Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-10-11
ECLI:NL:RBOVE:2023:3983
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/779
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,
gemachtigde: mr. F.H. Damen,
en
Gedeputeerde Staten van Overijssel, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 9 december 2022.
Op 13 februari 2023 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek van 9 december 2022.
Op 10 maart 2023 hebben eisers bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op hun Woo-verzoek.
Op 13 april 2023 heeft verweerder een deelbesluit genomen op het Woo-verzoek van eisers.
Vanwege dit deelbesluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 juni 2023 het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Wel is in deze uitspraak aan eisers een proceskostenvergoeding toegekend.
Tegen de uitspraak van 2 juni 2023 hebben eisers verzet gedaan.
Bij uitspraak van 30 augustus 2023 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eisers voor het indienen van dat verzet.
Daarna heeft de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen op 28 september 2023 op zitting behandeld. Namens eisers was, met bericht daarvan aan de rechtbank, niemand aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2].
Overwegingen
1. In de uitspraak van 2 juni 2023 heeft de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat het procesbelang van eisers bij hun beroep wegens niet tijdig beslissen als gevolg van het deelbesluit van 13 april 2023 was komen te vervallen. Naar aanleiding van wat eisers hiertegen in verzet hebben aangevoerd, heeft de rechtbank in de uitspraak van 30 augustus 2023 geoordeeld dat deze conclusie onjuist was, omdat verweerder nog een tweede deelbesluit moest en zou nemen op het Woo-verzoek van 9 december 2022, zoals is aangekondigd in het (eerste) deelbesluit van 13 april 2023.
2. Op 10 augustus 2023 heeft verweerder het tweede deelbesluit genomen op het Woo-verzoek van 9 december 2022. De rechtbank heeft daarop aan eisers gevraagd of dit tweede deelbesluit hen aanleiding geeft om het beroep wegens niet tijdig beslissen in te trekken. Hierop hebben eisers per brief van 19 september 2023 geantwoord dat dit niet het geval is, omdat zij het niet eens zijn met het tweede deelbesluit. Bij de brief van 19 september 2023 zit tevens het bezwaarschrift van diezelfde datum, dat eisers bij verweerder hebben ingediend tegen het tweede deelbesluit.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder nu met de twee deelbesluiten wel volledig heeft besloten op het Woo-verzoek van 9 december 2022 en dat tegen die deelbesluiten inmiddels bezwaar loopt bij verweerder. Daaruit volgt dat het procesbelang van eisers bij hun beroep wegens niet tijdig beslissen nu wel is komen te vervallen. In hun brief aan de rechtbank van 6 september 2023 schrijven zij ook dat zij met de nieuwe, nog te nemen uitspraak in deze zaak - behalve de proceskostenveroordeling - niets meer kunnen bereiken. De rechtbank zal daarom het beroep van eisers niet-ontvankelijk verklaren wegens het vervallen van het procesbelang.
4. In de uitspraak van 2 juni 2023 heeft de rechtbank verweerder veroordeeld tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eisers. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden. In de uitspraak van 30 augustus 2023 is bepaald dat de uitspraak van 2 juni 2023 vervalt.
De rechtbank zal daarom voor de volledigheid in deze uitspraak opnieuw opnemen dat verweerder € 418,50 aan proceskosten en € 184,- aan griffierecht aan eisers moet betalen. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder deze bedragen voor het beroep wegens niet tijdig beslissen maar één keer hoeft te betalen en dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat deze bedragen al aan eisers zijn overgemaakt. Voor het indienen van het verzet is, zoals vermeld, in de uitspraak van 30 augustus 2023 al een proceskostenvergoeding toegekend.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eisers;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.