Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-12-18
ECLI:NL:RBOVE:2023:5189
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,950 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.192310.21
Datum vonnis: 18 december 2023
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte] B.V.,
gevestigd aan de [vestigingsplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 11.597,62.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 13 en 15 november 2023 en
4 december 2023. [verdachte] B.V., vertegenwoordigd door de heer [naam] en bijgestaan door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, is op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 13 november 2023 heeft de officier van justitie mr. P.A. van der Vliet haar vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] B.V. geen wederrechtelijk voordeel heeft behaald en dat het voordeel op nihil gesteld moet worden, omdat de onderneming ook nog beschikt over een vergunning om in afvalstoffen te bemiddelen. Daar zou zij mogelijk hetzelfde voordeel mee hebben kunnen halen.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] B.V. kosten heeft gemaakt om papierslib alsnog naar een bevoegde ontvanger te laten afvoeren. Dit heeft € 4.242,62 gekost. Deze kosten moeten op het voordeel in mindering worden gebracht.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
[verdachte] B.V. is bij vonnis van deze rechtbank van 18 december 2023 veroordeeld voor het strafbare feit:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
3.2
Beoordeling
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten het met deze vordering samenhangende strafdossier, met onder meer het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 23 maart 2023.
[verdachte] B.V. is veroordeeld voor – kort gezegd – de bemiddeling in de afzet van papierslib aan co-vergisters, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, in de periode van 25 september 2018 tot en met 27 augustus 2019. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opbrengst die [verdachte] B.V. uit deze bemiddeling heeft gehad, minus de door [verdachte] B.V. ten behoeve van het plegen van het feit gemaakte kosten, als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt.
[verdachte] B.V. heeft bemiddeld in de afzet van 1.778,81 ton papierslib naar verschillende co-vergisters. [verdachte] B.V. heeft een totaalbedrag van € 35.576,20 gefactureerd, en een totaalbedrag van € 526,80 gecrediteerd. De totale omzet van [verdachte] B.V. was € 35.049,40 (voor 1.752,47 ton papierslib).
[verdachte] B.V. betaalde de co-vergisters € 12,50 per ton, en in een beperkt aantal gevallen € 20,00, per ton voor de afname van het papierslib. In totaal bedroegen deze kosten
€ 23.451,78.
[verdachte] B.V. heeft met de bemiddeling in de afzet van het papierslib € 35.049,40 –
€ 23.451,78 = € 11.597,62 verdiend.
Geen voordeel, want ook bevoegd tot verhandelen van afvalstoffen
Voor zover de verdediging stelt dat het voordeel door strafbaar handelen niet bestaat omdat mogelijk hetzelfde voordeel zou zijn behaald door de goederen als afvalstof af te voeren, vindt dat standpunt geen steun in het recht. In de eerste plaats is daarvan niet gebleken of dat überhaupt voordeel (of juist kosten) zou hebben meegebracht. In de tweede plaats is nu eenmaal gekozen voor een strafbare route voor de afvalstoffen. Het voordeel dat daarmee gepaard is gegaan acht de rechtbank voldoende aannemelijk.
Aanvullende kosten
De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] B.V. extra kosten heeft gemaakt, in de zin van kosten voor de afvoer van het papierslib naar een legale ontvanger.
De kosten van de afvoer van het papierslib aan een legale ontvanger zijn niet gemaakt ten behoeve van het plegen van het strafbare feit, maar voor het herstellen van de strafbare gedraging van [verdachte] B.V. Deze kosten komen daarom redelijkerwijs niet voor aftrek in aanmerking.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten en stelt op grond van bovenstaande de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 11.597,62.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
Namens de veroordeelde is ter terechtzitting naar voren gebracht dat de strafzaak grote (financiële) gevolgen heeft gehad voor de onderneming. Onder andere door reputatieschade heeft [verdachte] B.V. klanten verloren en is de omzet flink gedaald.
De ontnemingsmaatregel is door de wetgever in de wetgeving opgenomen om het voordeel dat verdachten ten gevolge van het strafbare feit genieten weer te ontnemen, waardoor de verdachten terug worden gebracht in de financiële positie van voor het strafbare feit.
Nu ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat de financiële gevolgen voor de BV aanzienlijk zijn geweest, en er ook overigens op de zitting geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de BV blijvend financieel voordeel heeft gehad door de gepleegde strafbare feiten, houdt de rechtbank hier rekening mee.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat het voordeel dat [verdachte] B.V. door het plegen van het strafbare feit wederrechtelijk heeft verkregen, hierdoor ruimschoots is teniet gedaan. De rechtbank houdt daar rekening mee en zal het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel, te weten op nihil.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.597,62;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 0,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. D. van den Berg en
mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2023.
Buiten staat
Mr. D. van den Berg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (JM175), financieel dossier Brandgans, p. 567, tabel.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (JM175), financieel dossier Brandgans, p. 569, tabel.