Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-04
ECLI:NL:RBOBR:2026:723
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/758 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres voldoende inspanningen heeft verricht om een werknemer te re-integreren. Volgens het UWV zijn de inspanningen van eiseres onvoldoende geweest en leidt dat tot verlenging van de doorbetalingsverplichting van de Ziektewetuitkering tot 7 mei 2025. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de doorbetalingsverplichting terecht is verlengd. 1.1. De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende waren en dat van een deugdelijke grond daarvoor geen sprake is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 1 mei 2024 heeft het UWV bepaald dat eiseres de Ziektewetuitkering van een van haar werknemers moet doorbetalen tot 7 mei 2025. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. 2.1. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft een rapport met dagtekening 23 juni 2025 van J.M.W.N. Derks, medisch adviseur (hierna: medisch adviseur) ingebracht. 2.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B). Eiseres heeft daarop gereageerd met een rapport met dagtekening 17 december 2025 van de medisch adviseur. Het UWV heeft met een rapport van de verzekeringsarts B&B van 5 januari 2026 gereageerd. 2.4. De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van door haar genoemde (medische) stukken niet wordt toegestaan aan eiseres, maar uitsluitend aan een gemachtigde die advocaat of arts is of daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. De rechtbank zal in de uitspraak daarom geen medische informatie opnemen over de werknemer, om te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van de werknemer. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het UWV heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de aan eiseres opgelegde doorbetalingsverplichting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 3.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Daartoe wordt eerst een opsomming gegeven van de feiten, daarna volgen het juridisch kader en de standpunten van partijen. Dan volgen de redenen van de rechtbank voor de beslissing en ten slotte de gevolgen van het oordeel van de rechtbank. Feiten en omstandigheden 4. De werknemer was bij eiseres werkzaam als leerling monteur. Op 11 mei 2022 heeft hij zich ziekgemeld. Op 31 augustus 2022 is de werknemer ziek uit dienst gegaan. 4.1. De bedrijfsarts heeft spreekuur gehouden met de werknemer op 1 december 2022. Daarbij heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is. Op 7 maart 2023 heeft nogmaals een spreekuur plaatsgevonden en is een inzetbaarheidsprofiel ingevuld. De bedrijfsarts heeft daarbij overwogen dat, vanwege de fluctuaties in de belastbaarheid en de beperkingen, er nog geen re-integratiemogelijkheden zijn. Na een jaar ziekte heeft een eerstejaarsziektewet beoordeling (hierna: EZWb) plaatsgevonden. Daarvoor is de werkne Eiseres heeft ook geen goede redenen waarom zij geen re-integratie-inspanningen verricht heeft en daarom is terecht bepaald dat eiseres de Ziektewetuitkering door moet betalen. Het standpunt van eiseres 7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen mogelijkheden voor re-integratie waren. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat de verzekeringsarts B&B miskend heeft dat de bedrijfsarts een bepaalde beoordelingsruimte heeft waarin de verzekeringsarts B&B niet mag treden; met deze beoordelingsruimte is op geen enkele wijze rekening gehouden. Ten slotte stelt eiseres dat de verzekeringsartsen van het UWV onvoldoende onderbouwd, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hebben dat eiseres onvoldoende heeft gedaan om de werknemer te re-integreren. De redenen voor de beslissing van de rechtbank 8. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een bevredigend resultaat. Dit betekent dat het UWV kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of het UWV kon oordelen dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen in de re-integratie van de werknemer en zo ja, of het UWV terecht stelt dat eiseres daarvoor geen goede reden had. 8.1. De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende waren en dat van een deugdelijke grond geen sprake is. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De re-integratie inspanningen 9. Eiseres heeft geen re-integratie-inspanningen verricht. In de Beleidsregels poortwachter staat dat van werkgever en werknemer geen re-integratie-inspanningen (meer) verlangd worden, wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Wel beoordeelt het UWV in die situatie of in redelijkheid tot dit oordeel over het ontbreken van arbeidsmogelijkheden kon worden gekomen. 9.1. Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts terecht gesteld dat de werknemer geen re-integratiemogelijkheden had. Eiseres merkt hierbij op dat niet artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) van toepassing is, maar artikel 4, eerste lid, van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (hierna: Regeling procesgang). Daarnaast heeft de bedrijfsarts voldoende medische gegevens gesteld waaruit blijkt dat de werknemer geen re-integratiemogelijkheden had en bij de beoordeling moet de gehele medische situatie bekeken worden in plaats van losse onderdelen. Bovendien heeft de verzekeringsarts van het UWV geen rekening gehouden met de beoordelingsruimte van de bedrijfsarts. 9.2. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht besloten heeft dat niet in redelijkheid geoordeeld kon worden dat de arbeidsmogelijkheden ontbraken en dat de bedrijfsarts daarmee de hem toekomende professionele marge heeft overschreden. 9.3. De rechtbank merkt hierbij allereerst op dat het door eiseres genoemde artikel 4 van de Regeling procesgang, waarin staat dat een plan van aanpak opgesteld moet worden als er mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid te bevorderen, ingevuld wordt door ‘geen benutbare mogelijkheden’ zoals genoemd in artikel 2 van het Schattingsbesluit. De rechtbank wijst daarbij op paragraaf 7.3 van de Beleidsregels poortwachter, bladzijde 32 van de Werkwijzer Poortwachter en vaste jurisprudentie van de CRvB. Ook de verwijzing naar de niet meer bestaande circulaire ‘Aandachtspuntenlijst Landelijke Loonsanctiecommissie’ van het UWV van 9 maart 2009 (09C002) kan eiseres op basis van vaste jurisprudentie van de CRvB niet baten. 9.4. Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts voldoende medische gegevens gesteld voor de conclusie dat er geen mogelijkheden waren tot re-integratie. De bedrijfsarts heeft in een brief van 28 juni 2024 toegelicht dat de werknemer een sterk wisselende belastbaarheid heeft waardoor inzetbaarheid in arbeid niet goed mogelijk is. Volgens de bedrijfsarts is dit in lijn