Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2015-01-28
ECLI:NL:RBOVE:2015:503
Bestuursrecht
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: AWB 15/35 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , te Hollandscheveld, [verzoeker] , te Nijverdal, gemachtigde: mr. E. Nijhoff, en het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn, verweerder, Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Nijverdal. Bij besluit van 27 augustus 2014 (het primaire besluit] heeft verweerder aan verzoekers de last opgelegd om het tankstation aan de [adres 1] te Nijverdal binnen acht weken na dagtekening van dat besluit te sluiten, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per week dat eiseres hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--. Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Bij besluit van 10 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit op 5 januari 2015 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 15/29. Zij hebben verder de voorzieningen-rechter bij schrijven van 8 januari 2015 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft [derde belanghebbende], te Nijverdal, in de gelegenheid gesteld om als derde partij deel te nemen aan dit geding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. [verzoekster] heeft zich laten vertegenwoordigen door [directeur]. [verzoeker] is in persoon verschenen. Verzoekers zijn bijgestaan door mr. E. Nijhoff, vergezeld van [geluidsadviseur], geluidsadviseur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.D.H. Punt, H.W. Olthof en A.J. Heerdink. De derde-partij is niet verschenen. De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Tot 2010 is op het perceel [adres 1] te Nijverdal vele jaren lang een inrichting gevestigd geweest. De destijds bestaande inrichting bestond uit een tankstation, een wasstraat en een garage. De inrichting omvatte mede een schuin achter het tankstation gelegen bedrijfshal. Tot 2007 was het perceel [adres 1] eigendom van [broer derde belanghebbende] (hierna: [broer derde belanghebbende]) en diens ouders. [broer derde belanghebbende] woonde zelf aan de [adres 3] te Nijverdal. In 2007 is het perceel [adres 1] verkocht aan Oogink Trilbeton B.V. (hierna: Oogink). Na een korte onderbreking heeft [broer derde belanghebbende] vervolgens het tankstation tot september 2010 als huurder in bedrijf gehad. Van 2010 tot 2013 was het tankstation niet in bedrijf. Direct naast het tankstation, aan de[adres 2]te Nijverdal, ligt de woning van [derde belanghebbende] (hierna:[derde belanghebbende]). [derde belanghebbende] woont al vrijwel zijn hele leven in deze woning.[derde belanghebbende] is een broer van [broer derde belanghebbende]. Al hoewel [derde belanghebbende] nooit in loondienst werkzaam is geweest voor het bedrijf van zijn broer en, daarvoor, van zijn ouders, is hij feitelijk gedurende vele jaren actief betrokken geweest bij het tankstation van zijn ouders en broer en heeft hij hiervoor regelmatig werkzaamheden verricht. Op een deel van het perceel[adres 2]zijn in het verleden voorzieningen ten behoeve van het tankstation aan de [adres 1], namelijk een opslagtank voor brandstof en riolering ten behoeve van het tankstation in de bodem aangebracht. Ook is een vloeistofdichte vloer met aanrijroute richting het tankstation aangebracht op het perceel[adres 2]. Bij vonnis van 9 april 2014 (nr. C/08/139660/HA ZA 13-231) heeft de deze rechtbank (z.p. Almelo) geoordeeld dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan voor wat betreft het gebruik van gronden op het perceel[adres 2]ten behoeve van het tankstation en dat[derde belanghebbende] het bestaande gebruik van voorzieningen ten behoeve van het tankstation op zijn perceel dient toe te staan. Oogink heeft het tankstation aan de [adres 1] verhuurd aan [verzoekster] [verzoeker], die thans in de woning aan de [adres 3] woont, exploiteert het tankstation. Op 24 juni 2013 is een melding gedaan ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Het tankstation is toen geopend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inrichting niet voldoet aan de geluidswaarden waaraan de inrichting ingevolge het Activiteitenbesluit moet voldoen. De geluidsbelasting op de gevel van de woning[adres 2]is te hoog. Omdat zonder aanpassingen van de inrichting niet kan worden voldaan aan deze geluidswaarden, heeft verweerder een last onder dwangsom, gericht op sluiting van de inrichting opgelegd. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het gehele perceel[adres 2], inclusief de daarop gelegen woning deel uitmaakt van de inrichting aan de [adres 1]. De woning aan de[adres 2]behoeft daarom dan ook geen bescherming tegen geluidhinder vanuit de inrichting. Verzoekers zijn slechts bereid om een zeven meter lang geluidwerend scherm te plaatsen als door de rechter geoordeeld is dat de woning[adres 2]geen deel uitmaakt van de inrichting. Verzoekers dienen, gelet hierop, in de gelegenheid te worden gesteld om, zonder dat nu reeds hoge kosten moeten worden gemaakt in verband met de plaatsing van het geluidscherm, de uitkomst van de beroepsprocedure af te wachten, zonder dat nu reeds dwangsommen worden verbeurd. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de inrichting, nu geen sprake is van een verkooppunt voor brandstoffen zonder direct toezicht, een type B-inrichting is, in de zin van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. Op de inrichting zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 2.16b van het Activiteitenbesluit dient degene die een type B-inrichting drijft te voldoen aan het bepaalde in afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit. Op de inrichting zijn dan ook de geluidswaarden zoals neergelegd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Hierbij geldt dat ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onder ‘gevoelige gebouwen’ worden verstaan: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting. Al hoewel de door partijen ingeschakelde deskundigen op onderdelen van mening verschillen over de hoeveelheid geluid die vanuit de inrichting aan de [adres 1] geproduceerd wordt, is tussen partijen en de door hen ingeschakelde deskundigen niet in geschil dat op de gevel van de woning aan de[adres 2]niet voldaan wordt aan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), zoals neergelegd in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Indien de woning aan de[adres 2]geldt als een gevoelig gebouw, dan is sprake van een overtreding van het bepaalde in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaar onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het perceel[adres 2]ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Nijverdal West Noetsele” en heeft de bestemming ‘wonen’. Het perceel [adres 1], waarop het tankstation gevestigd is, heeft de bestemming ‘bedrijf’. In planologische zin is dan ook geen sprake van een bedrijfswoning. Dit gegeven vormt, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, een aanwijzing dat de woning op het perceel[adres 2]niet tot de inrichting behoort. De omstandigheid dat, zoals blijkt uit het hiervoor genoemde vonnis van 9 april 2014, sprake is van een erfdienstbaarheid, op grond waarvan bepaalde voorzieningen ten behoeve van het tankstation op het perceel[adres 2]aanwezig mogen zijn, brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weliswaar mee dat ook de installaties op het perceel[adres 2]tot de inrichting moeten worden gerekend, maar dit gegeven is op zichzelf genomen onvoldoende om hieruit af te leiden dat ook de woning op dit perceel tot de inrichting moet worden gerekend. De omstandigheid dat [derde belanghebbende] in het verleden intensief betrokken is geweest bij het bedrijf van zijn ouders en van zijn broer, dat tot 2010 aan de [adres 1] was gevestigd, en dat verweerder de woning van [derde belanghebbende] vanwege deze betrokkenheid destijds als een tot de destijds bestaande inrichting behorende bedrijfswoning beschouwde, vormt geen grond om aan te nemen dat sprake is van zodanige organisatorische bindingen tussen de woning van [derde belanghebbende] en de inrichting die sinds 2013 aan de [adres 1] gevestigd is, dat om deze reden moet worden aangenomen dat de woning aan de[adres 2]ook thans geacht moet worden tot de inrichting te behoren. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter behoort de woning aan de[adres 2]dan ook niet tot de aan de [adres 1] gevestigde inrichting. De woning geldt dan ook als ‘gevoelig gebouw’ en komt in aanmerking voor bescherming tegen geluidhinder. Nu de inrichting niet voldoet aan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelings-niveau (LAr,LT) en voor het maximale geluidsniveau (LAmax), zoals neergelegd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, is sprake van een overtreding van deze bepaling.