Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-05
ECLI:NL:RBOBR:2026:857
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11594168 CV EXPL 25-1383 Vonnis van 5 februari 2026 in de zaak van: TEAMZORG B.V. , gevestigd in Nijmegen, eisende partij, hierna te noemen: Teamzorg, gemachtigde: mr. G.M. van Hooff, tegen [gedaagde] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 Deze zaak in het kort 1.1. De hoofdvraag luidt of [gedaagde] een bedrag aan studiekosten aan haar voormalig werkgever Teamzorg moet terugbetalen. Twee andere, bijkomende vragen gaan over het aflossen van een personeelslening en kosten voor de door [gedaagde] gebruikte bedrijfsauto’s. 1.2. [gedaagde] is op 3 april 2023 bij Teamzorg in dienst getreden als Leerling Helpende. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2024. Tijdens haar dienstverband bij Teamzorg heeft [gedaagde] eerst de opleiding tot Helpende (met aansluitend het certificaat Plus) gevolgd en behaald. Daarna is zij gestart met de (vervolg)opleiding Verzorgende Individuele Gezondheidszorg (hierna: Verzorgende IG). Teamzorg doet in deze procedure een beroep op de contractuele studiekostenbedingen en zij wil dat [gedaagde] een deel van de studiekosten aan haar terugbetaalt. [gedaagde] stelt daartegenover dat zij niets hoeft te betalen, met name niet omdat de opleidingen noodzakelijke scholing betroffen. 1.3. De kantonrechter is van oordeel dat de studiekostenbedingen nietig zijn. Dat betekent dat deze afspraken niet geldig zijn. [gedaagde] hoeft dan ook de door Teamzorg gevorderde studiekosten niet terug te betalen. Wel dient [gedaagde] bedragen voor de personeelslening en de bedrijfsauto’s aan Teamzorg te voldoen. Hierna wordt dit stapsgewijs uitgelegd. 2 Het verloop van de procedure 2.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding van 4 maart 2025 van Teamzorg met 32 bijlagen,- de conclusie van antwoord van 15 mei 2025 van [gedaagde] met 16 bijlagen, - de e-mail van 27 november 2025 van [gedaagde] , - de brief van 27 november 2025 van Teamzorg met aanvullende bijlagen 33 en 34. 2.2. Op 2 december 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Teamzorg werd tijdens de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door [A] (algemeen manager) en de gemachtigde mr. G.M. van Hooff. [gedaagde] was in persoon aanwezig. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat 5 februari 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 3 Wat is er gebeurd? Algemeen 3.1. Teamzorg verricht diensten op het gebied van thuiszorg en ondersteuning aan voornamelijk ouderen in de regio Nijmegen. 3.2. [gedaagde] (geboren op [geboortedatum] 1994) heeft in de periode van 3 april 2023 tot 1 oktober 2024 voor Teamzorg gewerkt. Dit was op basis van drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (twee schriftelijk en één mondeling). Op alle arbeidsovereenkomsten is de CAO voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: CAO VVT) van toepassing verklaard. Aanloop naar de eerste arbeidsovereenkomst 3.3. Bij Teamzorg staat permanent een vacature open voor de functie Helpende. In de vacaturetekst is bij de functie-eisen onder andere vermeld dat de sollicitant in het bezit moet zijn van een afgeronde opleiding Helpende. In praktijk gaat het zo dat Teamzorg vereist dat een sollicitant het diploma Helpende al heeft behaald of bereid is om dat alsnog te behalen. Teamzorg vindt het namelijk belangrijk dat elke werknemer “op papier een basis heeft in de zorg.” 3.4. Op 23 maart 2023 heeft [gedaagde] een e-mail aan Teamzorg gestuurd, waarin zij haar interesse kenbaar heeft gemaakt voor de functie Helpende. In deze e-mail schrijft [gedaagde] onder meer: “Ik heb ruim 6, 7 jaar ervaring in de zorg. (…) scholing heb ik ook gedaan maar niet kunnen afmaken bij me laatste werkgever omdat ik meer uren wilde en dat niet mogelijk was ben i [gedaagde] wilde namelijk ook de opleiding Verzorgende IG volgen. Daarom zijn partijen een leer-/arbeidsovereenkomst overeengekomen