Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-04-23
ECLI:NL:RBOVE:2024:2189
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,597 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.120180.23
Datum vonnis: 23 april 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aanvankelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 90.000,00.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 maart 2024. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de hoofdzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering
gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00. Veroordeelde heeft voordeel verkregen door het gratis gebruik van de woning waarin de hennepkwekerij was ondergebracht. Op basis van de in het procesdossier aanwezige huurovereenkomst, kan de huurwaarde van de woning worden bepaald op € 1.250,00 per maand. Nu veroordeelde niet kon beschikken over de gehele woning, vanwege de aanwezigheid van de hennepkwekerij, dient een bedrag van € 500,00 per maand te worden toegerekend aan veroordeelde, over een periode van vier maanden, te weten vanaf eind mei 2022 tot en met 27 september 2022.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het volgende aangevoerd. Veroordeelde heeft wederrechtelijk verkregen voordeel genoten in de vorm van gratis bewoning van de woning. De huurprijs in de huurovereenkomst van € 1.250,00 betrof een fictieve huurprijs. De huurprijs van vergelijkbare woningen ligt op € 1.085,00. Nu veroordeelde maar de beschikking had over een beperkt deel van de woning dient het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te worden bepaald op de helft van deze reële huurprijs ofwel € 500,00 per maand over een periode van vier maanden.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2024 veroordeeld voor het strafbare feit:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2
De omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld. Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij geen vergoeding heeft betaald voor het gebruik van de woning. Het voordeel dat de veroordeelde heeft genoten bestaat daarom uit het gratis gebruik van de woning. Voor de omvang van dit voordeel, hanteert de rechtbank de in de tussen de veroordeelde en de eigenaar gesloten huurovereenkomst opgenomen huurprijs van € 1.250,00 per maand. Nu de veroordeelde de woning niet volledig heeft kunnen gebruiken vanwege de aanwezigheid van de hennepkwekerij wordt het voordeel, conform het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, geschat op een bedrag van € 500,00 per maand. Net als de officier van justitie en de verdediging gaat de rechtbank uit van een gebruiksduur van de woning door veroordeelde van vier maanden. Het totale voordeel van het gebruik van de woning wordt daarmee vastgesteld op € 2.000,00.
De rechtbank stelt op grond van de hierna opgegeven wettige bewijsmiddelen het door het bewezenverklaarde feit wederrechtelijk verkregen voordeel vast. Daarbij volstaat de rechtbank met de opgave als bedoeld in het ook in ontnemingszaken toepasselijke artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, omdat de veroordeelde heeft bekend dat hij het te ontnemen bedrag wederrechtelijk heeft verkregen en dit ook de strekking van het gevoerde verweer was:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 maart 2024, voor zover inhoudende, de bekennende verklaring van verdachte;
2. Het vonnis in de hoofdzaak met parketnummer 08.120180.23 van 26 maart 2024.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.000,00.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.000,00.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.000,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op veertig dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.K. ten Cate, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.