Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-12-04
ECLI:NL:RBOVE:2023:4912
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.323718.22 (P)
Datum vonnis: 4 december 2023
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 november 2023.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Vroome en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 in Hengelo en/of Holten:
feit 1: in zijn functie van teamleider bij [bedrijf 1] in totaal € 188.219,67 van zijn werkgever [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] verduisterd;
feit 2: in totaal € 188.219,67 afkomstig uit eigen misdrijven heeft witgewassen en hiervan een gewoonte heeft gemaakt;
feit 3: creditnota’s en schadebetalingen vals heeft opgemaakt en heeft vervalst met het oogmerk ze als echt te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, althans in Nederland opzettelijk
(telkens) een hoeveelheid geld, te weten in totaal ongeveer 188.219,67 euro, in elk
geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als teamleider Financieel en Intermediair Support bij [bedrijf 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte (telkens) een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 188.219,67 euro,
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat genoemde geldbedrag(en) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, althans in Nederland, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door, terwijl hij in dienst was als teamleider Financieel en Intermediair Support bij [bedrijf 1] , documenten van valse creditnota’s en/of valse schadebetalingen op te maken en/of op te nemen in de bedrijfsadministratie, waarbij die valsheid erin bestond dat
- in de bovengenoemde creditnota’s telkens valselijk en in strijd met de waarheid stond opgenomen dat een bepaald geldbedrag, te weten een verzekeringspremie die aan een klant/relatie van [bedrijf 1] was gefactureerd, moest worden teruggeboekt
en/of
- in de bovengenoemde schadebetalingen telkens valselijk en in strijd met de waarheid stond opgenomen dat een bepaald geldbedrag, te weten een schadebetaling, was overgeboekt naar een klant/relatie van [bedrijf 1] , terwijl dat geldbedrag in werkelijkheid was overgeboekt naar zijn, verdachtes, eigen bankrekening en/of creditcardrekening, met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ter onderbouwing daarvan heeft zij in het bijzonder gewezen op de bekennende verklaring van verdachte.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3
Beoordeling
Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
feit 1: verduistering in dienstbetrekking
- de verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant] van 24 augustus 2022, met als bijlage onder meer een overzicht van verdachte transacties.
feit 2: gewoontewitwassen
- de verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van bevindingen van 11 november 2023;
feit 3: valsheid in geschrift
- de verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van bevindingen van 11 november 2023.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, opzettelijk (telkens) een hoeveelheid geld, te weten in totaal 188.219,67 euro,
dat toebehoorde aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als teamleider Financieel en Intermediair Support bij [bedrijf 1] , zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2
hij in de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens een voorwerp, te weten geldbedragen van in totaal 188.219,67 euro,
verworven, voorhanden gehad en omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,
terwijl hij wist dat genoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;
3
hij in de periode van 12 januari 2018 tot en met 30 juni 2022 te Hengelo, gemeente Hengelo en/of te Holten, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt, door, terwijl hij in dienst was als teamleider Financieel en Intermediair Support bij [bedrijf 1] , valse creditnota’s en valse schadebetalingen op te maken en op te nemen in de bedrijfsadministratie, waarbij die valsheid erin bestond dat
- in de bovengenoemde creditnota’s telkens valselijk en in strijd met de waarheid stond opgenomen dat een bepaald geldbedrag, te weten een verzekeringspremie die aan een klant/relatie van [bedrijf 1] was gefactureerd, moest worden teruggeboekt en
- in de bovengenoemde schadebetalingen telkens valselijk en in strijd met de waarheid stond opgenomen dat een bepaald geldbedrag, te weten een schadebetaling, was overgeboekt naar een klant/relatie van [bedrijf 1] , terwijl dat geldbedrag in werkelijkheid was overgeboekt naar zijn, verdachtes, eigen bankrekening en/of creditcardrekening, met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225, 321, 322, 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.
feit 2
het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
feit 3
het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – rekening houdende met onder meer het feit dat verdachte eerder geld heeft verduisterd van deze werkgever, de hoogte van het schadebedrag en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie – gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 8 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij bepaling van de straf rekening te houden met de meewerkende houding van verdachte en de gevolgen die verdachte heeft ondervonden van het ten laste gelegde. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte inmiddels zijn leven weer op de rit heeft.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de strafbare feiten
De verdachte heeft jarenlang geld verduisterd dat ten goede had moeten komen aan de verzekeringsmaatschappij waarvoor hij werkte. In totaal zijn de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gezamenlijk voor een totaalbedrag van € 188.219,67 benadeeld. Met dit geld heeft verdachte voorzien in zijn luxe levensstijl en – zoals hij zelf zegt – het ”kopen” van vrienden. De verdachte wist dat dit niet mocht en toch verrijkte hij zichzelf ten koste van zijn werkgevers en daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op hun vertrouwen. Hij heeft telkens weer de keus gemaakt om er mee door te gaan enkel voor zijn eigen financiële gewin. Temeer nu verdachte in 2011 door [bedrijf 2] al eens is betrapt op verduistering van grote geldbedragen, naar eigen zeggen op de terechtzitting ging het destijds om een totaalbedrag van ongeveer € 30.000,00. Zijn werkgever heeft hem destijds zeer coulant behandeld en de kans geboden daar te blijven werken en hem niet te ontslaan, waar verdachte vervolgens enkele jaren later ernstig misbruik van heeft gemaakt.
Daarnaast heeft verdachte, door het geld telkens uit te geven, er een gewoonte van gemaakt het verduisterde geld wit te wassen.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf:
verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.
feit 2, het misdrijf:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
feit 3, het misdrijf:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Sangers-de Jong, voorzitter, mr. N.J.C. Monincx en
mr. D. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Drenth, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
Buiten staat
Mrs. N.J.C. Monincx en D. van den Berg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie, eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2022544575 van 1 december 2022. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 november 2023.
Pagina 4 tot en met 25.
Pagina 23 tot en met 31.
Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 november 2023.
Pagina 34 tot en met 38.
Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 november 2023.
Zie het aanvullende proces-verbaal van bevindingen (PL0600–2022328554) van 7 maart 2023.