Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-10-23
ECLI:NL:RBOVE:2023:4166
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 10704060 \ CV EXPL 23-2070
Vonnis in kort geding van 23 oktober 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
GEMEENTELIJK BELASTINGKANTOOR TWENTE,
te Hengelo (Ov.),
gedaagde partij,
hierna te noemen: GBTwente,
advocaat: mr. J. van Schendel.
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
[eiser] heeft gemeentelijke belastingaanslagen over de jaren 2022 en 2023 niet betaald. GBTwente heeft daarom dwangbevelen uitgevaardigd en beslag gelegd op het loon van [eiser]. [eiser] voert aan dat hij de belastingaanslagen niet hoeft te betalen of in elk geval betaling kan opschorten, omdat hij geen overeenkomst heeft gesloten met GBTwente en/of haar directeur en het hem niet duidelijk is wie hem op welke grond een aanslag kan opleggen. [eiser] vordert in dit kort geding betaling van GBTwente van een bedrag van € 13.295,03 en dat het beslag op zijn loon wordt opgeheven.
1.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan hij recht heeft op de geldvordering en hoe deze is berekend. GBTwente heeft met het leggen van beslag op het loon van [eiser] geen misbruik van haar bevoegdheid gemaakt. Ook moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen omdat hij geen spoedeisend belang heeft. [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 september 2023; - de producties van [eiser];
- de producties van GBTwente; - de mondelinge behandeling van 4 oktober 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van GBTwente.
Feiten
3.1.
[eiser] heeft op 25 februari 2022 een belastingaanslag van € 878,61 aan onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd gekregen. Deze belastingaanslag ziet op het belastingjaar 2022. [eiser] heeft nagelaten deze belastingaanslag volledig te betalen, reden waarom GBTwente op 29 maart 2023 een dwangbevel heeft uitgevaardigd voor een bedrag van € 727,03. Dit bedrag bestaat uit de belastingaanslag en bijkomende kosten, minus een bedrag dat [eiser] al zou hebben betaald.
3.2.
[eiser] heeft op 25 februari 2023 nog een belastingaanslag van € 883,98 aan onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd gekregen, nu voor het belastingjaar 2023. [eiser] heeft niet betaald. Daarom heeft GBTwente op 28 juni 2023 nog een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 1.019,98. Dit bedrag bestaat uit de belastingaanslag en bijkomende kosten.
3.3.
In de dwangbevelen van GBTwente van 29 maart 2023 en 28 juni 2023 wordt [eiser] verzocht om binnen twee dagen na dagtekening van het betreffende dwangbevel alsnog te betalen. Ook vermeldt GBTwente hierin dat als het totaalbedrag van het dwangbevel daarna nog niet is betaald, zij het recht heeft om het loon, sociale uitkering en/of andere automatische betalingen van [eiser] op te eisen. Daarnaast is vermeld dat als [eiser] het niet eens is met het dwangbevel, hij binnen zes weken hiertegen bezwaar kan maken.
3.4.
Partijen hebben over en weer gecorrespondeerd over de verschuldigdheid van de belastingaanslagen. [eiser] heeft GBTwente schriftelijk vragen gesteld over wie bevoegd is tot het opleggen van de belastingaanslagen, wat de functie van die persoon is en of er ondertekende documenten zijn waaruit dit blijkt. Met het stellen van zijn vragen heeft [eiser] volgens hemzelf niet bedoeld bezwaar te maken. De termijnen voor het instellen van bezwaar en beroep tegen de dwangbevelen zijn inmiddels verstreken.
3.5.
[eiser] heeft de belastingaanslagen van 2022 en 2023 niet betaald. GBTwente heeft daarom op of omstreeks 12 augustus 2023 (vereenvoudigd) derdenbeslag laten leggen voor een bedrag van € 1.765,01 op het loon dat [eiser] bij zijn werkgever verdient.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat GBTwente wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.295,03, bestaande uit:
hoofdsom voor titel: € 5.295,03;
kosten derden: € 1.500,00;
boete 15-6 t/m 15-7: € 5.000,00;
de rente tot heden: € 500,00;
immateriële schade: € 1.000,00.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eis vermeerderd, waardoor hij naast de geldvordering ook opheffing van het beslag op zijn loon vordert.