voor de functie van Leerling Verzorgende IG, en wel voor de duur van de opleiding maar uiterlijk tot 30 juni 2025. Deze arbeidsovereenkomst is gesloten op 22 maart 2024. In artikel 2.1 van deze overeenkomst staat: “De leerling treedt ten behoeve van het praktijkgedeelte van de beroepsopleiding verzorgende IG in dienst van de functie Leerling Verzorgende IG. Leerling verplicht zich om de werkzaamheden die tot zijn functie behoren, en overigens alle werkzaamheden die hem door of namens werkgever worden opgedragen, naar beste vermogen en volgens de gegeven aanwijzingen te verrichten.” In artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst staat: “Werkgever verplicht zich leerling op te leiden of te doen opleiden terwijl leerling zich verplicht om in het kader van de opleiding gegeven opdrachten uit te voeren, met inachtneming van eigen verantwoordelijkheid. Een en ander met inachtneming van de bepalingen van het opleidingsreglement of praktijkovereenkomst voor de opleiding zoals dit/deze luidt of zal komen te luiden en dat/deze met deze leer/arbeidsovereenkomst één geheel vormt.” 3.9. In dat kader is op 25 maart 2024 een studiekostenbeding overeengekomen. In artikelen 1 en 2 van dit beding staat: “De werkgever vergoedt de kosten van de studie Verzorgende IG aan het Zorgcollege van de werknemer voor een bedrag van € 6.601,25. Dit bedrag bestaat uit de volgende kosten: a. € 5.771,25 voor de opleiding, b. € 420,00 voor het boekenpakket, c. € 125,00 voor lesmaterialen, d. € 285,00 voor examengeld.” Daarnaast staat in artikel 3 onder c en artikel 5 van het studiekostenbeding samengevat: “Werknemer is gehouden de in artikel 1 genoemde studiekosten volledig aan werkgever terug te betalen indien het dienstverband tijdens de opleiding wordt beëindigd op initiatief van de werknemer en/of indien het dienstverband binnen drie jaar na afronding van de studie wordt beëindigd op initiatief van de werknemer.” Verder staat in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst over de opleidingskosten: “Indien deze leer- arbeidsovereenkomst eindigt zonder dat het diploma is behaald, geldt de volgende terugbetalingsregeling: de door de werkgever gemaakte kosten in het kader van de opleiding dienen volledig te worden terugbetaald.” Aan de hiervoor beschreven verplichting tot terugbetaling is een afbouwregeling gekoppeld. Opleiding Verzorgende IG niet afgerond 3.10. [gedaagde] is gestart met de opleiding Verzorgende IG, maar heeft deze opleiding niet afgemaakt. Personeelslening en bedrijfsauto’s 3.11. Tijdens het dienstverband is [gedaagde] met Teamzorg een personeelslening aangegaan, waarvoor partijen een overeenkomst hebben ondertekend. Ook zijn meerdere overeenkomsten met betrekking tot de door [gedaagde] te gebruiken bedrijfsauto’s met tankpas gesloten. Einde arbeidsovereenkomst 3.12. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2024. 3.13. Daarna hebben partijen discussie gekregen over de (terug)betaling van studiekosten, de personeelslening en de kosten voor de bedrijfsauto’s. 4 De beoordeling door de kantonrechter 4.1. Omdat het springende punt in deze zaak de studiekosten vormen, komen deze eerst aan bod. Daarna wordt ingegaan op de personeelslening en de bedrijfsauto’s. A. Studiekosten Vermindering van eis 4.2. Voorop wordt gesteld dat de primaire en subsidiaire vordering met betrekking tot de studiekosten identiek aan elkaar zijn. In beide gevallen vordert Teamzorg namelijk nakoming van de contractuele terugbetalingsverplichting in het kader van de studiekostenbedingen en daarmee veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.618,75. