Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2022-03-22
ECLI:NL:RBOVE:2022:842
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 278832 FT RK 154/22
Faillissementsnummer: F.08/20/38
datum beschikking: 22 maart 2022
Beschikking ex artikel 87 Faillissementswet
Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.
Gelet op het vonnis van deze rechtbank van 10 december 2019 waarbij in staat van faillissement is verklaard:
[A] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
met benoeming van mr. A.H. Margadant, lid dezer rechtbank, tot rechter-commissaris, en met aanstelling van mr. S. Volk, advocaat te Enschede, tot curator.
Gezien de beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2021 waarbij mr. N.J.H. Leferink, advocaat te Enschede tot medecurator is aangesteld.
Het procesverloop
Bij beschikking van 8 juni 2021 heeft de rechtbank bevolen dat [A] in verzekerde bewaring zal worden gesteld. Dat bevel is op 24 september 2021 ten uitvoer gelegd.
Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft deze rechtbank het verzoek van [A] tot primair ontslag uit de bewaring, subsidiair schorsing van de bewaring afgewezen en eveneens een verzoek van de curator tot verlenging van de bewaring afgewezen.
Bij beschikking van 21 oktober 2021 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is met dertig dagen verlengd.
Bij beschikking van 10 november 2021 heeft deze rechtbank een door [A] ingediend verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen en [A] niet ontvankelijk verklaard in zijn subsidiaire verzoek tot opheffing van de bewaring zodra een nieuwe termijn van de bewaring aanvangt.
Bij beschikking van 22 november 2021 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is opnieuw met dertig dagen verlengd en een verzoek van [A] tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Bij beschikking van 9 december 2021 heeft deze rechtbank een door [A] ingediend verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Vervolgens heeft deze rechtbank achtereenvolgens bij beschikking van 21 december 2021 en bij beschikking van 21 januari 2022 de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is steeds met dertig dagen verlengd en verzoeken van [A] tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Bij arrest van 17 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van deze rechtbank van 21 januari 2022 bekrachtigd.
Bij beschikking van 18 februari 2022 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is met dertig dagen verlengd.
Bij verzoekschrift van 18 maart 2022 hebben de curatoren verzocht om de termijn gedurende hetwelk het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is opnieuw met dertig dagen te verlengen.
De rechter-commissaris heeft haar standpunt ten aanzien van dat verzoek schriftelijk op 21 maart 2022 kenbaar gemaakt.
Op 22 maart 2022 is het verzoek ter zitting met gesloten deuren behandeld en zijn mr. Leferink via videoverbinding, mr. Volk en [A] , bijgestaan door mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam, gehoord.
Van hetgeen ter zitting is verhandeld zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
De voorzitter heeft na sluiting van de behandeling medegedeeld dat de meervoudige kamer, uiterlijk 22 maart 2022 uitspraak doet, waarbij mogelijk wordt volstaan met het louter vermelden van de beslissing en de motivering van die beslissing uiterlijk vrijdag 25 maart 2022 zal volgen.
In de door deze rechtbank op 22 maart 2022 gegeven beschikking is volstaan met het louter vermelden van de beslissing. In de onderhavige beschikking is, naast de uiteenzetting van de standpunten van partijen, tevens de motivering van die beslissing opgenomen.
Het verzoek van de curatoren.
De curatoren hebben verzocht om de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is, opnieuw met dertig dagen te verlengen. Daartoe is door de curatoren het volgende aangevoerd.
Nog altijd voldoet [A] niet aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Weliswaar zijn de vragen van de vragenlijst van 28 september 2021 inmiddels beantwoord, maar de gevraagde onderbouwing ontbreekt, waardoor de gegeven antwoorden niet kunnen worden geverifieerd. Dat is belangrijk, omdat de gegeven antwoorden niet in lijn zijn met andere informatie. Tijdens de behandeling van het vorige verlengingsverzoek op 22 februari 2022 heeft [A] aangegeven dat hij nauwelijks tijd heeft gehad om de bestanden van de harde schijf te bekijken op de laptop in zijn cel. Inmiddels is bijna een maand verstreken en nog altijd zijn er door [A] geen digitale bestanden geselecteerd en bij de curatoren aangeleverd of op een andere manier zijn antwoorden onderbouwd. De redenen die hij daarvoor geeft, zijn onderling tegenstrijdig en variëren steeds. Aanvankelijk beweerde [A] dat de relevante bestanden op een laptop stonden die, doordat een kat daar koffie op heeft gemorst, defect is geraakt. Sinds begin februari heeft [A] in het Huis van Bewaring de beschikking over een laptop en een kopie van de harde schijf van die defect geraakte laptop. Vervolgens heeft [A] verschillende standpunten ingenomen, te weten:
de door de curatoren gevraagde bestanden staan toch niet op de harde schijf;
de bestanden staan in de cloud van wijlen de heer [B] en [A] heeft als gevolg van het overlijden van [B] geen toegang meer tot die cloud;
de laptop of de programmatuur daarop vertoont technische mankementen;
[A] heeft nauwelijks tijd om te zoeken in de bestanden.
