Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-06-20
ECLI:NL:RBOVE:2024:3226
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,385 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.041922.22
Datum vonnis: 20 juni 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1]
.
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 39.450,--.
Procesverloop
De ontnemingsvordering tegen de veroordeelde (verder ook [veroordeelde]) maakt onderdeel uit van het onderzoek Electra22. In dat onderzoek zijn naast [veroordeelde] ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verdachte. Zij zijn op 20 juni 2022 veroordeeld voor onder meer het medeplegen van de productie van methamfetamine en MDMA alsmede de voorbereiding daarvan. Tegen [veroordeelde], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering ingediend.
De vordering tegen [veroordeelde] is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 mei 2024, 16 mei 2024 en 6 juni 2024. [veroordeelde], bijgestaan door haar raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem, is verschenen op de terechtzitting van 16 mei 2024 en op de vordering gehoord. Op de zitting van 14 mei 2024 is alleen de raadsman verschenen. Op de terechtzitting van 6 juni 2024 zijn de veroordeelde en de raadsman – met kennisgeving – niet verschenen.
Op de terechtzitting van 16 mei 2024 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
De verdediging heeft, indien de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring van onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit – de medeplichtigheid aan de productie van de drugs – zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
3.1
De veroordeling
[veroordeelde] is bij vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B en D, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
3.2
Beoordeling
De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen en het in deze zaak opgemaakte rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 september 2022 , het aannemelijk dat de veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit het plegen van de voornoemde strafbare feiten die voortkomen uit het op
1 februari 2022 op het perceel aan de [adres 2] aangetroffen (deels ontmantelde) drugslaboratorium.
Voor de berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank de bewezenverklaarde feiten en periode als uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde, die in de bewezenverklaarde periode pachter was van het perceel aan de [adres 2], in die periode zowel voorbereidingshandelingen voor het drugslaboratorium als werkzaamheden ten behoeve van het drugslaboratorium heeft verricht en dat zij daarvoor vergoedingen heeft ontvangen.
Ontvangen contante geldbedragen op bankrekening
In de bewezenverklaarde periode, meer specifiek in de maanden oktober en november 2021, heeft [veroordeelde] via [medeverdachte 2] de volgende geldsommen op haar bankrekening gestort gekregen:
Op 10 oktober 2021 € 4.000,--;
Op 17 oktober 2021 € 2.000,--;
Op 28 oktober 2021 € 8.450,--;
Op 4 november 2021 € 2.000,--;
Op 9 november 2021 € 2.000,--;
Op 13 november 2021 € 2.000,--;
-------------
Totaal € 20.450,--.
Over de herkomst van de gestorte bedragen op haar bankrekening heeft [veroordeelde] geen verklaring gegeven.
[medeverdachte 2] daarentegen heeft verklaard dat [veroordeelde] hem heeft gevraagd geld te storten op haar rekening, dat [veroordeelde] hem al dat geld heeft gegeven en dat hij dat voor haar heeft gestort op haar bankrekening bij de ING-bank. Samen met [veroordeelde] is hij bij [medeverdachte 1] geweest waar zij herhaaldelijk contante bedragen ontvingen. Ook heeft [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] geld gekregen dat hij op de bankrekening van [veroordeelde] heeft gestort.
Aanwezig hebben contant geldbedrag
Op 12 oktober 2021 is [veroordeelde] met haar toenmalige partner [medeverdachte 3] bij de grensovergang Nederland-Duitsland bij Bad Bentheim gecontroleerd door de politie. Hierbij was zij in het bezit van een contant geldbedrag van € 19.000,--.
Als verklaring voor de herkomst van dit bedrag heeft zij verklaard dat dit de opbrengst van de verkoop van een paard betreft en dat zij de overeengekomen verkoopprijs van
€ 20.000,-- contact heeft ontvangen. Ter onderbouwing van haar verklaring heeft [veroordeelde] een factuur laten overhandigen. Ter zitting heeft [veroordeelde] haar verklaring gehandhaafd.
Uit het dossier volgt dat de door [veroordeelde] aan de politie overgelegde factuur vals is en dat de vermeend kopende partij heeft verklaard dat hij geen paard van haar heeft gekocht. De verklaring van [veroordeelde] wordt aldus ontkracht zodat zij voor het aantreffen van het geldbedrag van € 19.000,-- geen aannemelijke verklaring heeft.
Nu [veroordeelde] geen verklaring heeft gegeven voor de door haar op haar rekening ontvangen contante geldbedragen en het contante geldbedrag dat zij bij zich had, is de rechtbank van oordeel dat zij het bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten gelet op haar betrokkenheid bij de productie van methamfetamine en MDMA.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het voorgaande volgt:
gestorte contante geldbedragen € 20.450,--;
contante geldbedragen € 19.000,--;
--------------
totaal € 39.450,--.
Kosten
Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt waarmee bij de berekening van het voordeel rekening moet worden gehouden.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat, vast op € 39.450,--.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 39.450,--.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 39.450,--;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 39.450,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 789 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. R.G.J. Gehring, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2024.
Mr. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R022005/Electra22 van 29 september 2022. Tenzij anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van G. Marsman van 27 september 2022.
Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 11 mei 2022 (pag. 1359).
Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 11 mei 2022 (pag.1360).
Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 14 juni 2022 (pag. 1703).