Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-08-07
ECLI:NL:RBOVE:2023:3175
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,116 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.225526.22 (P)
Datum tussenvonnis: 7 augustus 2023
Tussenvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan de [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juli 2023.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Lambregts en van wat door verdachte en haar raadsman mr. P.W. Hermens, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 21 december 2020 tot en met 8 november 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die belastingfraude en valsheid in geschrifte pleegde en zich bezig hield met (gewoonte)witwassen;
feit 2: in de periode van 1 november 2021 tot en met 19 april 2022 als ambtenaar bij de Belastingdienst (belasting)geld heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat (belasting)geld door anderen werd weggenomen/verduisterd;
feit 3: in de periode van 21 december 2020 tot en met heden een bedrag van € 72.670,- heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
zij in of omstreeks de periode van 21 december 2020 tot en met 8 november 2022 teAmsterdam, Rotterdam, Den Haag, Almere en/of Apeldoorn, in elk geval inNederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen te weten:
1. [verdachte] (V-01);]2. [medeverdachte 1] (V-02);3. [medeverdachte 2] (V-03);4. [medeverdachte 3] (V-04);5. [medeverdachte 4] (V-05);6. [medeverdachte 5] (V-06);7. [medeverdachte 6] (V-07);8. [medeverdachte 7] (V-08);9. [medeverdachte 8] (V-09);10. [medeverdachte 9] (V-10);11. [medeverdachte 10] (V-11);12. [medeverdachte 11] (V-12);13. [medeverdachte 12] (V-13);14. [medeverdachte 13] (V-14);15. [medeverdachte 14] (V-15);16. [medeverdachte 15] (V-16);17. [medeverdachte 18] (V-17);18. [medeverdachte 16] (V-18), en/of19. [medeverdachte 17] (V-19),
al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:a. het opzettelijk doen/en of laten indienen van een of meerdere onjuiste aangiftenomzetbelasting;b. het valselijk doen en/of laten opmaken van een of meerdere aangiften omzetbelasting en/ofc. het plegen van (gewoonte)witwassen;
feit 2
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks 1 november 2021 tot en met 19 april2022 in Amsterdam, Almere en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,
als ambtenaar,
opzettelijk (belasting)geld dat zij in haar bediening onder zich had,
heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat dat (belasting)geld door anderen werd weggenomen of verduisterd,
door als ambtenaar bij de Belastingdienst werkzaam op de administratie omzetbelasting te Amsterdam,
een of meerdere (onjuiste) teruggaven/aangiften omzetbelasting uit te doen/laten betalen en/of met openstaande belastingschulden te doen/laten verrekenen;
feit 3
zij in of omstreeks de periode van 21 december 2020 tot en met heden in Almere,Den Haag, Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,een geldbedrag van in totaal € 72.670 aan terugontvangen en/of verrekende omzetbelasting, in elk geval een of meer geldbedragen,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaaktterwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
3Voorgelegde procesafspraken
Bij e-mail van 20 juni 2023 heeft de officier van justitie aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat hij en de verdediging afdoeningsafspraken hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.
Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank is voorgelegd, houdt concreet in dat verdachte géén verweer voert tegen de aan haar tenlastegelegde feiten en:
verdachte bekent de aan haar tenlastegelegde feiten;
het openbaar ministerie (hierna: OM) eist ter terechtzitting een gevangenisstraf van 9 (negen) weken waarvan 6 (zes) voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, een taakstraf van 240 (tweehonderdenveertig) uur te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis en het verbod om gedurende 5 (vijf) jaar als ambtenaar te werken;
tegen voornoemde strafeis voert de verdediging géén verweer;
verdachte en het OM doen afstand van hoger beroep;
deze procesafspraken gelden slechts indien en voor zover die gevolgd worden door de rechtbank.
4De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend
bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweer gevoerd.
5Hervatting van het onderzoek
De rechtbank kan in deze zaak nog niet tot een einduitspraak komen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Ook indien er een afdoeningsvoorstel wordt overgelegd, moet de rechter de zaak beoordelen met inachtneming van het beslissingsmodel zoals opgesomd in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1252 d.d. 27-09-2022).
Tijdens de beraadslaging is de rechtbank, gelet op hetgeen bij de behandeling ter zitting door partijen is verklaard en voorts is besproken, gebleken dat voorshands niet tot een bewezenverklaring van feit 2 kan worden gekomen. Alleen hierom al kan het afdoeningsvoorstel – nog – niet worden gevolgd.
Als feit 2 is ten laste gelegd het misdrijf van artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel luidt als volgt:
De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die opzettelijk geld of geldswaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Van verduistering in de zin van artikel 359 Sr is sprake bij onttrekking van gelden aan de bestemming van die gelden.
Dictum
De rechtbank:
- heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;
- beveelt de oproeping van verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting en
kennisgeving van die datum en het tijdstip aan zijn raadsman;
- stelt de stukken in handen van de officier van justitie.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, en mrs. M. van Berlo en J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2023.
Buiten staat
Mr. M. van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.