Het bevreemdt de curatoren dat [A] zegt nauwelijks tijd te hebben gehad om de bestanden te bekijken en toch al kan hebben vastgesteld dat de gevraagde informatie niet op de harde schijf staat. Tevens achten de curatoren de wijze waarop [A] zoekt, te weten via een zoekopdracht met een specifieke naam, niet juist dan wel onvoldoende nu veel bestanden geen naam, maar slechts een nummer hebben en daardoor met een dergelijke zoekopdracht niet worden gevonden. De curatoren vinden dat [A] zich onvoldoende inspant om het gevraagde aan te leveren. Zij verwachten van [A] dat hij de bestanden “doorspit” en de relevante bestanden voor hen selecteert. Wanneer [A] daar een behoorlijk begin mee heeft gemaakt, ontstaat naar de mening van de curatoren een nieuwe situatie.
Het standpunt van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft haar standpunt schriftelijk op 21 maart 2022 kenbaar gemaakt.
Samengevat komt het standpunt van de rechter-commissaris er op neer dat zij het [A] aanrekent dat hij weigert om te zoeken naar informatie, terwijl hij zich eerder steeds heeft beroepen op de onmogelijkheid om te zoeken in de bestanden. Eerder heeft [A] steeds gezegd dat het geen enkel probleem was om de gevraagde informatie te verstrekken wanneer hij de toegang zou hebben tot de digitale bestanden. Inmiddels is er door de curatoren veel gedaan om [A] die toegang te verschaffen, maar doet [A] onvoldoende om de gevraagde bestanden aan te leveren. De rechter-commissaris neemt het [A] kwalijk dat hij haar onjuist heeft geïnformeerd over (de vindbaarheid van) de bestanden. Daarnaast acht de rechter-commissaris het ongeloofwaardig dat belangrijke stukken als leningsovereenkomsten en pandakten niet meer traceerbaar zouden zijn.
Beoordeling
De rechtbank dient mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken nog gronden aanwezig zijn die de voortduring van de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [A] rechtvaardigen. Daarbij dient het recht van [A] op persoonlijke vrijheid te worden afgewogen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen. Naarmate de vrijheidsbeneming langer duurt legt het recht op persoonlijke vrijheid van [A] zwaarder gewicht in de schaal. In dat kader moet in aanmerking worden genomen het karakter van de inbewaringstelling die is bedoeld als dwangmiddel tegen het verzuim van [A] van zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht. [A] is op grond van het bepaalde in artikel 105 Fw. verplicht uit eigen beweging de curatoren te informeren over alle feiten en omstandigheden die voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Op grond van artikel 105a Fw. dient [A] alle medewerking aan het beheer en de vereffening van de boedel te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde belangenafweging, hoewel [A] inmiddels bijna zes maanden in verzekerde bewaring is gesteld, in het nadeel van [A] uitvalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Gebleken is dat de vragenlijst die is opgesteld naar aanleiding van het verhoor van 28 september 2021 ten overstaan van de rechter-commissaris inmiddels is beantwoord. Ten aanzien van een groot deel van de gegeven antwoorden zijn de curatoren echter nog altijd in afwachting van stukken die de gegeven antwoorden onderbouwen. Door het ontbreken van deze stukken kunnen de curatoren de gegeven antwoorden niet verifiëren. Deze verificatie is nodig, omdat de door [A] gegeven antwoorden niet kunnen worden gerijmd met eerder gegeven informatie of door de curatoren op andere wijze verkregen stukken. Daarbij is ook van belang dat de verklaringen van [A] over waar de gevraagde informatie en stukken zich bevinden, in de loop van zijn inbewaringstelling zijn gewijzigd, mogelijk naar gelang de stand van het onderzoek door de curator. Zo verklaarde [A] bijvoorbeeld aanvankelijk dat de relevante stukken zich als digitaal bestand op de externe harde schijf zouden bevinden. Inmiddels heeft hij deze uitspraak genuanceerd in die zin dat een deel van de bestanden mogelijk opgeslagen is geweest in de inmiddels vernietigde cloudopslag van wijlen de heer [B] , dan wel op zijn defect geraakte laptop en/of anders dan [A] aanvankelijk dacht, toch niet (meer) blijkt te zijn opgeslagen op de harde schijf.
