Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-06-29
ECLI:NL:RBOVE:2023:2663
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,270 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 9683825 EL 22-2
Vonnis van de kantonrechter van 29 juni 2023
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [partij A] en Dexia genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 3 februari 2022;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
1.2.
Dexia heeft de gelegenheid gekregen om een beknopte akte te nemen naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.
2
Feiten
2.1.
Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland, Bank Labouchere en Legio Lease. Waar sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.
2.2.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop [partij A] als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
22602866
16-10-2001
Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling
180 mnd
€ 57.342,60
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
07-11-2006
+ € 3.068,74
Ja
2.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de leaseovereenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.610,17 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. [partij A] heeft € 3.502,24 aan dividenden ontvangen. Op 7 november 2006 heeft Dexia het (positieve) resultaat van € 3.068,74 aan [partij A] uitbetaald.
2.5.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 24 oktober 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
2.6.
Bij brief van 19 november 2014 heeft Dexia [partij A] uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. [partij A] heeft hierop niet gereageerd.
3De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
3.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
2. voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [partij A] te vergoeden, 3. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
4. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] , met rente 6. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. voor recht zal verklaren dat dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten overeenkomst met nummer 22602866 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] verschuldigd is,
2. [partij A] zal veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4
Beoordeling
25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
4.2.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van
28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815),
29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en
12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van
1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.verjaring 4.4. Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] in verband met een schending van artikel 41 NR 1999 inmiddels verjaard is. Dit verweer kan niet worden gevolgd. In de uitspraken van diverse rechtbanken in het recente verleden zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op (onder andere) de volmacht van Leaseproces, de klachtplicht en verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigde van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
4.5.
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar
Select. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) is opnieuw geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens – naar de aanbieder wist of behoorde te weten - als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995. De Hoge Raad heeft daarbij, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn.
Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toege-sneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia en de vergunningplichtige advisering beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
4.7.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
In deze zaak gaat het om [partij A] die – op advies van een financieel adviseur van Spaar Select – een Overwaarde Effect overeenkomst heeft afgesloten bij Bank Labouchere.
[partij A] is telefonisch benaderd door Spaar Select. Een medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak in te plannen om de financiële situatie van [partij A] te bespreken met een financieel adviseur. [partij A] heeft hiermee ingestemd. Er is vervolgens een afspraak ingepland met een financieel adviseur, te weten de heer [naam] (hierna te noemen: de adviseur). Er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken met de adviseur plaatsgevonden thuis bij [partij A] . Tijdens de gesprekken heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen van [partij A] . Daarbij kwam de hypothecaire situatie van [partij A] ter sprake. Er is met de adviseur gesproken over de wens van [partij A] om vermogen op te bouwen om zijn pensioen aan te vullen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde [partij A] om een Overwaarde Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde [partij A] vervolgens over een constructie om de overwaarde op het woonhuis van [partij A] op te nemen middels een hypothecaire lening. De adviseur adviseerde [partij A] om een derde hypotheek af te sluiten ter hoogte van ongeveer NLG 94.400,00, waarmee de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect overeenkomst kon worden voldaan. De adviseur adviseerde [partij A] om een Overwaarde Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 33.600,00. Tevens adviseerde de adviseur [partij A] om met een deel van de derde hypotheek een beleggingsrekening bij Kempen & Co te openen. De adviseur vertelde dat [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen kon opbouwen, waardoor [partij A] de hypotheek versneld kon aflossen en daarna nog voldoende zou overhouden om zijn pensioen aan te kunnen vullen. De adviseur vertelde [partij A] dat het rendement na enkele jaren al zo hoog zou zijn dat er bij beëindiging een bedrag zou worden uitgekeerd dat vele malen hoger zou zijn dan de totaal betaalde inleg. Met de voorgespiegelde rendementen konden de doelstellingen van [partij A] gegarandeerd behaald worden. Ten aanzien van de fondsen gaf de adviseur aan dat er belegd zou gaan worden in betrouwbare fondsen. De adviseur heeft de rendementen zeer rooskleurig aan [partij A] voorgeschoteld. Er is geenszins rekening gehouden met minder hoge of zelfs negatieve rendementen, en over tegenvallende resultaten is in het geheel niet gesproken. De adviseur gaf aan dat de aandelenkoersen vanwege de aanslagen van 11 september 2001 zeer laag stonden, en dat het derhalve het juiste moment was om 'in te stappen'.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.2.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.14.,
5.3.
veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, aan de zijde van [partij A] tot op heden vastgesteld op:
a. kosten dagvaarding € 125,03
b. griffierecht € 693,00
c. salaris gemachtigde € 660,00
€ 1.478,03,
5.4.
veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [partij A] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 132,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot voldoening aan dit vonnis, alsmede te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen af,
5.8.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij A] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. M. van Walraven, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van
29 juni 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
type: FG
coll: JS
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 9683825 EL 22-2
Vonnis van de kantonrechter van 29 juni 2023
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [partij A] en Dexia genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 3 februari 2022;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
1.2.
