Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-10-04
ECLI:NL:RBOVE:2023:3938
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,652 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10688509 \ CV EXPL 23-3385
Vonnis in kort geding van 4 oktober 2023
in de zaak van
[eiser]
, h.o.d.n. [bedrijf 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T.P. Schut,
tegen
[gedaagde]
, h.o.d.n. [bedrijf 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.R. Schuldink.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 7 september 2023, - de producties van [eiser] , - de producties van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 20 september 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde] .
2Inleiding
[eiser] heeft als zzp’er in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht aan een bouwproject in Duitsland. Voor die werkzaamheden heeft [eiser] facturen naar [gedaagde] gestuurd. Een deel van deze facturen heeft [gedaagde] onbetaald gelaten. Daarom vordert [eiser] in dit kort geding betaling van die facturen.
Geschil
De vordering van [eiser]
3.1.
vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.250,44, vermeerderd met rente en beslag- en proceskosten.
3.2.
[eiser] heeft het volgende aangevoerd. In opdracht van heeft [eiser] in juli en augustus 2023 gewerkt aan een bouwproject in Duitsland. Voor die werkzaamheden heeft [eiser] facturen gestuurd naar [gedaagde] , in totaal een bedrag van € 12.645,00. [gedaagde] heeft een deel van de facturen van [eiser] betaald, in totaal een bedrag van € 3.375,00. Het overige deel van de facturen heeft [gedaagde] , ondanks aanmaning daartoe, onbetaald gelaten.
Het verweer van [eiser]
3.3.
[gedaagde] heeft de vordering van [eiser] erkend. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] echter geen spoedeisend belang bij zijn vordering, zodat deze moet worden afgewezen.
Beoordeling
3.4.
De kantonrechter stelt voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
3.5.
De kantonrechter is van oordeel dat aan de voor deze procedure vereiste spoedeisendheid is voldaan, nu de vordering ziet op het inkomen van [eiser] om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, zodat de spoedeisendheid uit de aard van de vordering voortvloeit.
3.6.
Nu [gedaagde] de vordering van [eiser] heeft erkend en de kantonrechter van oordeel is dat er wel degelijk sprake is van een spoedeisend belang aan de kant van [eiser] , zal de vordering worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
3.7.
[eiser] heeft in zijn vordering ook een bedrag aan rente en buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. De kantonrechter zal dit deel van de vordering eveneens toewijzen, omdat deze op de wet is gebaseerd en overigens ook niet door [gedaagde] is bestreden. Al met is de kantonrechter van oordeel dat een bedrag van (€ 12.645,00 plus € 78,99 plus € 901,45 minus € 3.375 maakt) € 10.250,44 voorlopig toewijsbaar is.
Tot slot
3.8.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
110,55
- griffierecht
€
244,00
- salaris gemachtigde
€
529,00
Totaal
€
883,55
3.9.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.250,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 september 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 883,55,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 132,00 aan salaris gemachtigde,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2023. (wv)