Op de harde schijf, waarvan [A] een kopie tot zijn beschikking heeft in het Huis van Bewaring, zijn meer dan één miljoen bestanden opgeslagen. Volgens de curatoren heeft [A] slechts enkele (voor de faillissementsboedel niet relevante) bestanden geopend, terwijl [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij veel meer bestanden heeft geopend. Of één van deze lezingen juist is, kan onbesproken blijven. Datzelfde geldt voor de zoekwijze van [A] , waar de curatoren vraagtekens bij stellen. Waar het immers om gaat is dat de curatoren nog geen relevante bestanden van [A] hebben ontvangen die zijn antwoorden ondersteunen en dat dít de opdracht is die [A] moet uitvoeren om te voldoen aan de op hem rustende inlichtingen- en informatieverplichtingen.
Dat de bestanden ook in het bezit zijn van de curatoren, betekent niet dat [A] heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en informatieverplichting. Het is immers zo dat [A] kennelijk zelf ook grote moeite heeft om de relevante bestanden te vinden, terwijl hij ze zelf digitaal heeft opgeslagen en bovendien achtergrond kennis heeft van de gedane zaken. Daarbij rust de verplichting niet op anderen, maar uitsluitend op [A] . Om daaraan te voldoen kan hij, gezien de grote hoeveelheid bestanden, niet volstaan met het louter aanleveren van een ondoorgrondbare berg aan bestanden, maar moet [A] zelf daadwerkelijk de relevante bestanden selecteren, althans de concrete vindplaats/bestandsnaam daarvan aangeven aan de curatoren.
Het betoog dat het doorzoeken van de bestanden een “hell of a job” is en [A] wanneer hij in vrijheid is gesteld meer tijd heeft om die opdracht uit te voeren, volgt de rechtbank niet. Niet alleen heeft [A] vrije uren naast het dagprogramma in de PI, maar ook heeft hij de mogelijkheid om in het geheel niet deel te nemen aan dat programma en daarmee zoveel mogelijk tijd te besteden aan het doorzoeken van de bestanden en maken van de selectie. Ter zitting heeft [A] gezegd dat hij bepaalde privileges verkrijgt door het volgen van dat dagprogramma en daarnaast daardoor onderdeel van de groep uitmaakt. Los van de vraag of dit feitelijk juist is, is het de keuze van [A] of hij dat verkiest boven de mogelijkheid om al zijn tijd te besteden aan het voldoen aan zijn inlichtingenplicht en daarmee (eerder) zijn vrijheid terug te krijgen.
Mede gezien het gegeven dat er ondanks het feit dat [A] inmiddels al geruime tijd de toegang heeft tot de bestanden nog altijd niets is aangeleverd, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat [A] de bestanden gaat verstrekken wanneer hij in vrijheid is gesteld. De dwang die van de bewaring uitgaat om [A] te bewegen het gevraagde aan te leveren acht de rechtbank nog altijd gerechtvaardigd en proportioneel. Eerst nadat door [A] voor een substantieel deel van zijn gegeven antwoorden de daarvoor relevante onderbouwing is aangeleverd, ontstaat er, zoals ook door de curatoren is betoogd, een andere situatie en daarmee een nieuw weegmoment. Zo ver is het echter nog niet en het ligt op de weg van [A] om daar verandering in te brengen.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de curatoren zal toewijzen.
BESCHIKKENDE
Beveelt de verlenging van de termijn, gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaring stelling van [A] , voornoemd van kracht is, met dertig dagen.
Aldus gedaan te Almelo op 22 maart 2022 door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mrs. A. Smedes en A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van A.B. Knook, griffier.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 278832 FT RK 154/22
Faillissementsnummer: F.08/20/38
datum beschikking: 22 maart 2022
Beschikking ex artikel 87 Faillissementswet
Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.
