Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2023-04-03
ECLI:NL:RBOVE:2023:1194
Bestuursrecht
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 23/758 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker, en de algemeen directeur van het CBR (gemachtigde: mr. I.S.B. Metaal) Inleiding Bij het besluit van 21 juli 2022 heeft verweerder verzoeker een EMG opgelegd (Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer). Bij het bestreden besluit van 20 september 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Bij een eerder besluit van 31 augustus 2022 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van de kosten van de EMG. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verzoeker heeft op 10 oktober 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (beroep met zaaknummer AWB 22/1829). Hij heeft op 15 maart 2023 de voorzieningenrechter ver-zocht om een voorlopige voorziening te treffen (verzoek met zaaknummer AWB 23/758). Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft afschriften verstrekt van de door hem op 5 juli 2022 gevolgde route met alle coördinaten. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan verzoeker meegedeeld dat eerst uitspraak zal worden gedaan na ontvangst van de griffierechten. Na de zitting heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter per mail meegedeeld dat hij heeft verzuimd te vermelden dat er gedeeltelijk beslag is gelegd op zijn Wajong-uitkering. Verzoeker heeft dit ondersteund door overlegging van een betalingsspecificatie van het UWV. Mede gelet op deze informatie heeft de voorzieningenrechter alsnog besloten verzoeker wegens betalingsonmacht vrij te stellen van de verplichting om griffierechten te betalen in beide genoemde procedures. De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit en het in verband hiermee houdende besluit van 21 juli 2022; - draagt verweerder op binnen twee weken aan verzoeker een verklaring van geschiktheid te verstrekken zodat verzoeker een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrech-ter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Reeds gelet op het feit dat verzoeker ter zitting heeft aangegeven dat hij nog van plan is de bodycambeelden van de verbalisant op te vragen zal de voorzieningenrechter van deze mogelijkheid geen gebruik maken. Het wettelijk kader 3. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Ingevolge artikel 131, vierde lid, van de WVW legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Ingevolge artikel 10b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMG indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III "Rijgedrag". In bijlage 1, onder A, onderdeel III "Rijgedrag", bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid worden als feiten dan wel omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven aangemerkt: (...) 2. Gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals: c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het “hand held bellen”, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid; (….) 4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van: a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spooktijden; e. het gebruik van lichten en geven van signalen. Het bestreden besluit 4. Aan het bestreden besluit waarbij het besluit van 21 juli 2022 is gehandhaafd, heeft verweerster ten grondslag gelegd dat verzoeker op 5 juli 2022 als bestuurder van een snorfiets een telefoon in zijn hand hield. De politie zag dat verzoeker continu naar zijn telefoon bleef kijken in plaats van naar de weg. Verzoeker reed verder tegen de rijrichting in en hij sloeg af zonder richting aan te geven. Tenslotte haalde verzoeker meerdere fietsers in zonder richting aan te geven. Verweerder vindt dan ook dat de EMG terecht is opgelegd. Standpunt verzoeker 5. Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert hiertoe aan dat hij de telefoon niet heeft vast gehouden. Deze lag op zijn schoot. Verder heeft hij nooit spook gereden of tegen de rijrichting in. Dit staat ook op de bodycam van de agent. Hij heeft zijn hand gebruikt om richting aan te geven. Verzoeker zat op een snorscooter waarbij dit ook is toegestaan. De agent heeft dit niet kunnen zien van achteren. Verzoeker vindt de opgelegde EMG onterecht. Het spoedeisende belang 6. Verzoeker heeft aangeven dat hij zonder rijbewijs niet kan werken en functioneren in het dagelijks leven. Ter zitting heeft verzoeker meegedeeld dat hij enkel een WAJONG-uitkering ontvangt en mogelijk werk kan krijgen bij een bedrijf dat elektriciteitskabels aanlegt in nieuwbouwwijken. Gelet hierop, acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig. Het procesbelang 7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tegen het besluit van 31 augustus 2022, waarbij verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig heeft verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van de kosten van de EMG geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3224, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding procesbelang aan te nemen nu verzoeker vanaf 31 augustus 2022 gedurende een periode van 3 jaar geen rijbewijs kan aanvragen zonder eerst te hebben voldaan aan de hem opgelegde EMG. In het verweerschrift is in dit verband aangegeven dat na het succesvol afronden van de cursus aan verzoeker een Verklaring van geschiktheid zal worden toegekend waarna hij bij de gemeente een nieuw rijbewijs kan aanvragen. 8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze procedure niet gaat om een strafrechtelijke procedure, waarin ter beoordeling staat of wettig en overtuigend is bewezen dat verzoeker als bestuurder van de bromscooter de in geding zijnde gedragingen heeft verricht. Het gaat in deze procedure om een daarvan los staande bestuursrechtelijke maatregel die is gericht op de bevordering van de verkeersveiligheid, waarvoor juist vanwege dat doel andere bewijsregels gelden. Voldoende basis voor het opleggen van zo'n maatregel is dat sprake is van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Een door een politieagent op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakt proces-verbaal vormt in het algemeen voldoende grondslag voor dat vermoeden. In beginsel moet van de juistheid van hetgeen in een op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal wordt verklaard, worden uitgegaan, maar betwisting in rechte is niet uitgesloten. Hierbij geldt als maatstaf dat tegenbewijs wordt geleverd dat tot afwijking van dit uitgangspunt noopt, aldus de Afdeling in haar uitspraak van 2 augustus 2010, LJN BN3687. 9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de overlegging van de door hem gevolgde route met coördinaten verzoeker een begin van dit tegenbewijs heeft geleverd. In dit verband heeft verzoeker ter zitting nog aangegeven dat hij bij de politie bodycambeelden heeft opgevraagd en hij daarmee nog meer tegenbewijs wil leveren. De voorzieningen-rechter acht daarmee niet uitgesloten dat verzoeker daarmee het gevraagde tegenbewijs gaat leveren.