Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-05-14
ECLI:NL:RBOVE:2024:2523
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
721 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.188340-23
Datum vonnis: 14 mei 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 24 november 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en verdachte de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 19.025,54.
Procesverloop
De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, op 30 april 2024, aan de orde gesteld. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Enschede, is op deze terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de schriftelijke vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank het door veroordeelde te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet vaststellen op nihil (€ 0,00), dan wel een bedrag naar rato (€ 5.000,--) nu sprake is geweest van één oogst.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 mei 2024, gewezen onder voormeld parketnummer, geoordeeld dat veroordeelde op 18 februari 2022 als medepleger betrokken is geweest bij de in de woning aan de [adres] aangetroffen in werking zijnde hennepkwekerij met 215 hennepplanten. Het staat op basis van bewijsmiddelen vast dat er in de periode daaraan voorafgaand (minimaal) één oogst is geweest. Het is de rechtbank op grond van bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden dat veroordeelde daaruit op enige wijze daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat veroordeelde met het plegen van andere strafbare feiten geld heeft verdiend. De rechtbank zal de ontnemingsvordering afwijzen.
Dictum
De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2024.