzingen naar voren dat [slachtoffer 1] , net als verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , in het drugscircuit verkeerde. Zo heeft [slachtoffer 1] tegenover de politie verklaard dat hij in het verleden drugs heeft verkocht, heeft verbalisant [verbalisant] gezien dat de woning van [slachtoffer 1] bijna leeg was en hebben verdachten verklaard dat zij naar de woning van [slachtoffer 1] toe zijn gegaan om daar drugs van [slachtoffer 1] te kopen. Ook medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat aangever in het verleden vaker drugs heeft gedeald. Tegen deze achtergrond dient de beoordeling van de feiten plaats te vinden. Dat maakt ook dat terughoudend met de verklaringen van aangevers dient te worden omgegaan.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat door hen uiteenlopend, wisselend en niet altijd coherent is verklaard en dat zij bovendien niet op alle punten voor de bewezenverklaring sluitende verklaringen hebben afgelegd. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen wat er in die nacht daadwerkelijk in de woning is gebeurd en welke gedragingen daar precies hebben plaatsgevonden, hetgeen voor de beoordeling van de feiten wel van belang is.
Weliswaar is er voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enig steunbewijs voorhanden, maar de rechtbank acht dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om op basis daarvan tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, op basis van de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
4De schade van benadeelde
De vordering van [slachtoffer 1] heeft betrekking op het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Omdat verdachte van deze feiten wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. C.J. de Jong en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.