Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-08-29
ECLI:NL:RBOVE:2023:3551
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,025 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10450124 \ CV EXPL 23-1425
Vonnis van 29 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 mei 2023,
- de mondelinge behandeling van 17 augustus 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] een achterstand heeft in de huurbetalingen en, als dat het geval is, of hij het bedrag van die huurachterstand aan [eiser] moet betalen. De kantonrechter beantwoordt beide vragen bevestigend. Zij zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Feiten
3.1.
[eiser] heeft de bedrijfsruimte aan de [adres] verhuurd aan [gedaagde] om te worden gebruikt als supermarkt. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, namelijk van 1 oktober 2019 tot en met 1 oktober 2024.
3.2.
[gedaagde] heeft de huurovereenkomst tussentijds opgezegd. Hij heeft het pand op 10 december 2022 verlaten. [eiser] is met deze gang van zaken akkoord gegaan onder de voorwaarde dat de huur van het pand per 1 januari 2023 zou eindigen.
3.3.
[gedaagde] heeft het huurbedrag van € 1.210,00 over de maanden november 2021, december 2021, oktober 2022, november 2022 en december 2022 niet betaald. Ook is [gedaagde] , op een eenmalige betaling van € 2.000,00 na, gemaakte betalingsregelingen met [eiser] niet nagekomen.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert betaling van € 4.413,00, met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit € 6.050,00 aan achterstallige huur en € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met de deelbetaling van [gedaagde] van € 2.000,00.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.
4.3.
[gedaagde] erkent dat hij een huurachterstand heeft over de maanden oktober 2022 en november 2022, maar betwist dat ten aanzien van de maanden november 2021, december 2021 en december 2022.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De huurachterstand
5.1.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] geen huur heeft betaald over de maanden november 2021, december 2021, oktober 2022, november 2022 en december 2022. Ten aanzien van de maanden oktober 2022 en november 2022 heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Daarmee is komen vast te staan dat de vordering van [eiser] voor dat deel kan worden toegewezen.
5.2.
Met betrekking tot de maanden november 2021 en december 2021 heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat [eiser] de huur in verband met het coronavirus heeft kwijtgescholden. [eiser] heeft erkend dat dat het geval was, maar heeft daarbij de kanttekening geplaatst dat daaraan de voorwaarde was verbonden dat [gedaagde] zijn huur vanaf januari 2022 tijdig en volledig zou voldoen. Omdat [gedaagde] die verplichting niet is nagekomen, wil [eiser] alsnog aanspraak maken op betaling van de huur van november 2021 en december 2021. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft weersproken dat de kwijtschelding voorwaardelijk was, zodat zij dat als vaststaand feit zal beschouwen. Aangezien onder 5.1. is vastgesteld dat [gedaagde] zich niet aan de voorwaarde om de huur op tijd en volledig te betalen heeft gehouden, is de vordering voor dat deel toewijsbaar.
5.3.
Ten aanzien van de maand december 2022 heeft [gedaagde] bepleit dat hij geen huur verschuldigd is, omdat zijn winkel toen al was gesloten. De kantonrechter overweegt dat dat wellicht zo mag zijn, maar dat [gedaagde] voorbij gaat aan de e-mail van 2 december 2022, waarin de met hem gemaakte afspraak is bevestigd dat de huur van het pand per 1 januari 2023 zal eindigen. Dat betekent dat [gedaagde] ook de huur over december 2022 moet betalen. De kantonrechter merkt ten overvloede op dat [eiser] als verhuurder zeer schappelijk is geweest tegenover [gedaagde] , gezien het feit dat de huurovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor de duur van vijf jaren en [eiser] er dus ook voor had kunnen kiezen om niet akkoord te gaan met een opzegging vóór het einde van de periode.
5.4.
De conclusie is dat de vordering van [eiser] tot betaling van € 6.050,00 toewijsbaar is. De deelbetaling van [gedaagde] van € 2.000,00 wordt daarop in mindering gebracht. Op grond van artikel 6:44 BW strekt deze betaling in de eerste plaats in mindering op de kosten, vervolgens in mindering op de verschenen rente en ten slotte in mindering op de hoofdsom en de lopende rente. Tot slot is ook de gevorderde en niet betwiste wettelijke rente over de hoofdsom toewijsbaar.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van
€ 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De proceskosten
5.6.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
107,84
- griffierecht
€
244,00
- salaris gemachtigde
€
528,00
(2 punten × € 264,00)
Totaal
€
879,84
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.413,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.050,00, met ingang van 29 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 879,84,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2023. (ED)