Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2017-11-22
ECLI:NL:RBOVE:2017:4373
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: AWB 17/1577 en AWB 17/1888 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. W.G.H. Wetering, en Algemene Raad der Nederlandse Orde van Advocaten , verweerder, gemachtigde: mr. M.E. Veenboer. Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2017 heeft verweerder het door eiser gedane verzoek om hem met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 3.19, negende lid, van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) een vierde toetskans te geven voor de major burgerlijk recht, afgewezen. Bij besluit van 7 juni 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer Awb 17/1577. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 15 juni 2017, na kennisneming van een door eiser ingediende zienswijze, eiser bericht dat het eerder bij brief van 16 mei 2017 bekend gemaakte voornemen om hem met toepassing van het bepaalde in artikel 8c, derde lid van de Advocatenwet van het tableau te schrappen, met ingang van 17 augustus 2017 zal worden geëffectueerd. Bij besluit van 21 augustus 2017 heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft ook tegen dat besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer Awb 17/1888. Verweerder heeft in beide beroepszaken een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2017. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat eiser met ingang van 28 februari 2014 voorwaardelijk is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten en gedurende de eerste drie jaar als stagiair praktijk heeft uitgeoefend onder begeleiding van een patroon. Voorts diende eiser de beroepsopleiding advocaten te volgen en de daartoe behorende examenonderdelen met goed gevolg af te leggen. Eiser heeft, voor zover hier van belang, het examenonderdeel “Burgerlijk recht Major” niet met een voldoende afgesloten. De rechtbank stelt in dat verband vast dat eiser voor dat examenonderdeel twee keer een digitale toets heeft afgelegd, te weten op 18 oktober 2014 met als resultaat een 4,5 en op 9 april 2015 met als resultaat een 4,3. Voorts heeft eiser op 7 september 2016 een mondelinge toets gedaan, welke met een 4,5 is beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat per examenonderdeel in beginsel maximaal drie toetsmomenten zijn. Met een beroep op de hardheidsclausule van artikel 3:19, negende lid, van de Voda, heeft eiser op 18 januari 2017 verweerder verzocht om een extra kans voor het vak “Burgerlijk recht Major”. Dat verzoek is bij het primaire besluit van 8 maart 2017 afgewezen, welke afwijzing na door eiser gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit van 7 juni 2017 is gehandhaafd. Bij brief van 16 mei 2017 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen om hem te schrappen van het tableau omdat hij geen verklaring kan overleggen dat de stage met gunstig gevolg is voltooid of een bewijs kan overleggen dat het examen met gunstig gevolg is afgelegd. Na een door eiser ingediende zienswijze heeft verweerder eiser bij besluit van 15 juni 2017 met ingang van 17 augustus 2017 van het tableau geschrapt. Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit van 21 augustus 2017 ongegrond verklaard. 2. Hardheidsclausule. Ingevolge het bepaalde in artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet is de advocaat – behoudens uitzonderingen - verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon. Ingevolge artikel 9c, eerste lid van de Advocatenwet draagt de Nederlandse orde van advocaten zorg voor een opleiding voor stagiaires en stelt de stagiaire in de gelegenheid deze opleid Hoewel de psychiater achteraf aangeeft dat eiser destijds geen inzicht had in zijn eigen (dis)functioneren, is verweerder van oordeel dat eiser er bewust voor gekozen heeft om behalve zijn patroon, geen anderen deelgenoot te maken van zijn privéproblemen, waardoor deze hem evenmin tot het inzicht konden brengen dat hij er wellicht verstandig aan deed om de toets op een later moment af te leggen. Door ondanks de problemen op 7 september 2016 de toets af te leggen heeft eiser volgens verweerder het risico aanvaard dat deze beslissende toets met een onvoldoende werd afgelegd. Daarbij heeft verweerder nog opgemerkt dat eiser de onvoldoende ook deels heeft gewijd aan een incorrecte wijze van examineren. De rechtbank stelt vast dat eiser aanvankelijk tien digitale toetsen (inclusief herkansingen) heeft gedaan welke op één na onvoldoende zijn afgelegd. Naar aanleiding van de verklaring van de psychiater drs. M.R.J. Kattemölle, van 11 april 2016, is eiser in de gelegenheid gesteld de toetsen verder mondeling af te leggen. De eerste mondelinge toets (de in geschil zijnde toets major burgerlijk recht) werd nog met een onvoldoende afgelegd, maar eiser heeft de daarop volgende toetsen van 30 september 2016, 27 oktober 2016 en 11 november 2016 met een ruime voldoende gehaald. Verweerder wijst er terecht op dat eiser eerst bij email van 18 januari 2017 heeft verzocht om een vierde toetskans door toepassing te geven aan de hardheidsclausule, terwijl de gestelde privésituatie, gelet op de behaalde 8 bij de toets van 30 september 2016, blijkbaar eind september al geen probleem meer vormde voor het met succes afleggen van een mondelinge toets. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen doorslaggevende betekenis hoefde toe te kennen aan de door eiser overgelegde medische verklaringen van de psychiater drs. M.R.J. Kattemölle. Ter zitting is desgevraagd door eiser aangegeven dat hij buiten het eerdere consult op 6 april 2016, enkele consulten heeft gehad in januari 2017. De rechtbank acht met erkenning van de aanwezige problematiek, de zeer korte achteraf opgestelde verklaringen van de psychiater op basis van die consulten in diens brief van 10 februari 2017 en de email van 24 april 2017 gelet op de omstandigheden van het geval onvoldoende inzichtelijk en niet zonder meer navolgbaar. Weliswaar is aangegeven dat eiser in 2016 overbelast is geraakt door een combinatie van problemen in zijn gezin maar de rechtbank acht onvoldoende inzichtelijk waarom dit tot de conclusie leidt dat eiser in sterk verminderde mate in staat was de concentratie voor de toets op te brengen en met name ook voor de nadien getrokken conclusie dat dit natuurlijk ook inhield dat hij geen inzicht had in zijn eigen (dis)functioneren en daar dus ook geen consequenties aan kon verbinden, gelet ook op het feit dat eiser enkele weken later wel in staat was een mondelinge toets voor een ander onderdeel met een goed resultaat af te leggen. Alle omstandigheden van het geval overziende is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen gelet op zijn restrictieve beleid terzake, in redelijk-heid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid een vierde toetskans toe te kennen. Welswaar heeft dit besluit grote gevolgen voor eiser, maar dit is inherent aan een systeem waarin maximaal drie toetskansen per onderdeel bestaan. Het beroep gericht tegen het besluit van 7 juni 2017 is derhalve ongegrond. 3 Schrappen van tableau. Ingevolge artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet wordt een advocaat van het tableau geschrapt indien hij, hetzij onafgebroken, hetzij met onderbrekingen, gedurende een tijdvak van drie jaar voorwaardelijk als advocaat ingeschreven heeft gestaan: a. zonder dat de verklaring kan worden overgelegd dat met gunstig gevolg de in artikel 9b bedoelde stage is voltooid; of b. zonder dat het bewijs kan worden overgelegd dat met gunstig gevolg het in artikel 9c bedoelde examen is afgelegd. In het zesde lid is bepaald da