Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-06-17
ECLI:NL:RBOVE:2024:3173
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,605 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.056485.22 (P)
Datum vonnis: 17 juni 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting 3 juni 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten, advocaat in Hilversum, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: een bedrag van € 2.313.656,--, dat hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of beroep onder zich had, heeft verduisterd;
feit 2: een drietal geschriften valselijk heeft opgemaakt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot
en met 31 december 2020 in de gemeenten Amsterdam en/of Hilversum, in elk
geval in Nederland,
(telkens) opzettelijk één of meerdere geldbedragen, te weten:
a. EUR 126.728, en/of
b. EUR 88.554, en/of
c. EUR 2.098.374 (bestaande uit EUR 1.429.762 en/of EUR 668.612),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1]
B.V. (EUR 126.728 en/of EUR 88.554) en/of [bedrijf 2]
B.V. (EUR 1.429.762) en/of [bedrijf 3] B.V. (EUR 668.612), in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte,
en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking
en/of zijn beroep, te weten als adjunct-directeur administratie en/of werknemer
van [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 4] C.V. en/of als
middellijk bestuurder/directeur van [bedrijf 3] B.V., in elk geval anders dan
door misdrijf onder zich had,
zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2.
hij op of omstreeks 22 september 2020 in de gemeenten Amsterdam en/of
Hilversum, in elk geval in Nederland,
één of meer geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te
weten:
a. een jaarrekening over 2019 van [bedrijf 1] B.V. (zie
DOC-012, p. 365-417), en/of
b. een auditor’s rapport over 2019 van [bedrijf 1] B.V. (zie
DOC-012, p. 419-421), en/of
c. waarderingscertificaten over 2020 van [bedrijf 1] B.V. (zie
DOC-012, p. 423-426),
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, bestaande die valsheid hierin dat valselijk
en/of in strijd met de waarheid:
a. op die jaarrekening over 2019 stempels van [bedrijf 5] en/of de naam van [naam]
van [bedrijf 5] stonden vermeld, terwijl deze jaarrekening niet door een persoon
werkzaam bij [bedrijf 5] was opgemaakt, en/of
b. op dat auditorsrapport over 2019 de naam van [naam] van [bedrijf 5] stond
vermeld, terwijl dit auditor’s rapport niet door [naam] van [bedrijf 5] was
opgemaakt en/of ondertekend, en/of
c. op die waarderingscertificaten over 2020 de naam van [naam] van [bedrijf 5]
en/of het logo van [bedrijf 5] stonden vermeld, terwijl deze waarderingscertificaten niet
door [naam] van [bedrijf 5] waren opgemaakt en/of ondertekend,
zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te
gebruiken.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ook de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.3
Beoordeling
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2024.
2. Een schriftelijk bescheid, te weten het “Rapport voor de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] BV inzake forensisch (accountants)onderzoek”, opgemaakt door [bedrijf 6] BV op 15 februari 2021 (DOC-012, pagina 172-467).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 januari 2014 tot
en met 31 december 2020 in Nederland,
opzettelijk meerdere geldbedragen, te weten:
a. EUR 126.728, en
b. EUR 88.554, en
c. EUR 2.098.374 (bestaande uit EUR 1.429.762 en EUR 668.612),
toebehorende aan [bedrijf 1]
B.V. (EUR 126.728 en EUR 88.554) en [bedrijf 2]
B.V. (EUR 1.429.762) en [bedrijf 3] B.V. (EUR 668.612),
en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking
en/of zijn beroep, te weten als adjunct-directeur administratie
van [bedrijf 1] B.V. en als
middellijk bestuurder/directeur van [bedrijf 3] B.V.,
zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2.
