Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-08-08
ECLI:NL:RBOVE:2023:3343
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,980 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 10408986 CV EXPL 23-1185
Vonnis van 8 augustus 2023
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [website],wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde]
,wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.
1Inleiding en samenvatting
1.1.
[eiser] vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 120,- te vermeerderen met rente en kosten, voor een afspraak voor het zetten van hairextensions waarbij [gedaagde] niet is verschenen.
1.2.
De kantonrechter zal de vordering van [eiser] voor een belangrijk deel toewijzen en zal hierna uitleggen waarom.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[gedaagde] heeft via de boekingsmodule op de website van [eiser] een afspraak gemaakt voor het zetten van hairextensions op 1 november 2022 om 10:00 uur. Voor de afspraak was twee uur ingepland.
3.2.
Onderaan de boekingsmodule op de website van [eiser] staat het volgende:
“NB: Zoals je wel begrijpt reserveren wij tijd voor je, en maken wij ook kosten daarvoor (bijvoorbeeld door een kapper voor je in te huren). Natuurlijk kan er altijd wat tussenkomen, daar hebben we alle begrip voor, maar zeg dan minimaal 24 uur van te voren af! Bij afzeggingen korter van te voren of bij no-shows (op het aanvangstijdstip van de afspraak) behouden we ons het recht voor om € 15,- per geboekt kwartier in rekening te brengen.
Op al onze diensten zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing die te vinden zijn op onze website.”
3.3.
[gedaagde] is niet op de afspraak op 1 november 2022 verschenen. Op 1 november 2022 heeft [eiser] per whatsapp-bericht een factuur van € 120,- voor ‘no-show’ aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft per whatsapp-bericht gereageerd dat zij de afspraak heeft afgezegd omdat zij ziek was. Bij e-mail van 19 december 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] betaling van het bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, gevorderd.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 160,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 120,- vanaf 8 maart 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] verweert zich tegen de vorderingen van [eiser] en vindt dat deze afgewezen moeten worden.
Beoordeling
5.1.
Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiser] -samengevat- aan dat [gedaagde] via de boekingsmodule een twee uur durende afspraak heeft gemaakt, dat [eiser] daarvoor een werkneemster heeft ingepland en dat [gedaagde] niet is komen opdagen, althans dat [gedaagde] de afspraak te laat heeft geannuleerd. Op basis van artikel 13 van de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, is [gedaagde] in dat geval de ‘no-show vergoeding’ van € 15,- per geboekt kwartier (€ 120,- in totaal) verschuldigd.
5.2.
[gedaagde] is het niet eens met de stellingen van [eiser]. [gedaagde] voert aan dat zij verhinderd was om naar de afspraak te komen omdat zij op dezelfde dag positief was getest op Covid-19. Volgens [gedaagde] heeft zij meerdere keren naar de salon gebeld om de afspraak af te zeggen, maar werd er niet opgenomen en heeft zij de afspraak per sms-bericht op 1 november 2022 afgezegd. Tot slot voert zij aan dat er sprake was van overmacht omdat zij positief was getest op Covid-19.
5.3.
de kantonrechter oordeelt als volgt.
[gedaagde] is op basis van de algemene voorwaarden een vergoeding verschuldigd
5.4.
De kantonrechter overweegt dat op de overeenkomst de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing zijn. Zoals [eiser] heeft aangevoerd staat onderaan de boekingsmodule, voordat de afspraak kan worden ingepland, dat de algemene voorwaarden op alle diensten van toepassing zijn. Ook zijn de voorwaarden in te zien via een link die onderaan de boekingsmodule is geplaatst en is nog expliciet gewezen op de ‘no-show’ regeling. Op grond van artikel 13 van de algemene voorwaarden kan [eiser] een bedrag van € 15,- per geboekt kwartier in rekening brengen wanneer de klant niet verschijnt op de afspraak, of de afspraak korter dan 24 uur van tevoren annuleert.
5.5.
[gedaagde] stelt dat zij de afspraak tijdig, op 1 november 2022 heeft geannuleerd. Dit wordt door [eiser] betwist. Volgens [eiser] heeft de kapster gewacht op [gedaagde] en is er niet naar de salon gebeld. Daarnaast heeft [gedaagde] het sms-bericht naar een geautomatiseerd systeem gestuurd, waardoor het bericht niet kon worden afgeleverd. Dat het bericht niet was aangekomen was voor [gedaagde] direct zichtbaar, aldus [eiser]. De kantonrechter oordeelt als volgt. Er kan in het midden blijven of [gedaagde] de afspraak heeft afgezegd en of de afzegging [eiser] ook heeft bereikt. Vast staat dat de afzegging – voor zover deze heeft plaatsgevonden – op de dag van de afspraak is gedaan. De afspraak is daarom minder dan 24 uur voor de afspraak geannuleerd. Uit artikel 13 van de algemene voorwaarden volgt dat de opdrachtgever in dat geval een vergoeding van € 15,- per geboekt kwartier verschuldigd is.