Dexia heeft de gelegenheid gekregen om een beknopte akte te nemen naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.
2
Feiten
2.1.
Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland, Bank Labouchere en Legio Lease. Waar sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.
2.2.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop [partij A] als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
22602866
16-10-2001
Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling
180 mnd
€ 57.342,60
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
07-11-2006
+ € 3.068,74
Ja
2.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de leaseovereenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.610,17 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. [partij A] heeft € 3.502,24 aan dividenden ontvangen. Op 7 november 2006 heeft Dexia het (positieve) resultaat van € 3.068,74 aan [partij A] uitbetaald.
2.5.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 24 oktober 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
2.6.
Bij brief van 19 november 2014 heeft Dexia [partij A] uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. [partij A] heeft hierop niet gereageerd.
3De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
3.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
2. voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [partij A] te vergoeden, 3. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
4. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] , met rente 6. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. voor recht zal verklaren dat dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten overeenkomst met nummer 22602866 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] verschuldigd is,
2. [partij A] zal veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4
Beoordeling
25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
4.2.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van
28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815),
29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en
12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van
1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.verjaring 4.4. Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] in verband met een schending van artikel 41 NR 1999 inmiddels verjaard is. Dit verweer kan niet worden gevolgd. In de uitspraken van diverse rechtbanken in het recente verleden zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op (onder andere) de volmacht van Leaseproces, de klachtplicht en verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigde van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
4.5.
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar
Select. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) is opnieuw geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens – naar de aanbieder wist of behoorde te weten - als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995. De Hoge Raad heeft daarbij, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn.
Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toege-sneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia en de vergunningplichtige advisering beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
4.7.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
In deze zaak gaat het om [partij A] die – op advies van een financieel adviseur van Spaar Select – een Overwaarde Effect overeenkomst heeft afgesloten bij Bank Labouchere.
[partij A] is telefonisch benaderd door Spaar Select. Een medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak in te plannen om de financiële situatie van [partij A] te bespreken met een financieel adviseur. [partij A] heeft hiermee ingestemd. Er is vervolgens een afspraak ingepland met een financieel adviseur, te weten de heer [naam] (hierna te noemen: de adviseur). Er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken met de adviseur plaatsgevonden thuis bij [partij A] . Tijdens de gesprekken heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen van [partij A] . Daarbij kwam de hypothecaire situatie van [partij A] ter sprake. Er is met de adviseur gesproken over de wens van [partij A] om vermogen op te bouwen om zijn pensioen aan te vullen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde [partij A] om een Overwaarde Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde [partij A] vervolgens over een constructie om de overwaarde op het woonhuis van [partij A] op te nemen middels een hypothecaire lening. De adviseur adviseerde [partij A] om een derde hypotheek af te sluiten ter hoogte van ongeveer NLG 94.400,00, waarmee de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect overeenkomst kon worden voldaan. De adviseur adviseerde [partij A] om een Overwaarde Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 33.600,00. Tevens adviseerde de adviseur [partij A] om met een deel van de derde hypotheek een beleggingsrekening bij Kempen & Co te openen. De adviseur vertelde dat [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen kon opbouwen, waardoor [partij A] de hypotheek versneld kon aflossen en daarna nog voldoende zou overhouden om zijn pensioen aan te kunnen vullen. De adviseur vertelde [partij A] dat het rendement na enkele jaren al zo hoog zou zijn dat er bij beëindiging een bedrag zou worden uitgekeerd dat vele malen hoger zou zijn dan de totaal betaalde inleg. Met de voorgespiegelde rendementen konden de doelstellingen van [partij A] gegarandeerd behaald worden. Ten aanzien van de fondsen gaf de adviseur aan dat er belegd zou gaan worden in betrouwbare fondsen. De adviseur heeft de rendementen zeer rooskleurig aan [partij A] voorgeschoteld. Er is geenszins rekening gehouden met minder hoge of zelfs negatieve rendementen, en over tegenvallende resultaten is in het geheel niet gesproken. De adviseur gaf aan dat de aandelenkoersen vanwege de aanslagen van 11 september 2001 zeer laag stonden, en dat het derhalve het juiste moment was om 'in te stappen'.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.2.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.14.,
5.3.
veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, aan de zijde van [partij A] tot op heden vastgesteld op:
a. kosten dagvaarding € 125,03
b. griffierecht € 693,00
c. salaris gemachtigde € 660,00
€ 1.478,03,
5.4.
veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [partij A] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 132,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot voldoening aan dit vonnis, alsmede te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen af,
5.8.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij A] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. M. van Walraven, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van
29 juni 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
type: FG
coll: JS
Beoordeling
De adviseur heeft [partij A] niet geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met een lening (de hypotheek) de rentelasten voor een andere lening (de effectenleaseovereenkomst) werd betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [partij A] had geweten van deze risico's, had hij deze overeenkomst niet afgesloten. [partij A] had geen ervaring met beleggen en geen kennis van complexe financiële producten. [partij A] vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur en heeft het advies opgevolgd. De adviseur heeft het aanvraagformulier ingevuld en tijdens een huisbezoek door [partij A] laten ondertekenen. De adviseur heeft het aanvraagformulier meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. De adviseur heeft de overeenkomst tijdens een volgend huisbezoek laten ondertekenen door [partij A] . De adviseur heeft de overeenkomst meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. De adviseur heeft tevens de aanvraag van de hypotheek verzorgd. [partij A] heeft een Overwaarde Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 33.698,25. Daarnaast heeft [partij A] een beleggingsrekening bij Kempen & Co geopend met een inleg ter hoogte van NLG 38.300,48. [partij A] heeft conform het advies een tweede hypotheek van NLG 94.399,99 afgesloten bij de Rabobank.
4.8.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie een Aanvraagformulier Effectenlease van Spaar Select op naam van [partij A] van 5 september 2001, waarop het Overwaarde Effect zonder herbelegging product is ingevuld, voorzien van (handgeschreven) het contractnummer 22602866, naam adviseur: [naam], het adviseursnummer: ATP1204, een stempel met de tekst: SpaarSelect Almelo, [naam] (…) en – per fax – doorgezonden naar Labouchere door Spaar Select Twente,
- een kopie van de overeenkomst Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling van 16 oktober 2001 met contractnummer 22602866, voorzien van het adviseursnummer: ATP01204-Spaar Select B.V. en een stempel met de tekst: SpaarSelect Almelo, [naam] (…),
- een kopie van een brief van SuwijnLedeboer Notarissen aan [partij A] van 11 oktober 2001, waarin onder meer vermeld staat: “ Geachte heer [partij A] , Van Spaar Select ontving ik het bericht van een hypotheek te uwen name (…),
- een kopie van een (concept)hypotheekakte van 17 oktober 2001 van SuwijnLedeboer Notarissen op naam van [partij A] ,
- een kopie van een nota van afrekening van SuwijnLedeboer Notarissen van 23 oktober 2001, gericht aan [partij A] , met betrekking tot een hypotheek t.b.v. Postbank N.V.,
- een kopie van een brief van Spaar Select van 2 november 2011 aan [partij A] , waarin onder meer te lezen is dat de aanvraag voor deelname in het Euro Aandelenfonds wordt bevestigd en dat er voor [partij A] een beleggingsrekening is geopend, op welke rekening een storting zal plaatsvinden via de notaris na het passeren van de hypotheekakte.
4.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [partij A] voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van [partij A] gericht financieel advies van de adviseur van de tussenpersoon om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. In elk geval is voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een huisbezoek door de tussenpersoon. Zowel het aanvraagformulier als de overeenkomst dragen de naam van deze adviseur van Spaar Select, zodat er geen reden is om niet aan te nemen dat hij persoonlijk contact heeft gehad met [partij A] . Zonder aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon daarbij (ook) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van [partij A] . Ook kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van [partij A] heeft geadviseerd het product aan te schaffen.
Tevens is voldoende onderbouwd dat de tussenpersoon ook een ander financieel product heeft geadviseerd, zoals een hypotheek(verhoging) en het deelnemen in een aandelenfonds. Voorts is voldoende onderbouwd dat de hypotheekaanvraag ook via Spaar Select is verlopen. Er kan dan eveneens vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon zich niet heeft beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten. Tegenover de concreet toegelichte stellingen van [partij A] heeft Dexia, gelet op de hiervoor genoemde motiveringseisen, haar verweer – waaronder de betwisting van het huisbezoek – onvoldoende onderbouwd. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de motiveringsplicht. Hieruit volgt dat als vaststaand wordt aangenomen dat van een vergunningplichtig advies door de tussenpersoon sprake is geweest. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Hetgeen Dexia in dit verband heeft aangevoerd maakt het voorgaande niet anders.
wetenschap Dexia
4.10.
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [partij A] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen, zoals Spaar Select, op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure anders te oordelen.
4.11.
Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [partij A] , had het, gelet op wat hiervoor is overwogen, op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van een leaseovereenkomst, zoals in dit geval de overeenkomst met [partij A] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [partij A] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [partij A] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
4.12. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Beoordeling
De adviseur heeft [partij A] niet geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met een lening (de hypotheek) de rentelasten voor een andere lening (de effectenleaseovereenkomst) werd betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [partij A] had geweten van deze risico's, had hij deze overeenkomst niet afgesloten. [partij A] had geen ervaring met beleggen en geen kennis van complexe financiële producten. [partij A] vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur en heeft het advies opgevolgd. De adviseur heeft het aanvraagformulier ingevuld en tijdens een huisbezoek door [partij A] laten ondertekenen. De adviseur heeft het aanvraagformulier meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. De adviseur heeft de overeenkomst tijdens een volgend huisbezoek laten ondertekenen door [partij A] . De adviseur heeft de overeenkomst meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. De adviseur heeft tevens de aanvraag van de hypotheek verzorgd. [partij A] heeft een Overwaarde Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 33.698,25. Daarnaast heeft [partij A] een beleggingsrekening bij Kempen & Co geopend met een inleg ter hoogte van NLG 38.300,48. [partij A] heeft conform het advies een tweede hypotheek van NLG 94.399,99 afgesloten bij de Rabobank.
4.8.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie een Aanvraagformulier Effectenlease van Spaar Select op naam van [partij A] van 5 september 2001, waarop het Overwaarde Effect zonder herbelegging product is ingevuld, voorzien van (handgeschreven) het contractnummer 22602866, naam adviseur: [naam], het adviseursnummer: ATP1204, een stempel met de tekst: SpaarSelect Almelo, [naam] (…) en – per fax – doorgezonden naar Labouchere door Spaar Select Twente,
- een kopie van de overeenkomst Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling van 16 oktober 2001 met contractnummer 22602866, voorzien van het adviseursnummer: ATP01204-Spaar Select B.V. en een stempel met de tekst: SpaarSelect Almelo, [naam] (…),
- een kopie van een brief van SuwijnLedeboer Notarissen aan [partij A] van 11 oktober 2001, waarin onder meer vermeld staat: “ Geachte heer [partij A] , Van Spaar Select ontving ik het bericht van een hypotheek te uwen name (…),
- een kopie van een (concept)hypotheekakte van 17 oktober 2001 van SuwijnLedeboer Notarissen op naam van [partij A] ,
- een kopie van een nota van afrekening van SuwijnLedeboer Notarissen van 23 oktober 2001, gericht aan [partij A] , met betrekking tot een hypotheek t.b.v. Postbank N.V.,
- een kopie van een brief van Spaar Select van 2 november 2011 aan [partij A] , waarin onder meer te lezen is dat de aanvraag voor deelname in het Euro Aandelenfonds wordt bevestigd en dat er voor [partij A] een beleggingsrekening is geopend, op welke rekening een storting zal plaatsvinden via de notaris na het passeren van de hypotheekakte.
4.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [partij A] voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van [partij A] gericht financieel advies van de adviseur van de tussenpersoon om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. In elk geval is voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een huisbezoek door de tussenpersoon. Zowel het aanvraagformulier als de overeenkomst dragen de naam van deze adviseur van Spaar Select, zodat er geen reden is om niet aan te nemen dat hij persoonlijk contact heeft gehad met [partij A] . Zonder aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon daarbij (ook) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van [partij A] . Ook kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van [partij A] heeft geadviseerd het product aan te schaffen.
Tevens is voldoende onderbouwd dat de tussenpersoon ook een ander financieel product heeft geadviseerd, zoals een hypotheek(verhoging) en het deelnemen in een aandelenfonds. Voorts is voldoende onderbouwd dat de hypotheekaanvraag ook via Spaar Select is verlopen. Er kan dan eveneens vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon zich niet heeft beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten. Tegenover de concreet toegelichte stellingen van [partij A] heeft Dexia, gelet op de hiervoor genoemde motiveringseisen, haar verweer – waaronder de betwisting van het huisbezoek – onvoldoende onderbouwd. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de motiveringsplicht. Hieruit volgt dat als vaststaand wordt aangenomen dat van een vergunningplichtig advies door de tussenpersoon sprake is geweest. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Hetgeen Dexia in dit verband heeft aangevoerd maakt het voorgaande niet anders.
wetenschap Dexia
4.10.
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [partij A] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen, zoals Spaar Select, op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure anders te oordelen.
4.11.
Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [partij A] , had het, gelet op wat hiervoor is overwogen, op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van een leaseovereenkomst, zoals in dit geval de overeenkomst met [partij A] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [partij A] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [partij A] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
4.12. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.