Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-12
ECLI:NL:RBOBR:2026:64
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 22/1141E einduitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres, (gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek , het college (gemachtigden: mr. M. van Dam-Benders, ing. [naam] en [naam]). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] uit [woonplaats], (gemachtigde mr. T.I.P. Jeltema) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een verzoek van een bedrijf, Artex, om maatregelen te treffen voor haar werknemers. Zij hebben het te warm in productieruimten bij warme dagen, maar een voorschrift in de revisievergunning verbiedt het om deuren en ramen te openen. De omgeving van het bedrijf heeft echter ook geklaagd over geuroverlast. Op aanraden van de rechtbank zijn partijen met elkaar in overleg getreden om tijdens de procedure twee keer te proberen duidelijk te krijgen wat de gevolgen zijn van het openen van de deuren in de productieruimten. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak heeft suggesties gedaan voor de proef en heeft verslag uitgebracht. Er is niet geklaagd over geuroverlast als de deuren tijdens warme dagen openstonden. De rechtbank geeft Artex in een voorlopige voorziening toestemming om de deuren tijdens warme dagen onder voorwaarden te openen en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex. Het beroep van Artex wordt gegrond verklaard. 1.1. In deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank wijst ook op de eerdere tussenuitspraak van 27 januari 2023 . Na een schets van het procesverloop (onder 2) beschrijft de rechtbank de gebeurtenissen na de tussenuitspraak en geeft zij haar oordeel (vanaf rechtsoverweging 3). Aan het einde legt de rechtbank uit waarom zij niet zelf in de zaak voorziet maar wel een voorlopige voorziening treft. Procesverloop 2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Artex tegen de afwijzing van haar aanvraag om intrekking en/of wijziging van een maatwerkvoorschrift. 2.1. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. In de tussenuitspraak van 27 januari 2023 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de Stichting advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld en het college in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken binnen tien weken na de dag waarop het verslag van de StAB wordt uitgebracht te herstellen. 2.2. Op 21 februari 2023 heeft de StAB een verslag ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd. 2.3. Op 10 juli 2023 heeft het college een aanvullend verweer ingediend in reactie op de tussenuitspraak. Daarbij heeft het college de motivering van het bestreden besluit aangevuld. 2.4. Naar aanleiding van deze herstelpoging heeft Artex op 15 augustus 2023 schriftelijk haar zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van de derde-partijen gericht tegen de afwijzing van het college van hun verzoek om handhavend op te treden, geregistreerd onder nummer SHE 23/244. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Artex, de gemachtigde van het college ing. H.L. van Aarle, [naam] en ir. T.F.A.M. Teunissen en de gemachtigde van de derde-partijen. Namens de StAB zijn verschenen ing. K.S. de Croon en ing. CA van Drimmelen. 2.6. Op de zitting van 30 januari 2024 is besproken of, bij wijze van proef op de som, op warme dagen (> 20 °C) deuren 4 en 4a naar de productieruimtes mogen worden geopend in afwijking van voorschrift 11.1.12 van de op 25 november 2010 aan Artex verleende revisievergunning. 2.7. Partijen hebben zich vervolgens bereid verklaar In het aanvullend verweer heeft het college overwogen dat het belang van de bescherming van het milieu zich wel degelijk verzet tegen wijziging van het maatwerkvoorschrift omdat niet uitgesloten is dat er emissie van geur plaats kan vinden wat leidt tot overlast voor omgeving en en/of omwonenden via de dakramen. Het onderzoek naar geluidsemissies vindt het college nog steeds onzorgvuldig en niet volledig. 3.5. In reactie daarop betwist Artex wederom dat sprake kan zijn van emissie van geur via de dakramen en benadrukt zij dat het college heeft verzuimd om haar subsidiaire verzoek te betrekken bij haar herstelpoging. 3.6. Bij de tweede behandeling van deze zaak op de zitting van 30 januari 2024 heeft de rechtbank partijen de suggestie gedaan om in de zomer van 2024 de proef op de som te nemen om te kijken of Artex kan volstaan met alleen het openen van de deuren tijdens warme dagen en of omwonenden bij het college dan klachten over geuroverlast gaan indienen. 3.7. Hierna is het volgende (kort samengevat) gebeurd: Partijen zijn in het voorjaar van 2024 in overleg getreden over een opzet van de proef. De StAB heeft aanvullend extra suggesties gedaan. Partijen hebben in de zomer van 2024 de werkwijze beproefd. Artex heeft hierover verslag uitgebracht in het najaar van 2024. Het college heeft een klachtenoverzicht verstrekt. Tijdens de proefperiode zijn op vijftig dagen de deuren opengezet. Er werden op drie dagen waario de deuren open stonden anonieme klachten ontvangen. Er werden ook op drie dagen waarop de deuren niet open stonden anonieme klachten ontvangen. De StAB heeft alle reacties verzameld en partijen in de gelegenheid gesteld op de stukken te reageren. De StAB heeft vervolgens een verslag van de proefperiode uitgebracht op op 15 november 2024. De eerste proefperiode heeft nog geen inzicht gegeven of de eventuele geurklachten ook