Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-08-15
ECLI:NL:RBOVE:2023:3338
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,513 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10372354 \ CV EXPL 23-891
Vonnis van 15 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam High Quality Nursing,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
SOLVA BEWINDVOERING B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [gedaagde],
te Zwolle,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
Feiten
2.1.
Op 11 december 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 1.025,00 overgemaakt aan [gedaagde].
2.2.
Op dezelfde dag heeft [gedaagde] dit bedrag overgemaakt naar zijn zus [naam 1].
Geschil
Wat wil [eiser]?
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.175,00, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] wil dat [gedaagde] het bedrag van € 1.025,00 terugbetaalt en dat hij de buitengerechtelijke incassokosten die [eiser] heeft moeten maken vergoedt.
Wat vindt [gedaagde] daarvan?
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] stelt dat hij geen geld heeft geleend van [eiser] en dat [eiser] bij [naam 1] moet zijn, omdat zij het geld heeft gekregen.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, omdat zij de grondslagen voor haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd en legt dat hierna uit.
Geen overeenkomst van geldlening
4.2.
[eiser] vordert betaling van € 1.025,00 en stelt daarvoor allereerst dat zij dit bedrag aan [gedaagde] zou hebben geleend. De kantonrechter is van oordeel dat niet komt vast te staan dat [eiser] het geldbedrag aan [gedaagde] heeft geleend en dat er om die reden op [gedaagde] een verplichting rust om een overeenkomstig bedrag terug te betalen. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
4.3.
Bij de overboeking van [eiser] aan [gedaagde] op 11 december 2021 staat niets vermeld over een lening. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat het een lening aan hem betreft. Hij voert aan dat hij het geld op verzoek van [eiser] heeft overgemaakt aan zijn zus op Curaçao, die het geld nodig had voor zijn broertje [naam 2]. Dit komt overeen met wat [eiser] zelf in de dagvaarding stelt, namelijk dat het bedrag van € 1.025,00 een lening was aan [naam 2] en dat [eiser] het geld had gestuurd naar het adres van de zus van [gedaagde], die op Curaçao woont. Dat het bedrag door [gedaagde] daadwerkelijk aan zijn zus is overgemaakt is door [eiser] niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van deze feiten.
4.4.
Volgens [eiser] zou [gedaagde] het bedrag aan haar terugbetalen. Zij stelt daarvoor in de dagvaarding dat [gedaagde] en zijn zus op 18 juni 2022 met de politie van Curaçao hebben afgesproken dat zij contact zouden opnemen met [eiser] om afspraken te maken over de terugbetaling van de € 1.025,00 en dat de zus van [gedaagde] [eiser] op 27 juni 2022 vervolgens heeft doorverwezen naar [gedaagde]. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit niet volgt dat met [gedaagde] is overeengekomen dat hij het bedrag zou terugbetalen. In dupliek komt [eiser] met een ander verhaal, namelijk dat [gedaagde] bij de politie op Curaçao zou hebben aangegeven dat hij het geld zelf zou terugbetalen. Dit is door [gedaagde] betwist. Hij wijst erop dat [eiser] niet bij hem, maar bij zijn zus moet zijn. In het licht van deze betwisting en gelet op de wisselende verklaringen van [eiser] over wat er is afgesproken en met wie, is onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat is afgesproken dat [gedaagde] het geld zou terugbetalen.
Geen onverschuldigde betaling
4.5.
[eiser] stelt verder dat [gedaagde] – als hij het geld niet wilde lenen – het geld terug had moeten storten op de rekening van [eiser]. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt dat het bedrag onverschuldigd is betaald, overweegt de kantonrechter het volgende.
4.6.
Voor een geslaagd beroep op onverschuldigde betaling moet [eiser] voldoende onderbouwd stellen dat zij het bedrag zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. Daarin is zij niet geslaagd, want partijen zijn het erover eens dat het geld is betaald aan de zus van [gedaagde]. [gedaagde] heeft het geld slechts ontvangen onder de voorwaarde dat hij het aan zijn zus op Curaçao zou doorbetalen en dat heeft hij ook gedaan.
De proceskosten
4.7.
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil, omdat hij zich niet door een professioneel gemachtigde heeft laten bijstaan.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2023.