Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-12-22
ECLI:NL:RBOVE:2023:5290
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-963543-20 (P)
Datum vonnis: 22 december 2023
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4, 6, 11 en 22 december 2023.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. drs. M.R.A. van IJzendoorn en van wat door verdachte en haar raadsvrouw
mr. T.H. Westerhof, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De rechtbank constateert dat de feiten in de tenlastelegging zijn genummerd als 2 en 3. Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank de feiten hernummeren als de feiten 1 en 2.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: het al dan niet samen met (een) ander(en) voorbereidingshandelingen treffen om (meth)amfetamine te bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen;
feit 2: deelname aan een criminele (drugs)organisatie.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 31 juli 2019 te De Meern, in de gemeente Utrecht en/of te Brunssum en/of te Wateringen en/of te 's-Gravenhage en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk
= bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of
= vervaardigen, en/of
= binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/heden methamfetamine (Crystal Meth), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine/amfetamine, zijnde (meth)amfetamine (Crystal Meth) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, één of meermalen, daartoe (telkens) opzettelijk:
= (op of omstreeks 20/22 juni 2019) in een loods/bedrijfspand aan de [adres 2] : 17.485 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden zwavelzuur en/of zoutzuur en/of Methyl Ethyl Keton en/of kaliumpermanganaat, en/of
= (op of omstreeks 11 juli 2019) in een loods/bedrijfspand aan de [adres 8] : 7995 liter, althans een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden petroleumether, en/of = (op of omstreeks 26 februari 2019) in een bedrijfspand aan de [adres 4] : 433 kilogran methamfetamine en/of 1020 liter, althans een (grote) hoeveelheid/ hoeveelheden aceton, en/of
= (op of omstreeks 2 juni 2019) in een woning aan de [adres 5] : 25 kilogram methanfetamine kristallen en/of 50 liter methamfetamine bevattende vloeistof, opgeslagen, verpakt, bereid, verwerkt en/of voorhanden gehad en/of doen/laten opslaan, verpakken, bereiden, bewerken, verwerken, afleveren en/of voorhanden hebben;
2.
zij in of omstreeks de periode 1 februari 2019 tot en met 31 juli 2019, in de gemeente(n) Rotterdam en/of Den Haag en/althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere verdachte en/althans een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, namelijk/als bedoeld in:
- het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het (telkens) opzettelijk verwerken en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben en/of het voorbereiden/ bevorderen van voornoemde misdrijven, een en ander als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.
3De voorvragen
3.1
De geldigheid van de dagvaarding
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde betoogd dat de dagvaarding onvoldoende is geconcretiseerd en dat om die reden sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zij heeft verzocht de dagvaarding voor feit 2 nietig te verklaren.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voldoende concreet is en dat het verdachte duidelijk was waartegen zij zich moest verdedigen. De officier heeft dan ook betoogd dat de dagvaarding geldig is.
De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak de tenlastelegging voldoet aan de daaraan in artikel 261 Sv gestelde eisen. Het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit is, in samenhang bezien met de inhoud van het onderliggende procesdossier, voldoende specifiek en duidelijk. Het was de verdachte op de terechtzitting duidelijk waartegen zij zich moest verdedigen. De dagvaarding is daarom geldig.
3.2
De overige voorvragen
De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4De bewijsoverwegingen
4.1
Inleiding
Op 13 juni 2019 vond er een doorzoeking plaats in het bedrijfspand aan de [adres 6] waar op dat moment de bedrijven [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. gevestigd waren. In een verborgen ruimte werd een grote hoeveelheid blokken methamfetamine aangetroffen. Na weging bleek het te gaan om 2539 kilogram. Naar aanleiding van deze vondst werd onderzoek “26Seaford” opgestart. Verdachte is een van de verdachten die in dit onderzoek naar voren kwam. Het onderzoek richtte zich niet alleen op meerdere verdachten, maar gaandeweg ook op meerdere panden.
Op 21 juni 2019 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in een ook door [bedrijf 1] B.V. gehuurd pand aan de [adres 2] , waar een grote hoeveelheid (stukgeslagen) gasbetonblokken, afkomstig uit Mexico, en chemicaliën is aangetroffen. De stukgeslagen gasbetonblokken hadden een holle ruimte waarin papier- en purschuimresten te zien waren. Tijdens een doorzoeking op 11 juli 2019 in een pand aan de [adres 3] werd 7.995 liter petroleumether aangetroffen. Op 26 februari 2019 werd in het pand aan de [adres 4] een grote hoeveelheid methamfetamine kristallen en aceton aangetroffen. Naar aanleiding van een melding van stankoverlast werd op 2 juni 2019 binnengetreden in een woning aan de [adres 5]
waar methamfetamine kristallen en een methamfetamine bevattende vloeistof werd aangetroffen. In een pand aan de [adres 7] werd op 29 mei 2019 gezien dat verdachte [medeverdachte 1] gasbetonblokken, afkomstig uit Spanje, aan het doorzagen was.