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Teamzorg alle vorderingen ten aanzien van de studiekosten verminderd met € 2.687,18. Er resteert dus nog een bedrag van € 3.931,57. Wettelijk kader 4.3. In Nederland geldt op grond van het nationale recht sinds 2015 een zogeheten scholingsplicht. Daarmee is de scholing in het belang van Teamzorg als werkgever en de opleiding Helpende is ook naar haar aard noodzakelijk voor het correct kunnen uitvoeren van de (medische) werkzaamheden. Tevens was voor Teamzorg van meet af aan duidelijk dat [gedaagde] zich wilde ontwikkelen door een studie te volgen en af te ronden. Dit heeft [gedaagde] in haar eerste contacten (e-mail en het daaropvolgende gesprek) met Teamzorg al laten weten. Vervolgens hebben partijen gelijktijdig een leer-/arbeidsovereenkomst gesloten en kort daarna zijn de studiekostenbedingen overeengekomen. Het was dus de bedoeling van beide partijen dat [gedaagde] zich zou ontwikkelen via scholing en Teamzorg zag dat ook als verplichting voor het uitoefenen van de functie. 4.10. Hetzelfde geldt voor het certificaat Plus. Ook dat is in dit geval noodzakelijke scholing. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat dit certificaat nodig is om zelfstandig vaardigheden te mogen verrichten die horen bij de functie van Helpende. Dit is als het ware een (logisch) verlengstuk van de opleiding Helpende. Het Zorgcollege, waar [gedaagde] de opleiding Helpende volgde, heeft voorgesteld om dit certificaat te behalen (dit betrof slechts een paar extra opleidingsdagen). 4.11. Teamzorg heeft overigens nauwelijks verweer meer gevoerd met betrekking tot studiekostenbedingen 1 en 2. 4.12. Het voorgaande betekent dat er van uit moet worden gegaan dat de opleiding Helpende met het bijbehorende certificaat Plus voor [gedaagde] noodzakelijke scholing vormden. Daarom hadden de deze opleidingen kosteloos moeten worden aangeboden. De op die opleiding betrekking hebbende studiekostenbedingen zijn om die reden nietig. Studiekostenbeding 3 (opleiding Verzorgende IG) 4.13. De kantonrechter is van oordeel dat ook het derde studiekostenbeding nietig is. Dat betreft de (vervolg)opleiding Verzorgende IG. Dit deel van de vordering van Teamzorg is dus evenmin toewijsbaar. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. 4.14. Ook hier is relevant of het gaat om noodzakelijke scholing. De kantonrechter vindt dat dit zo is, en wel hierom. Teamzorg heeft met [gedaagde] een (derde) leer-/arbeidsovereenkomst gesloten voor de functie van Verzorgende IG. Dat is een aanwijzing dat Teamzorg [gedaagde] (op termijn) kon en wenste te werk te stellen in de functie van verzorgende IG. Deze aanwijzing wordt versterkt doordat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat Teamzorg altijd vacatures heeft openstaan, zowel binnen het team verzorgenden als binnen het verpleegteam (waartoe de functie verzorgende IG toebehoort). Dit is door Teamzorg tijdens de mondelinge behandeling beaamd. Daarbij komt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt dat zij een zeer goede werknemer was, dat ze (al snel en volledig) zelfstandig werkte en dat zij het dus (ook in de ogen van Teamzorg) in zich had om door te groeien. Ook dit is door Teamzorg bevestigd. Het volgen van een opleiding voor het doorgroeien naar Verzorgende IG is dan ook mede in het belang van Teamzorg. Teamzorg heeft er immers baat bij om een goede werknemer voor haar organisatie te behouden en perspectief te bieden. Bovendien heeft Teamzorg zich actief bemoeid met de vraag waar de opleiding tot Verzorgende IG gevolgd moest worden. Ook dat wijst in de richting van noodzakelijke scholing. Gelet op haar financieel kwetsbare situatie heeft [gedaagde] voorgesteld om de opleiding Verzorgende IG te volgen aan het ROC in Nijmegen, omdat de opleidingskosten daar lager waren dan op het commerciële Zorgcollege en zij niet opnieuw aan hoge kosten wilde vastzitten. Teamzorg ging daar echter niet mee akkoord, want het volgen van de opleiding aan het ROC zou meer tijd in beslag nemen dan aan het Zorgcollege. Dat was voor Teamzorg niet wenselijk, omdat er sprake was van een personeelstekort. Ook hieruit kan worden afgeleid dat noodzakelijke scholing aan de orde was. 4.15. Dat het initiatief voor het volgen van de opleiding Verzorgen Uit artikel 3 lid 2 van beide gebruiksovereenkomsten blijkt kort gezegd dat het [gedaagde] is toegestaan om maximaal 12.500 kilometer per jaar privé met de bedrijfsauto te rijden en dat indien zij privé meer rijdt, deze kilometers bij [gedaagde] in rekening worden gebracht. Volgens Teamzorg heeft [gedaagde] in het jaar 2024 het aantal toegestane privékilometers van 12.500 met 22.918 kilometers overschreden, zodat [gedaagde] deze kilometers aan Teamzorg dient af te rekenen. Dat is dus 22.918 kilometers x € 0,23 = € 5.271,14. 