4.2.
GBTwente voert aan dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Beoordeling
Wie is de gedaagde partij?
5.1.
[eiser] heeft de directeur van GBTwente, de heer [naam], als gedaagde partij gedagvaard. [eiser] heeft [naam] gedagvaard, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat GBTwente als de gedaagde partij in deze zaak mag worden gezien. GBTwente is daar ook mee akkoord. De kantonrechter zal daarom niet [naam] maar GBTwente als de gedaagde partij beschouwen.
Is GBTwente bevoegd om de belastingaanslagen op te leggen en moet [eiser] deze betalen?
5.2.
[eiser] heeft aangevoerd dat GBTwente niet bevoegd is om de belastingaanslagen aan hem op te leggen, omdat hij geen overeenkomst met haar heeft gesloten. [eiser] voert aan dat hij bij GBTwente heeft gevraagd wie er bevoegd is om aan hem belastingaanslagen op te leggen, wat de functie van die persoon is en of er ondertekende documenten zijn waaruit dit blijkt. Volgens [eiser] heeft GBTwente hem daar geen (duidelijk) antwoord op gegeven, waardoor hij op grond van artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de betaling van de belastingaanslagen kan opschorten.
5.3.
De kantonrechter stelt vast dat de belastingaanslagen zijn gebaseerd op de Gemeentewet en de Wet milieubeheer. De bevoegdheid om de belastingaanslagen op te leggen volgt uit die wetten. Het ontbreken van een overeenkomst tussen partijen betekent dus niet dat [eiser] geen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing hoeft te betalen.
5.4.
[eiser] woont in de gemeente Hengelo. De gemeente Hengelo mag het heffen en invorderen van de belastingen op grond van artikel 232 lid 4 onderdeel a en b van de Gemeentewet aan de directeur en plaatsvervangend directeur van GBTwente opdragen en heeft dit bij het Mandaatbesluit externe heffing en inning Hengelo 2016 en de Aanwijzingsbesluiten DB GBTwente uit 2016 ook gedaan. De directeur en de plaatsvervangend directeur van GBTwente zijn daarom bevoegd om de belastingen te heffen en in te vorderen. De belastingaanslagen moeten verder voldoen aan de vereisten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarbij zijn de ondertekening met naam, functie en een (natte) handtekening van de directeur of plaatsvervangend directeur volgens die wet geen vereisten om rechtsgeldige belastingaanslagen op te kunnen leggen. GBTwente heeft in haar brieven [eiser] meerdere keren op deze wet- en regelgeving gewezen. Verder wordt uit de belastingaanslagen en de dwangbevelen voldoende duidelijk dat en hoe aan GBTwente betaald moet worden. Er is hierdoor geen sprake van een situatie waar artikel 6:37 BW op ziet. [eiser] mocht het betalen van de belastingen dus niet opschorten.
5.5.
GBTwente heeft aangevoerd een brief van 4 juli 2022 van [eiser] te hebben opgevat als een bezwaar tegen de belastingaanslag van 2022. Dit bezwaar heeft zij niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] heeft echter aangevoerd geen bezwaar te hebben gemaakt tegen de belastingaanslagen en/of de dwangbevelen. Hij zou enkel bedoeld hebben om daarover vragen aan GBTwente te stellen. Er is in ieder geval geen beroep tegen de belastingaanslagen en dwangbevelen ingesteld, waardoor deze rechtens vast zijn komen te staan. Dit betekent dat er geen rechtsmiddelen meer tegen de belastingaanslagen en dwangbevelen kunnen worden aangewend en [eiser] de belastingaanslagen met bijkomende kosten moet betalen.
5.6.
