Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-11-28
ECLI:NL:RBOVE:2023:4657
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,368 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10421812 \ EJ VERZ 23-94
Beschikking van 28 november 2023
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. A.C. van Bekkum
tegen
de besloten vennootschap EPOS B.V.,
gevestigd te Zuidveen,
verwerende partij,
hierna te noemen: EPOS,
gemachtigde: mr. C.J. de Wever.
1Het procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 2 juni 2023, waarin de kantonrechter EPOS heeft opgedragen bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen,
- het proces-verbaal van de op 5 september 2023 gehouden enquête,
- de akte aan de kant van EPOS,
- de akte aan de kant van [verzoekster].
1.2.
Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vandaag een beslissing neemt.
2Inleiding
2.1.
[verzoekster] vraagt in deze procedure om betaling van de aanzegvergoeding en van de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] heeft EPOS niet op tijd aan haar meegedeeld dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet, zodat EPOS de aanzegvergoeding aan haar moet betalen. Het initiatief voor wat betreft het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst lag volgens [verzoekster] bij EPOS, zodat EPOS naast de aanzegvergoeding ook de transitievergoeding verschuldigd is.
2.2.
EPOS heeft aangevoerd dat zij [verzoekster] een schriftelijk aanbod heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst voort te zetten en dat zij daarmee aan haar aanzegverplichting heeft voldaan. Dit is door [verzoekster] betwist. EPOS heeft, om deze stelling te bewijzen, een getuige laten horen. Wat betreft de transitievergoeding is EPOS van mening dat [verzoekster] daar vanwege ernstig verwijtbaar handelen geen aanspraak op kan maken.
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat EPOS niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Beide partijen hebben één getuige laten horen, de verklaringen van die twee getuigen spreken elkaar tegen. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat de stelling van EPOS dat zij een schriftelijk aanbod voor een nieuwe arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] heeft overhandigd, niet kan worden vastgesteld. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat EPOS onvoldoende heeft onderbouwd dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De verzoeken van [verzoekster] worden gelet hierop toegewezen.
2.4.
Dit verkort weergegeven oordeel wordt hierna gemotiveerd.
3De verdere beoordeling
3.1.
De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 2 juni 2023 EPOS opgedragen om door middel van het horen van getuigen te bewijzen dat het contractsvoorstel dat door EPOS bij akte in het geding is gebracht op 2 november 2022, aan [verzoekster] is overhandigd.
3.2.
Beoordeeld moet worden of EPOS in haar bewijsopdracht is geslaagd. EPOS heeft op 5 september 2023 één getuige laten horen: mevrouw [getuige], werkzaam bij EPOS als zorgmanager. Mevrouw [getuige] heeft verklaard, voor zover van belang:
“(…) Op grond van mijn input en die van [naam 1] heeft een medewerker van EPOS een schriftelijk contract voorstel geformuleerd. Dat heb ik per mail van diegene ontvangen, geprint en aan [verzoekster] verstrekt. Ik heb dit voorstel aan [verzoekster] gegeven toen zij nog niet met zwangerschapsverlof was en wij beiden op het werk aanwezig waren. Ik weet niet meer of ik er iets bij heb gezegd. U toont mij het supplement arbeidsovereenkomst dat op 11 mei 2023 aan u is toegestuurd. Volgens mij is dit het stuk dat ik aan [verzoekster] heb afgegeven. Ik leid dit af aan de in het stuk genoemde datum 1 februari 2023. Ik weet 100% zeker dat ik het stuk aan [verzoekster] heb afgegeven. (…)”
3.3.