Beoordeling
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt met betrekking tot de rol van verdachte het volgende vast. Verdachte heeft op 21 juli 2019 samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , haar toenmalige vriend/partner, enkele personen naar het pand aan de [adres 2] gebracht, om daar werkzaamheden te verrichten. Deze personen hebben verklaard dat verdachte hen samen met [medeverdachte 2] naar het pand bracht en dat verdachte vertaalde wat [medeverdachte 2] hen opdroeg te doen: stenen breken. Op 11 juli 2019 heeft medeverdachte [medeverdachte 3] , een neef van verdachte, bij het pand aan de [adres 3] een Poolse vrachtwagenchauffeur geholpen met het uitladen van pallets, die in het pand werden gezet. Uit tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 3] die dag telefonisch instructies kreeg van [medeverdachte 2] en ook telefonisch contact had met verdachte. Verdachte gebruikte daarbij versluierd taalgebruik. Op 13 juli 2019 heeft verdachte [medeverdachte 3] telefonisch naar het kenteken van de Poolse vrachtwagen gevraagd.
Feit 1
Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd het medeplegen van het treffen van voorbereidingshandelingen om (meth)amfetamine te bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen, door kort gezegd op verschillende locaties chemicaliën voorhanden te hebben.
De rechtbank zal zich beperken tot het bespreken van de chemicaliën genoemd in de eerste twee gedachtestreepjes van feit 1 (te weten de chemicaliën aangetroffen in het pand aan de [adres 2] en het pand aan de [adres 3] ), omdat verdachtes betrokkenheid bij het overige gedachtestreepje in het geheel niet blijkt uit het dossier.
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de in beslag genomen chemicaliën bestemd waren voor de voorbereiding van de productie van (meth)amfetamine.
Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 20 september 2019 blijkt dat in het onderzoeksmateriaal afkomstig uit het pand aan de [adres 2] zwavelzuur, zoutzuur, methylethylketon (MEK, 2-butanon) en kaliumpermanganaat is aangetoond. Zwavelzuur, zoutzuur, methylethylketon (MEK, 2-butanon) en kaliumpermanganaat zijn vermeld op bijlage I van de Verordening (EG) nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage behorende bij Verordening (EG) nummer 111/2005
betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en
derde landen in drugsprecursoren. Naar beide Verordeningen wordt verwezen in de
Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
Uit het rapport van het NFI d.d. 18 oktober 2019 blijkt dat de chemicaliën aangetroffen in de loods aan de [adres 3] petroleumether betreffen en dat petroleumether wordt gebruikt bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse (synthetische) drugs.
De rechtbank overweegt dat de tenlastelegging specifiek ziet op de synthetische drugs (meth)amfetamine, terwijl deze specifieke drugs niet expliciet worden genoemd in voornoemde rapporten van het NFI. De rechtbank is daarom van oordeel dat – daargelaten de vraag of bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van voornoemde chemicaliën – niet kan worden vastgesteld dat het voorhanden hebben van de in beslag genomen chemicaliën voorbereidingshandelingen kunnen opleveren voor de productie van (meth)amfetamine, zoals is ten laste gelegd.
De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.
Feit 2
Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow), een organisatie die zich specifiek bezig houdt met verdovende middelen. Dit betreft een lex specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 11b Ow is in essentie dezelfde toets noodzakelijk aan de (juridische) kaders die gelden bij artikel 140 Sr.
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.
Er dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met althans bekend moet zijn geweest met alle anderen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.
Voor deelneming aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven (in dit geval drugsgerelateerde misdrijven) tot oogmerk heeft.
Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat zij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van, in dit geval drugsgerelateerde, misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op.
Dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit verschillende personen, dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven in het kader van internationale methamfetaminehandel staat voor de rechtbank vast, op basis van de bevindingen van het onderzoeksteam neergelegd in het strafdossier, zoals hiervoor in de “inleiding” summier opgesomd.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet geoordeeld kan worden dat verdachte er wetenschap van had dat de criminele organisatie het plegen van drugsgerelateerde misdrijven tot oogmerk had. De rol van verdachte bestond uit het samen met medeverdachte [medeverdachte 2] vervoeren van verschillende personen naar het pand aan de [adres 2] , waaronder medeverdachte [medeverdachte 3] , en het vertalen van de instructies die [medeverdachte 2] aan deze personen gaf. Die instructies kreeg [medeverdachte 2] op zijn beurt van medeverdachte [medeverdachte 4] en hadden betrekking op werkzaamheden, zoals het verpulveren van gasbetonblokken, het laden van gasbetonblokken in voertuigen en dergelijke. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op enig moment heeft geweten dat de werkzaamheden in
De Meern verband hielden met verdovende middelen, laat staan een smokkelmethode gericht op het invoeren en verhandelen van methamfethamine.
Verder heeft verdachte op 11 juli 2019 telefonisch contact gehad met [medeverdachte 3] , nadat [medeverdachte 3] bij het pand aan de [adres 3] een Poolse vrachtwagenchauffeur had geholpen met het uitladen van pallets, die in het pand werden gezet. Twee dagen daarna heeft verdachte naar het kenteken van de betreffende vrachtwagen gevraagd.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en
mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.
Buiten staat
Mr. Melaard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.