[eiser] heeft aangevoerd dat bestuursrechtelijke wetten, waaronder die gaan over het betalen van belastingen, niet op hem van toepassing zijn omdat hij autonoom is geboren en zelf de keuze kan maken en heeft gemaakt dat hij niet meer meedoet met het Nederlandse systeem en zich niet meer laat vertegenwoordigen door de Nederlandse volksvertegenwoordiging. Het is echter niet mogelijk om je te onttrekken aan de in Nederland geldende wetten. Gebondenheid aan de wet is geen keuze, maar een verplichting. Alle inwoners van Nederland hebben zich aan de wet te houden en moeten belasting betalen, tenzij de wet een uitzondering geeft. De wet kent echter geen uitzondering voor de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden: dat hij zichzelf als autonoom beschouwt en zich niet gebonden acht aan de wet neemt niet weg dat hij daaraan gebonden is. [eiser] moet daarom de belastingaanslagen betalen.
De geldvordering
5.7.
[eiser] heeft zijn vordering tot betaling van het bedrag van in totaal € 13.295,03 verder niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is [eiser] gevraagd op grond waarvan hij aanspraak maakt op de verschillende posten van dat bedrag en hoe hij zijn vordering berekend heeft, maar hij heeft dit niet nader toegelicht. De vordering tot betaling van het bedrag van € 13.295,03 is daarom onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.
De vermeerdering van eis
5.8.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn eis vermeerderd door, naast zijn geldvordering, opheffing van het beslag op zijn loon te vorderen. GBTwente heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis, omdat dit volgens haar in een te laat stadium van deze procedure is gebeurd.
5.9.
Uit artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, de eisende partij bevoegd is haar eis en de grondslag daarvan te vermeerderen of te wijzigen. Alleen indien de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, kan deze buiten beschouwing worden gelaten. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling geoordeeld dat [eiser] zijn eis mocht vermeerderen en er geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Weliswaar heeft [eiser] zijn eis tot het opheffen van loonbeslag niet in het petitum van de dagvaarding genoemd, maar uit de rest van de dagvaarding valt op te maken dat hij daar ook een beroep op wil doen. De vermeerdering van eis komt dus niet voor GBTwente uit de lucht vallen. GBTwente heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling de gelegenheid gekregen om toe te lichten waarom de vordering tot het opheffen van het loonbeslag moet worden afgewezen. Het bezwaar tegen de eiswijziging is daarom verworpen.
Het loonbeslag
5.10.
Zoals eerder besproken, is [eiser] gehouden om de belastingaanslagen te betalen. Nu hij dit heeft nagelaten, is er beslag op zijn loon gelegd. [eiser] vordert opheffing van dit beslag. Hij voert daarbij aan dat hij GBTwente twee keer heeft aangeboden om de belastingaanslagen bij hem te komen innen, maar dat niemand zich bij hem heeft gemeld. Er is daarom volgens [eiser] onnodig beslag op zijn loon gelegd.
5.11.
GBTwente betwist dat er onnodig beslag op het loon van [eiser] is gelegd. [eiser] moest de belastingaanslagen betalen, maar bleef brieven sturen met vragen over de rechtsgeldigheid hiervan. GBTwente heeft vanaf de eerste belastingaanslag bijna anderhalf jaar met [eiser] gecommuniceerd en geprobeerd uit te leggen waarom de belastingaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd. GBTwente heeft daarnaast aangevoerd dat zij een belastingdeurwaarder heeft ingeschakeld die bij [eiser] thuis langs is geweest om de belastingaanslagen te innen, maar [eiser] heeft ook toen niet betaald.
5.12.
Een dwangbevel is een executoriale titel. Hierdoor kan GBTwente beslag leggen om zo betaling van de belastingen af te dwingen. Dat kan onder meer op het loon dat nog door de werkgever van [eiser] betaald moet worden. [eiser] vordert dat het beslag op zijn loon wordt opgeheven. Dit betreft een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv. Gelet op de vaste rechtspraak in dit soort zaken moet worden beoordeeld of GBTwente misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging (artikel 3:13 BW) van het dwangbevel.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van GBTwente tot dit vonnis vastgesteld op € 793,00,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2023.
HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra) en HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.