4.22. [gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat zij tijdens haar dienstverband gebruik heeft gemaakt van drie bedrijfsauto’s (waarvan twee bedrijfsauto’s in 2024), dat haar nooit duidelijk is gemaakt dat het aantal toegestane privékilometers geldt per jaar ongeacht het aantal bedrijfsauto’s, en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat bij elke nieuwe bedrijfsauto de teller voor het aantal privékilometers op nul kwam te staan. 4.23. In reactie hierop heeft Teamzorg aangevoerd dat duidelijk uit de gebruiksovereenkomsten blijkt dat het gaat om maximaal 12.500 kilometer per jaar, los van de hoeveelheid auto’s. 4.24. De kantonrechter passeert het verweer van [gedaagde] . In de gebruiksovereenkomsten is ook naar het oordeel van de kantonrechter helder verwoord dat het gaat om het aantal privékilometers per jaar. Er zijn in de gebruiksovereenkomsten geen aanknopingspunten te vinden die wijzen in de richting van het standpunt van [gedaagde] dat de teller bij een andere bedrijfsauto op nul komt te staan. Als er voor [gedaagde] onduidelijkheden waren, dan had het op haar weg gelegen om daarover aan Teamzorg vragen te stellen. 4.25. [gedaagde] dient dus € 5.271,14 aan Teamzorg te betalen. Eigen risico 4.26. Verder vordert [gedaagde] € 500,00 aan eigen risico ten aanzien van geleden schade aan de bedrijfsauto. 4.27. Het staat vast dat [gedaagde] met de bedrijfsauto van Teamzorg op 7 augustus 2024 tegen een paaltje heeft gereden. 4.28. [gedaagde] verweert zich in dit kader op de eerste plaats door aan te voeren dat de schade is ontstaan onder werktijd en daarom niet op haar kan worden verhaald. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet, omdat in artikel 9 lid 6 van de gebruikersovereenkomst van 7 juni 2024 staat dat in geval van schade een eigen risico van € 500,00 geldt. Uit de gebruiksovereenkomst blijkt niet dat het eigen risico niet geldt voor onder werktijd gemaakte schade. Daarbij komt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het voor haar helder was dat als zij schade zou rijden, dat er dan een eigen risico zou gelden. 4.29. [gedaagde] verweert zich op de tweede plaats door aan te voeren dat zij de kosten van het eigen risico niet hoeft te betalen, omdat zij tijdens het voorval onder invloed was van zware medicatie (Oxycodon) waardoor ze suf werd en dat zij deze medicatie nota bene heeft gekregen van Teamzorg zodat zij – ondanks zware rugklachten – toch kon werken. Teamzorg betwist dat zij [gedaagde] heeft aangespoord om tijdens ziekte te werken, dat zij medicatie aan [gedaagde] heeft gegeven, en dat er sprake is van een causaal verband tussen de vermeende ziekte, het gebruik van de medicatie en de ontstane schade aan de bedrijfsauto. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing kan de kantonrechter niet vaststellen wat er precies is gebeurd, dus ook niet of het juist is wat [gedaagde] aanvoert en zo ja of dit ertoe zou kunnen leiden dat zij de kosten van het eigen risico niet hoeft te voldoen. Het is simpelweg het woord van [gedaagde] tegen het woord van Teamzorg, en er zijn geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit één en ander zou kunnen worden afgeleid. Deze onduidelijkheid moet voor rekening van [gedaagde] blijven, die ten aanzien van het door haar gevoerde (bevrijdende) verweer het bewijsrisico draagt. 4.30. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] € 500,00 aan eigen risico moet betalen. D. En verder Buitengerechtelijke incassokosten 4.31. Teamzorg vordert ook een ve