5.6.
Omdat de overeenkomst is gesloten tussen [gedaagde] als consument en [eiser] die handelt in het kader van haar bedrijf, vallen de overeenkomst en (artikel 13 van) de algemene voorwaarden onder de werking van de Europese Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Gelet daarop moet de kantonrechter ambtshalve, dus ook als dat niet door een van de partijen is aangevoerd, beoordelen of het annuleringsbeding waarop [eiser] een beroep doet, oneerlijk of onredelijk bezwarend is.
5.7.
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW) tot stand is gekomen op basis waarvan [eiser] hairextensions zou plaatsen bij [gedaagde]. Op grond van artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen. De particuliere opdrachtgever is in dat geval op grond van artikel 7:408 lid 3 BW niet schadeplichtig. Uit artikel 7:406 lid 1 BW volgt dat de opdrachtgever bij een opzegging alleen gehouden is tot het vergoeden van de onkosten verbonden aan de uitvoering van die opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding in artikel 13 van de algemene voorwaarden van [eiser] niet in strijd is met de hiervoor genoemde wettelijke regels. [eiser] heeft toegelicht dat zij voor de afspraak een medewerkster heeft vrijgehouden en ook in de boekingsmodule staat dat de afspraak op tijd moet worden afgezegd omdat er kosten worden gemaakt (zoals het inhuren van een kapster) voor een ingeplande afspraak. Omdat het een vast bedrag per kwartier betreft (en de hoogte daarvan niet afhankelijk is van de prijs van de behandeling of het moment van annulering) en het de kantonrechter niet gebleken is dat de hoogte van de no-show vergoeding hoger is dan de door [eiser] gemaakte kosten, is het beding naar het oordeel van de kantonrechter niet onrechtmatig.
5.9.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat er sprake was van overmacht omdat zij op het moment van de afspraak ziek was. Dat verweer gaat niet op. Een geslaagd beroep op overmacht leidt ertoe dat een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend en hij daarom geen schadevergoeding verschuldigd is. [eiser] vordert in deze procedure echter geen schadevergoeding op basis van een tekortkoming in de nakoming, maar vordert een vergoeding van de gemaakte kosten na opzegging van een overeenkomst van opdracht. Zoals onder 5.7. is opgenomen mag de particuliere opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen zonder dat hij schadeplichtig wordt, maar is hij in dat geval wel gehouden de gemaakte kosten te vergoeden. Dat betekent dat ook indien het beroep op overmacht zou slagen, [gedaagde] alsnog gehouden is de door [eiser] gemaakte kosten te vergoeden.
5.10.
[gedaagde] voert tot slot aan dat zij na de e-mail die zij op 19 december 2022 aan de gemachtigde van [eiser] heeft gestuurd, waarin zij schrijft dat het bedrag ten onrechte in rekening is gebracht, niet meer van [eiser] heeft vernomen. Zij mocht er daarom vanuit gaan dat zij de factuur niet meer hoefde te betalen en dat [eiser] geen procedure zou starten. Dit verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] heeft een e-mail van 22 december 2022 overgelegd waarin haar gemachtigde reageert op de e-mail van [gedaagde] en schrijft dat [gedaagde] de ‘no-show’ vergoeding wel verschuldigd is. [eiser] heeft ook meerdere incassobrieven overgelegd die daarna zijn verstuurd. Of [gedaagde] de e-mail van 22 december 2022 en de daaropvolgende brieven van de gemachtigde heeft ontvangen, laat de kantonrechter in het midden. Nadat meerdere keren schriftelijk (per whatsapp- en e-mailbericht) verzocht was om betaling van de factuur, mocht [gedaagde] er bij het uitblijven van een reactie namelijk niet zonder meer op vertrouwen dat zij de factuur niet meer hoefde te betalen en dat [eiser] geen procedure zou starten.
Buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
5.11.
Voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is dat anders. De incassokosten zijn op grond van artikel 6:96 lid 6 BW pas verschuldigd wanneer de gedaagde is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. Deze aanmaning is aan te merken als een verklaring in de zin van artikel 3:37 lid 3 BW. Daardoor heeft deze aanmaning pas werking als deze de gedaagde heeft bereikt. Op de eiser rusten de stelplicht en bewijslast dat aan de artikelen van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. Omdat [gedaagde] de ontvangst van de brief heeft betwist, moet [eiser] concrete feiten en omstandigheden stellen en bewijzen waaruit blijkt dat de brief is verzonden en is ook is aangekomen, bijvoorbeeld door een verzend- en ontvangstbewijs van een aangetekende brief over te leggen.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 120,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 120,-, vanaf 8 maart 2023, tot aan de volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis begroot op € 274,70,-,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2023. (MB)