Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-10-18
ECLI:NL:RBOVE:2023:4068
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,601 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 9904257 \ CV EXPL 22-1228
Vonnis in incident van 18 oktober 2022
in de zaak van
[partij A]
,wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen [partij A],
gemachtigde: mr. F.Y. de Reus,
tegen
[partij B]
,wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen [partij B],
gemachtigde: mr. S.A. Wensing.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 mei 2022 met producties,
- de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot verwijzing van
23 augustus 2022;
- de conclusie van antwoord in het incident van 20 september 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Geschil
In de hoofdzaak
Waar gaat het over?
2.1.
In de hoofdzaak gaat het om de koop van een paard van [partij B]. [partij A] stelt dat paard te hebben gekocht van [partij B] en wenst die koop te vernietigen dan wel ontbinden. Volgens [partij A] is de kantonrechter van deze rechtbank op grond van artikel 101 Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bevoegd is om van deze procedure kennis te nemen.
In het incident
2.2.
[partij B] heeft een incident opgeworpen. [partij B] stelt dat de kantonrechter van deze rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van [partij A] kennis te nemen, omdat het geen consumentenkoop betreft en artikel 101 Rv daarom niet van toepassing is. Volgens [partij B] gaat het hier om een zakelijke transactie en stelt daartoe, kort samengevat, het volgende. [partij B] heeft het paard niet verkocht aan [partij A], maar aan paardenhandelaar mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1]). [naam 1] had hiervoor een bemiddelaar, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) ingeschakeld, die ook voor zijn diensten door [naam 1] is betaald, aldus [partij B].
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna -voor zover van belang voor de beoordeling- nader ingegaan.
Beoordeling
In het incident
3.1.
Op grond van de hoofdregel in artikel 99 Rv is de rechter van de woonplaats van de gedaagde in beginsel (relatief) bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Er zijn echter uitzonderingen op grond waarvan van die hoofdregel afgeweken kan worden. Eén van die uitzonderingen is artikel 101 Rv, dat bepaalt dat in zaken betreffende consumentenkoop de rechter van de woonplaats van de betrokken natuurlijk persoon mede bevoegd is.
3.2.
De vraag die in dit incident centraal staat is of de kantonrechter in Almelo op grond van artikel 101 Rv bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst worden beoordeeld of er al dan niet sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens dit artikel is consumentenkoop de koop met betrekking tot een roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat in deze procedure sprake is van een consumentenkoop en legt hierna uit waarom.
3.3.
In deze procedure wordt gesteld dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen [partij B] en [partij A]. Niet is geschil is, dat [partij A] een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [partij B] heeft in zijn conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot verwijzing gesteld dat hij zich bezig houdt met de in- en verkoop van paarden en kan dus worden gezien als een verkoper, die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De door [partij B] aangevoerde redenen dat er sprake zou zijn van een zakelijke transactie, zijn gelegen in de (zakelijke) positie van [naam 1] en [naam 2]. Maar door [partij A] is niet gesteld dat [naam 1] en of [naam 2] partij zijn bij de koopovereenkomst en zij zijn ook geen procespartij in deze procedure. Hun positie is daarom vooralsnog irrelevant voor de beoordeling van de door [partij A] in deze procedure opgeworpen stelling dat sprake is van een consumentenkoop tussen [partij B] en [partij A]. [partij B] heeft daarom onvoldoende gemotiveerd gesteld dat geen sprake is van een consumentenkoop en daarmee dat artikel 101 Rv niet van toepassing is. Dat betekent dat het door hem opgeworpen incident wordt afgewezen en de kantonrechter zich bevoegd oordeelt van het geschil kennis te nemen. Tussen wie de koopovereenkomst met betrekking tot het paard is gesloten, zal zo nodig worden beoordeeld in de verdere procedure.
3.4.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [partij B] in de proces en nakosten van het incident worden veroordeeld.
In de hoofdzaak
3.5.
De kantonrechter zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van
1 november 2022 voor beraad rolrechter.
Dictum
De kantonrechter
In het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [partij A] begroot op € 373,00 aan salaris gemachtigde en begroot de nakosten op € 124,00,
4.3.
verklaart de beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
In de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 november 2022 voor beraad rolrechter.
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022. (ak)