Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-02-11
ECLI:NL:RBOBR:2026:883
Civiel recht
Bodemzaak
1,852 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOBR:2026:883 text/xml public 2026-03-06T11:19:39 2026-02-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-11 C/01/419627 / HA ZA 25-598 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:883 text/html public 2026-02-10T09:20:15 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:883 Rechtbank Oost-Brabant , 11-02-2026 / C/01/419627 / HA ZA 25-598 Doorverwijzing reconventionele vordering naar kanton. Opnieuw heffing griffierecht bij kanton. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/419627 / HA ZA 25-598 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] ( [land] ), eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C. van Scherpenzeel, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , 2. [gedaagde 2] B.V. , te [plaats] , gemeente [gemeente] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde 1] , de vennootschap en samen [gedaagden] (meervoud), advocaat: mr. M.M. van der Marel. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de akte indienen producties van [eiser] - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - het bericht van de rechtbank van 8 december 2025 waarmee partijen de gelegenheid is gegeven zich uit te laten over verwijzing van de reconventionele vordering naar de kantonrechter - de akte uitlaten verwijzing reconventionele vordering van [eiser] - de akte uitlaten verwijzing kanton van [gedaagden] 1.2. Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De beoordeling In conventie en in reconventie 2.1. [eiser] huurt een woning van de vennootschap, waarvan [gedaagde 1] enig bestuurder en aandeelhouder is. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] hem mishandeld. In conventie gaat de zaak over aansprakelijkheid van [gedaagden] voor de schade als gevolg van de mishandeling. 2.2. In reconventie wordt het volgende gevorderd (nummering afkomstig van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie): [gedaagde 1] vordert: IV. voor recht te verklaren dat [eiser] misbruik van recht heeft gemaakt door het indienen en voortzetten van een opgeblazen, feitelijk onjuiste letselschadeclaim, uitsluitend om onder zijn betalingsverplichtingen jegens de vennootschap uit te komen, V. [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagde 1] hierdoor lijdt, nader op te maken bij staat, bestaande uit advocaatkosten, reputatieschade en overige vermogensschade, De vennootschap vordert: VI. de ontbinding van de huurovereenkomst, nu [eiser] toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen (art. 6:265 BW), VII. nakoming van de betaling van € 20.000 aan achterstallige huur (reeds vastgesteld in tussenvonnis maar nog niet betaald), zulks onder verbeurte van een dwangsom dan wel aan deze vordering de consequentie van gijzeling te verbinden, VIII. schadevergoeding gelijk aan de huurprijs tot aan de dag van een in deze te wijzen vonnis, IX. betaling door [eiser] van de wettelijke rente conform art. 6:119 BW over alle huurtermijnen en schadebedragen, telkens vanaf 30 dagen na vervaldatum, zoals in het tussenvonnis van 3 juli 2025 is vastgesteld, X. buitengerechtelijke incassokosten conform de WIK, XI. met bepaling dat, indien [eiser] nalatig blijft de opgelegde betalingsverplichtingen na te komen, door [gedaagde 1] lijfsdwang kan worden toegepast voor de duur van telkens maximaal één dag per € 1.000,- aan onbetaald gelaten hoofdsom, met een totaalmaximum van dertig dagen, althans een in goede justitie te bepalen maximumduur, zulks conform artikel 585 Rv, een ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 2.3. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het doorverwijzen van de procedure in reconventie naar de kantonrechter. Partijen hebben zich daarover uitlaten. Naar aanleiding daarvan wordt als volgt geoordeeld. 2.4. De procedure over de vorderingen van de vennootschap (r.o. 2.2. vorderingen VI t/m XI) wordt verwezen naar de kantonrechter. Deze vorderingen houden immers verband met een huurovereenkomst, zodat de kantonrechter hierover op grond van artikel 93 sub c Rv hierover moet beslissen. Partijen hebben ook geen bezwaar gemaakt tegen doorverwijzing naar de kantonrechter. 2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de overige vorderingen (dus: de vorderingen in conventie over de schade vanwege de mishandeling en de vordering in reconventie over het misbruik van recht door het indienen van een opgeblazen claim, vorderingen IV en V) door te verwijzen naar de kantonrechter. Op grond van artikel 94 lid 3 en 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hadden de zaken gezamenlijk behandeld kunnen worden “voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet” . Dat hieraan is voldaan, is niet gesteld, noch gebleken. Het ene deel gaat over de mishandeling en het andere deel gaat over iets anders, de huurovereenkomst. 2.6. Omdat [gedaagde 1] c.s hun vorderingen in reconventie aangaande de huurovereenkomst niet hebben ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen. 3 De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 3.1. splitst de inhoudelijke behandeling van de zaak in: enerzijds de behandeling van de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie van [gedaagde 1] (weergegeven in r.o. 2.2. IV en V); en anderzijds de behandeling van de vorderingen in reconventie van de vennootschap (weergegeven in r.o. 2.2. VI t/m XI), 3.2. wat betreft de behandeling van de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie van [gedaagde 1] (weergegeven in r.o. 2.2. IV en V) verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 februari 2026 (bij deze rechtbank, bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken) voor beraad mondelinge behandeling, 3.3. wat betreft de behandeling van de vorderingen van de vennootschap (weergegeven in r.o. 2.2. VI t/m XI), verwijst de zaak door naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie 's-Hertogenbosch, op donderdag 19 februari 2026 om 9:00 uur , voor beraad kantonrechter over de verdere gang van zaken, wijst eiser in die zaak (de vennootschap) erop dat na verwijzing griffierecht is verschuldigd van € 1.504,-, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor eiser in die zaak een nota met betaalinstructies zal ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren, wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen, 3.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.