Gelet op het vonnis van deze rechtbank van 10 december 2019 waarbij in staat van faillissement is verklaard:
[A] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
met benoeming van mr. A.H. Margadant, lid dezer rechtbank, tot rechter-commissaris, en met aanstelling van mr. S. Volk, advocaat te Enschede, tot curator.
Gezien de beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2021 waarbij mr. N.J.H. Leferink, advocaat te Enschede tot medecurator is aangesteld.
Het procesverloop
Bij beschikking van 8 juni 2021 heeft de rechtbank bevolen dat [A] in verzekerde bewaring zal worden gesteld. Dat bevel is op 24 september 2021 ten uitvoer gelegd.
Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft deze rechtbank het verzoek van [A] tot primair ontslag uit de bewaring, subsidiair schorsing van de bewaring afgewezen en eveneens een verzoek van de curator tot verlenging van de bewaring afgewezen.
Bij beschikking van 21 oktober 2021 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is met dertig dagen verlengd.
Bij beschikking van 10 november 2021 heeft deze rechtbank een door [A] ingediend verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen en [A] niet ontvankelijk verklaard in zijn subsidiaire verzoek tot opheffing van de bewaring zodra een nieuwe termijn van de bewaring aanvangt.
Bij beschikking van 22 november 2021 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is opnieuw met dertig dagen verlengd en een verzoek van [A] tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Bij beschikking van 9 december 2021 heeft deze rechtbank een door [A] ingediend verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Vervolgens heeft deze rechtbank achtereenvolgens bij beschikking van 21 december 2021 en bij beschikking van 21 januari 2022 de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is steeds met dertig dagen verlengd en verzoeken van [A] tot opheffing dan wel schorsing van de bewaring afgewezen.
Bij arrest van 17 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van deze rechtbank van 21 januari 2022 bekrachtigd.
Bij beschikking van 18 februari 2022 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is met dertig dagen verlengd.
Bij verzoekschrift van 18 maart 2022 hebben de curatoren verzocht om de termijn gedurende hetwelk het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is opnieuw met dertig dagen te verlengen.
De rechter-commissaris heeft haar standpunt ten aanzien van dat verzoek schriftelijk op 21 maart 2022 kenbaar gemaakt.
Op 22 maart 2022 is het verzoek ter zitting met gesloten deuren behandeld en zijn mr. Leferink via videoverbinding, mr. Volk en [A] , bijgestaan door mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam, gehoord.
Van hetgeen ter zitting is verhandeld zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
De voorzitter heeft na sluiting van de behandeling medegedeeld dat de meervoudige kamer, uiterlijk 22 maart 2022 uitspraak doet, waarbij mogelijk wordt volstaan met het louter vermelden van de beslissing en de motivering van die beslissing uiterlijk vrijdag 25 maart 2022 zal volgen.
In de door deze rechtbank op 22 maart 2022 gegeven beschikking is volstaan met het louter vermelden van de beslissing. In de onderhavige beschikking is, naast de uiteenzetting van de standpunten van partijen, tevens de motivering van die beslissing opgenomen.
Het verzoek van de curatoren.
De curatoren hebben verzocht om de termijn gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaringstelling van [A] van kracht is, opnieuw met dertig dagen te verlengen. Daartoe is door de curatoren het volgende aangevoerd.
Nog altijd voldoet [A] niet aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Weliswaar zijn de vragen van de vragenlijst van 28 september 2021 inmiddels beantwoord, maar de gevraagde onderbouwing ontbreekt, waardoor de gegeven antwoorden niet kunnen worden geverifieerd. Dat is belangrijk, omdat de gegeven antwoorden niet in lijn zijn met andere informatie. Tijdens de behandeling van het vorige verlengingsverzoek op 22 februari 2022 heeft [A] aangegeven dat hij nauwelijks tijd heeft gehad om de bestanden van de harde schijf te bekijken op de laptop in zijn cel. Inmiddels is bijna een maand verstreken en nog altijd zijn er door [A] geen digitale bestanden geselecteerd en bij de curatoren aangeleverd of op een andere manier zijn antwoorden onderbouwd. De redenen die hij daarvoor geeft, zijn onderling tegenstrijdig en variëren steeds. Aanvankelijk beweerde [A] dat de relevante bestanden op een laptop stonden die, doordat een kat daar koffie op heeft gemorst, defect is geraakt. Sinds begin februari heeft [A] in het Huis van Bewaring de beschikking over een laptop en een kopie van de harde schijf van die defect geraakte laptop. Vervolgens heeft [A] verschillende standpunten ingenomen, te weten:
de door de curatoren gevraagde bestanden staan toch niet op de harde schijf;
de bestanden staan in de cloud van wijlen de heer [B] en [A] heeft als gevolg van het overlijden van [B] geen toegang meer tot die cloud;
de laptop of de programmatuur daarop vertoont technische mankementen;
[A] heeft nauwelijks tijd om te zoeken in de bestanden.