In contra-enquête heeft [verzoekster] zichzelf als getuige gehoord. [verzoekster] heeft verklaard, voor zover van belang:
“(…) Ik ben op 2 november 2022 met zwangerschapsverlof gegaan. Op 11 januari 2023 ben ik gebeld door [getuige]. Zij vroeg mij waar het door mij te ondertekenen contract bleef. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet had ontvangen. Je zou dan verwachten dat het contract alsnog naar mij zou zijn toegestuurd, maar dat is niet het geval geweest. (…) In het telefoongesprek met [getuige] zijn ook mijn salariswensen aan de orde geweest en ik heb gevraagd om een gesprek met [naam 1]. Dat had ik daarvoor, tijdens het gesprek met [getuige] en [naam 2] ook al gedaan. Dat gesprek is er nooit gekomen, wel kreeg ik de brief waarin het voorstel werd ingetrokken. (…)”
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat EPOS niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en motiveert dat als volgt.
3.5.
De kantonrechter gaat allereerst in op de stelling van EPOS dat aan de verklaring van [verzoekster] geen doorslaggevende betekenis moet worden gehecht. Voor zover EPOS daarmee heeft bedoeld te stellen dat de verklaring van een partijgetuige alleen ter aanvulling van onvolledig bewijs kan dienen, merkt de kantonrechter op dat voor de verklaring voor [verzoekster] niet de beperking van artikel 164 lid 2 Rv geldt. Van een partijgetuigenverklaring van [verzoekster] als bedoeld in dat artikel is namelijk geen sprake, aangezien [verzoekster] niet de bewijsopdracht heeft gekregen. Het bepaalde in dit artikel kan daarom alleen van toepassing zijn op EPOS.
3.6.
Uit de verklaring van mevrouw [getuige] blijkt dat zij een schriftelijk voorstel voor een nieuwe arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] heeft overhandigd. Uit de verklaring van [verzoekster] blijkt echter dat zij geen schriftelijk voorstel voor een nieuwe arbeidsovereenkomst vanuit EPOS heeft ontvangen. Deze beide verklaringen kunnen niet tegelijk waar zijn. Nu op EPOS de bewijslast rust (en zij dus het risico loopt het bewijs niet te kunnen leveren) dat aan [verzoekster] een schriftelijk contractsvoorstel is overhandigd, heeft zij het gevolg van deze tegenstrijdigheid te dragen. Dit betekent dat EPOS niet in de bewijsopdracht is geslaagd.
3.7.
Nu EPOS niet in de bewijsopdracht is geslaagd, is niet vast komen te staan dat zij op 2 november 2022 aan [verzoekster] een schriftelijk voorstel heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst overeenkomst voort te zetten. Dit betekent dat EPOS [verzoekster] niet eerder dan 17 januari 2023 schriftelijk heeft geïnformeerd over het (van rechtswege) eindigen van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Deze brief dateert weliswaar van 11 januari 2023, maar op basis van artikel 3:37 lid 3 BW heeft een tot een persoon gerichte verklaring pas haar werking wanneer die de persoon heeft bereikt. [verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat zij deze brief pas op 17 januari 2023 heeft ontvangen, zodat de kantonrechter van die datum uitgaat.
3.8.
Gelet op het voorgaande heeft EPOS het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst te laat aangezegd, zodat EPOS op grond van artikel 7:668 lid 3 BW de aanzegvergoeding verschuldigd is. Deze vergoeding bedraagt het loon over de periode dat EPOS de aanzegverplichting te laat is nagekomen, namelijk 17 dagen. EPOS heeft de hoogte van de door [verzoekster] gevraagde vergoeding niet weersproken, zodat een bedrag van € 1.300,06 bruto zal worden toegewezen.
3.9.
Ten aanzien van de transitievergoeding overweegt de kantonrechter als volgt.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt EPOS tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 1.300,06 bruto ter zake de aanzegvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 februari 2023 tot de dag van algehele voldoening,
4.2.
veroordeelt EPOS tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 1.956,99 bruto ter zake de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 maart 2023 tot de dag van algehele voldoening,
4.3.
veroordeelt EPOS tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 450,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 29 maart 2023 tot de dag van algehele voldoening,
4.4.
veroordeelt EPOS in de proceskosten, aan de kant van [verzoekster] vastgesteld op een bedrag van € 1.037,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking,
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. de Haan en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023. (wv)