Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-11-07
ECLI:NL:RBOVE:2023:4454
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
590 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/770002-21
Datum vonnis: 7 november 2023
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [woonplaats] .
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en [verdachte] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 959.154,54.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 februari 2022, 19 september 2022 en 26 september 2023. [verdachte] , bijgestaan door haar raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat in Amsterdam, is alleen op de terechtzitting van 19 september 2022 verschenen en op de vordering gehoord. Tijdens de overige terechtzittingen is [verdachte] niet verschenen.
Beoordeling
Nu [verdachte] bij vonnis van 3 oktober 2022 is vrijgesproken van de feiten waarop de ontnemingsvordering van de officier van justitie is gegrond, dient het Openbaar Ministerie in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Op de terechtzitting van 26 september 2023 heeft de officier van justitie mr. R. Janssens gevorderd dat de rechtbank de vordering afwijst, vanwege de vrijspraak van de ten laste gelegde feiten die aan de vordering ten grondslag liggen.
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen bij gebrek aan een veroordeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. A.J. de Loor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023.