Het bevreemdt de curatoren dat [A] zegt nauwelijks tijd te hebben gehad om de bestanden te bekijken en toch al kan hebben vastgesteld dat de gevraagde informatie niet op de harde schijf staat. Tevens achten de curatoren de wijze waarop [A] zoekt, te weten via een zoekopdracht met een specifieke naam, niet juist dan wel onvoldoende nu veel bestanden geen naam, maar slechts een nummer hebben en daardoor met een dergelijke zoekopdracht niet worden gevonden. De curatoren vinden dat [A] zich onvoldoende inspant om het gevraagde aan te leveren. Zij verwachten van [A] dat hij de bestanden “doorspit” en de relevante bestanden voor hen selecteert. Wanneer [A] daar een behoorlijk begin mee heeft gemaakt, ontstaat naar de mening van de curatoren een nieuwe situatie.
Het standpunt van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft haar standpunt schriftelijk op 21 maart 2022 kenbaar gemaakt.
Samengevat komt het standpunt van de rechter-commissaris er op neer dat zij het [A] aanrekent dat hij weigert om te zoeken naar informatie, terwijl hij zich eerder steeds heeft beroepen op de onmogelijkheid om te zoeken in de bestanden. Eerder heeft [A] steeds gezegd dat het geen enkel probleem was om de gevraagde informatie te verstrekken wanneer hij de toegang zou hebben tot de digitale bestanden. Inmiddels is er door de curatoren veel gedaan om [A] die toegang te verschaffen, maar doet [A] onvoldoende om de gevraagde bestanden aan te leveren. De rechter-commissaris neemt het [A] kwalijk dat hij haar onjuist heeft geïnformeerd over (de vindbaarheid van) de bestanden. Daarnaast acht de rechter-commissaris het ongeloofwaardig dat belangrijke stukken als leningsovereenkomsten en pandakten niet meer traceerbaar zouden zijn.
Beoordeling
De rechtbank dient mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken nog gronden aanwezig zijn die de voortduring van de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [A] rechtvaardigen. Daarbij dient het recht van [A] op persoonlijke vrijheid te worden afgewogen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen. Naarmate de vrijheidsbeneming langer duurt legt het recht op persoonlijke vrijheid van [A] zwaarder gewicht in de schaal. In dat kader moet in aanmerking worden genomen het karakter van de inbewaringstelling die is bedoeld als dwangmiddel tegen het verzuim van [A] van zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht. [A] is op grond van het bepaalde in artikel 105 Fw. verplicht uit eigen beweging de curatoren te informeren over alle feiten en omstandigheden die voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Op grond van artikel 105a Fw. dient [A] alle medewerking aan het beheer en de vereffening van de boedel te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde belangenafweging, hoewel [A] inmiddels bijna zes maanden in verzekerde bewaring is gesteld, in het nadeel van [A] uitvalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Gebleken is dat de vragenlijst die is opgesteld naar aanleiding van het verhoor van 28 september 2021 ten overstaan van de rechter-commissaris inmiddels is beantwoord. Ten aanzien van een groot deel van de gegeven antwoorden zijn de curatoren echter nog altijd in afwachting van stukken die de gegeven antwoorden onderbouwen. Door het ontbreken van deze stukken kunnen de curatoren de gegeven antwoorden niet verifiëren. Deze verificatie is nodig, omdat de door [A] gegeven antwoorden niet kunnen worden gerijmd met eerder gegeven informatie of door de curatoren op andere wijze verkregen stukken. Daarbij is ook van belang dat de verklaringen van [A] over waar de gevraagde informatie en stukken zich bevinden, in de loop van zijn inbewaringstelling zijn gewijzigd, mogelijk naar gelang de stand van het onderzoek door de curator. Zo verklaarde [A] bijvoorbeeld aanvankelijk dat de relevante stukken zich als digitaal bestand op de externe harde schijf zouden bevinden. Inmiddels heeft hij deze uitspraak genuanceerd in die zin dat een deel van de bestanden mogelijk opgeslagen is geweest in de inmiddels vernietigde cloudopslag van wijlen de heer [B] , dan wel op zijn defect geraakte laptop en/of anders dan [A] aanvankelijk dacht, toch niet (meer) blijkt te zijn opgeslagen op de harde schijf.
