Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-07-02
ECLI:NL:RBOVE:2024:3514
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,003 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2819
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [woonplaats], verzoekers,
(gemachtigde: mr. A. Durmus),
en
het college van burgemeester en wethouders van Borne, het college,
(gemachtigde: mr. T. Sorgedrager en mr. A.C.J. Mahler).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woningbouwvereniging Welbions uit Hengelo, (gemachtigde: mr. P.A. Kok).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers gericht tegen de door het college aan derde-partij (vergunninghouder) op 28 februari 2024 verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van 24 flexwoningen op de locatie [adres] voor de duur van 10 jaar.
Verzoekers wonen in de omgeving van de locatie en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben daartegen op 8 april 2024 bezwaar gemaakt. Daarnaast hebben zij op 13 juni 2024 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schorsing van de verleende omgevingsvergunning.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college en namens de vergunninghouder [naam] en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling
De voorlopige voorzieningenprocedure
1. Als tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningen-rechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling die de voorzieningenrechter hierin maakt is voorlopig van aard. De rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
Hebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter.
Het bestreden besluit
3. Het college heeft de aanvraag van vergunninghouder getoetst aan het bestemmingsplan ‘Algemene herziening Borne, Hertme, Zenderen’ (het bestemmingsplan). De geplande woningen zijn gelegen op percelen met de bestemming ‘Groen’. Het college heeft vastgesteld dat de geplande woningen niet in overeenstemming zijn met de in artikel 17.1. genoemde bestemmingsomschrijving van het bestemmingsplan. Het college is daarom bij het bestreden besluit afgeweken van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.7 en artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Het van toepassing zijnde recht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Stedelijk ontwikkelingsproject
Geschil
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ruimte voor interpretatie laat. Het antwoord op de vraag of sprake is van (een wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Verder volgt daaruit eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D in de bijlage bij het Besluit mer, niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het plan gelet op de aard en omvang daarvan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer. Het plan betreft de realisatie van 24 tijdelijke flexwoningen voor één of twee personen met een totale bebouwingsoppervlakte van 1.088 m². De ruimtelijke uitstraling van de geplande flexwoningen op de omgeving kan daarmee als relatief beperkt worden beschouwd. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat het plan wordt uitgevoerd in bestaand binnenstedelijk gebied in een woonwijk dat omsloten wordt door woningen, een spoorlijn en een bedrijventerrein. Verder gaat het plan weliswaar gepaard met een functiewijziging, maar gelet op de omvang en de specifieke invulling van het plan kan dit niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Zoals door het college is toegelicht betreft het perceel een grasveld dat omsloten wordt door bomen en ander groen, waarbij vier van de bomen gekapt zullen worden en het overige groen behouden zal blijven voor een groene buffer. Verder hoeft de volkstuin niet verplaatst te worden en zal het trapveldje – zij het in kleiner formaat – ergens anders op het perceel worden behouden. Ook de beoogde bouwhoogte en verkeerstoename maken niet dat sprake is van een dusdanig groot contrast tussen het plan en de huidige situatie dat het plan moet worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. De verschillen kunnen als relatief beperkt worden aangemerkt.
9. De voorzieningenrechter is daarmee van oordeel dat het college de kruimelgevallenregeling van artikel 4, elfde lid van bijlage II van de Bor heeft kunnen toepassen. Het college heeft daarmee ook terecht gebruik gemaakt van de reguliere voorbereidingsprocedure.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, de uitspraak van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2747 en de uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.