hij op 22 september 2020 in Nederland,
geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te
weten:
a. een jaarrekening over 2019 van [bedrijf 1] B.V., en
b. een auditor’s rapport over 2019 van [bedrijf 1] B.V., en
c. waarderingscertificaten over 2020 van [bedrijf 1] B.V.,
valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat valselijk
en/of in strijd met de waarheid:
a. op die jaarrekening over 2019 stempels van [bedrijf 5] en de naam van [naam]
van [bedrijf 5] stonden vermeld, terwijl deze jaarrekening niet door een persoon
werkzaam bij [bedrijf 5] was opgemaakt, en
b. op dat auditorsrapport over 2019 de naam van [naam] van [bedrijf 5] stond
vermeld, terwijl dit auditor’s rapport niet door [naam] van [bedrijf 5] was
opgemaakt en ondertekend, en
c. op die waarderingscertificaten over 2020 de naam van [naam] van [bedrijf 5]
en het logo van [bedrijf 5] stonden vermeld, terwijl deze waarderingscertificaten niet
door [naam] van [bedrijf 5] waren opgemaakt en ondertekend,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te
gebruiken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225 en 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling, en een taakstraf voor de duur van 240 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft, als adjunct-directeur administratie, ruim € 2,3 miljoen verduisterd. Over een periode van zes jaar heeft hij structureel gelden van zijn werkgever gebruikt voor privévakanties en vluchten met privéjets. Hij nam zelfs vlieguren af bij chartermaatschappijen. Uren die hij ‘over’ had bood hij aan collega’s aan. Ook heeft hij geld verduisterd door leningen die hij bij zijn werkgever had op naam van een collega te zetten. Door op deze manier te handelen heeft hij het vertrouwen van zijn werkgever ernstig beschaamd en groot financieel nadeel veroorzaakt.
Verder heeft hij een jaarrekening, een auditor’s rapport en waarderingscertificaten van zijn werkgever valselijk opgemaakt. Zijn werkgever was in het voorgaande jaar overgegaan naar een nieuw boekhoudpakket. Omdat deze overgang niet probleemloos verliep, meende verdachte de genoemde documenten niet tijdig te kunnen finaliseren. Verdachte voelde de druk om de documenten te verstrekken oplopen, omdat externe partijen hierom vroegen. Verder heeft verdachte in de periode ervoor steeds taken van vertrekkende collega’s overgenomen. Hij wilde laten zien dat hij het werk aankon. Onder die druk heeft hij de concepten van de genoemde documenten, aan de hand van versies uit eerdere jaren, opgemaakt en zelf voorzien van een handtekening en stempel van (een medewerker van) [bedrijf 5] en intern verspreid. De documenten zijn vervolgens door collega’s die zich onbewust waren van de valsheid daarvan verstrekt aan externe partijen. Het is essentieel dat in het zakelijk verkeer voetstoots kan worden uitgegaan van de echtheid van documenten. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelen hieraan afbreuk heeft gedaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 19 januari 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op een rapport van Reclassering Nederland van 30 april 2024. Daarin staat dat verdachte moeite heeft om de oorzaak van het delictgedrag te achterhalen. Hij werkt inmiddels weer als financial controller; zijn nieuwe werkgever is niet op de hoogte van de strafzaak. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als voorwaarden een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en indien nodig aan een ambulante behandeling.
Beoordeling
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn privé faillissement in de maand april van dit jaar is opgeheven bij gebrek aan baten. Dat faillissement staat daardoor niet meer aan de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij in de weg. De rechtbank overweegt echter vervolgens met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering het volgende.
Uit bijlage C bij de vordering van de benadeelde partij volgt dat de rechtbank Amsterdam op 10 februari 2021 een vonnis heeft gewezen dat verplichtingen omvat met betrekking tot de betaling van de onder 1 en 2 van de vordering genoemde posten. De rechtbank beschikt niet over dat vonnis, waardoor onduidelijk is tot welke betalingsverplichting verdachte al is veroordeeld. Daarnaast zijn de opgevoerde schadeposten gemotiveerd betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank zal verder bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Utrecht op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- meewerkt aan verdiepingsdiagnostiek en zich indien nodig laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Stam en mr. S. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2024.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer 70879 (onderzoek Epsom). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.