Op de harde schijf, waarvan [A] een kopie tot zijn beschikking heeft in het Huis van Bewaring, zijn meer dan één miljoen bestanden opgeslagen. Volgens de curatoren heeft [A] slechts enkele (voor de faillissementsboedel niet relevante) bestanden geopend, terwijl [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij veel meer bestanden heeft geopend. Of één van deze lezingen juist is, kan onbesproken blijven. Datzelfde geldt voor de zoekwijze van [A] , waar de curatoren vraagtekens bij stellen. Waar het immers om gaat is dat de curatoren nog geen relevante bestanden van [A] hebben ontvangen die zijn antwoorden ondersteunen en dat dít de opdracht is die [A] moet uitvoeren om te voldoen aan de op hem rustende inlichtingen- en informatieverplichtingen.
Dat de bestanden ook in het bezit zijn van de curatoren, betekent niet dat [A] heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en informatieverplichting. Het is immers zo dat [A] kennelijk zelf ook grote moeite heeft om de relevante bestanden te vinden, terwijl hij ze zelf digitaal heeft opgeslagen en bovendien achtergrond kennis heeft van de gedane zaken. Daarbij rust de verplichting niet op anderen, maar uitsluitend op [A] . Om daaraan te voldoen kan hij, gezien de grote hoeveelheid bestanden, niet volstaan met het louter aanleveren van een ondoorgrondbare berg aan bestanden, maar moet [A] zelf daadwerkelijk de relevante bestanden selecteren, althans de concrete vindplaats/bestandsnaam daarvan aangeven aan de curatoren.
Het betoog dat het doorzoeken van de bestanden een “hell of a job” is en [A] wanneer hij in vrijheid is gesteld meer tijd heeft om die opdracht uit te voeren, volgt de rechtbank niet. Niet alleen heeft [A] vrije uren naast het dagprogramma in de PI, maar ook heeft hij de mogelijkheid om in het geheel niet deel te nemen aan dat programma en daarmee zoveel mogelijk tijd te besteden aan het doorzoeken van de bestanden en maken van de selectie. Ter zitting heeft [A] gezegd dat hij bepaalde privileges verkrijgt door het volgen van dat dagprogramma en daarnaast daardoor onderdeel van de groep uitmaakt. Los van de vraag of dit feitelijk juist is, is het de keuze van [A] of hij dat verkiest boven de mogelijkheid om al zijn tijd te besteden aan het voldoen aan zijn inlichtingenplicht en daarmee (eerder) zijn vrijheid terug te krijgen.
Mede gezien het gegeven dat er ondanks het feit dat [A] inmiddels al geruime tijd de toegang heeft tot de bestanden nog altijd niets is aangeleverd, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat [A] de bestanden gaat verstrekken wanneer hij in vrijheid is gesteld. De dwang die van de bewaring uitgaat om [A] te bewegen het gevraagde aan te leveren acht de rechtbank nog altijd gerechtvaardigd en proportioneel. Eerst nadat door [A] voor een substantieel deel van zijn gegeven antwoorden de daarvoor relevante onderbouwing is aangeleverd, ontstaat er, zoals ook door de curatoren is betoogd, een andere situatie en daarmee een nieuw weegmoment. Zo ver is het echter nog niet en het ligt op de weg van [A] om daar verandering in te brengen.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de curatoren zal toewijzen.
BESCHIKKENDE
Beveelt de verlenging van de termijn, gedurende welke het bevel tot in verzekerde bewaring stelling van [A] , voornoemd van kracht is, met dertig dagen.
Aldus gedaan te Almelo op 22 maart 2022 door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mrs. A. Smedes en A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van A.B. Knook, griffier.