werkelijk door de openstaande deuren worden veroorzaakt. Partijen hebben verzocht de proef in 2025 te herhalen. Partijen zijn hiertoe in overleg getreden om randvoorwaarden op te stellen en hebben nagenoeg overeenstemming bereikt over het onderzoeksprotocol voor de tweede proef, met uitzondering van één onderdeel. Hierover heeft de rechtbank in de tweede tussenuitspraak aanvullend het college de gelegenheid gegeven om ten behoeve van de einduitspraak een tweede proef uit te voeren in de periode 1 mei 2025 – 30 september 2025 en daartoe de volgende aanwijzing gegeven: De proef dient te worden uitgevoerd met inachtneming van het onderzoeksprotocol en klachtprotocol dat als bijlage 5 bij de brief van eiseres van 25 april 2025 is gevoegd waarbij onderdeel 1b als volgt wordt aangepast: Deur 4 en/of deur 4a open tussen 07:00 uur en het einde van de productietijd op dezelfde dag, alleen als de weersvoorspelling van windfinder Beekendonk een temperatuur voorspelt van meer dan 20 graden Celsius (bij te houden door Artex om 6.00, 8.00, 11.00, 14.00, 17.00, en 20.00 uur). Op 21 oktober 2025 heeft het college een verslag uitgebracht met een overzicht van de klachten tijdens de gehouden proef bij het verslag. Daarin zijn de adressen met huisnummers van de klagers geregistreerd, het bevat een registratie van de meteo en een betere duiding van de ervaren overlast. Op 35 dagen zijn de deuren opengezet. Er zijn op deze dagen geen klachten binnengekomen. Er zijn wel vier klachten binnengekomen op dagen dat de deuren niet openstonden. Het college heeft hierbij erkend dat de vier binnengekomen klachten niet goed zijn opgevolgd. Aanvullend is vijf keer onaangekondigd gecontroleerd en geconstateerd dat de deuren van productieruimte 4 en 4a niet open stonden ondanks een buitentemperatuur boven de 20 graden Celsius. Eénmaal heeft de toezichthouder geur (chloor) waargenomen. Het college stelt wel vast dat de vier meldingen tijdens de proefperiode niet zijn te relateren aan het openstaan van de deuren 4 en 4a. In haar reactie hierop merkt Artex op dat het college de inhoud van het rapport van KWA niet heeft betwist, ook n Bij de beoordeling of, gelet op het aanvullend verweer, de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten van het vernietigde bestreden besluit betrekt de rechtbank de argumenten, feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van haar einduitspraak. 6. Artex heeft de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien en het voorschrift 11.1.12 aan te passen op de door haar voorgestane wijze. Subsidiair verzoekt Artex de rechtbank om in een voorlopige voorziening toestemming te geven om deuren 4 en 4a te openen tijdens warme dagen zoals tijdens de proefperiodes in 2024 en 2025 (dus met inachtneming van het protocol). 6.1. Derde-partijen hebben aangegeven dat zij hiertegen geen bezwaar hebben maar dat ze het wel vreemd vinden dat op een warme dag de deuren 4 en 4a open mogen blijven tot het einde van de productietijd en niet tot het moment dat het buiten koeler is dan 20 graden Celsius. 6.2. Het college heeft tijdens de tweede zitting niet aangegeven wat het vindt van het verzoek van Artex. Het college wijst op de lopende revisievergunningsaanvraag. De rechtbank houdt het ervoor dat het college wil vasthouden aan voorschrift 11.1.12 dat luidt als volgt: “ Diffuse emissies en emissies die via de ruimteventilatie vrijkomen moeten zoveel mogelijk worden beperkt door good-housekeeping en preventieve maatregelen. Aanwezige ramen, deuren en luiken in productieruimten dienen tijdens de werktijden gesloten te zijn. Deuren mogen uitsluitend geopend worden voor het doorlaten van personen en goederen .” 6.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en voorschrift 11.1.12 aan te passen. Hiervoor heeft de rechtbank meerdere redenen: In de eerste plaats duurt de procedure al lang. In deze periode is de groep omwonenden die betrokken is bij deze procedure kleiner geworden. Maar de rechtbank kan niet uitsluiten dat er nieuwe bewoners zijn in de omgeving van Artex. Als de rechtbank zelf in de zaak voorziet, kunnen slechts partijen (dus ook de aangegeven groep omwonenden) in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) als zij het hier niet mee eens zijn. De ontvankelijkheid van een hoger beroep van eventuele nieuwkomers is afhankelijk van het oordeel van de Afdeling. Op het verzoek van Artex is het oude recht (zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van toepassing, gelet op artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning moet worden beschouwd als een gedragsregel en geldt als maatwerkvoorschrift tot de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat het college bevoegd was op grond van artikel 2.7a, vierde lid, onder c, van het Activiteitenbesluit milieubeheer om maatwerkvoorschriften te stellen zonder dat sprake was van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het maatwerkvoorschrift is op grond van artikel 8.1.5, vijfde lid onder a, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet aan te merken als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. Maar het college zal ook moeten gaan beslissen op de aanvraag voor een nieuwe revisievergunning met inachtneming van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het lot van het maatwerkvoorschrift is dan onduidelijk, gelet op artikel 8.1.5 vijfde lid onder b, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Artex merkt terecht op dat haar verzoek om aanpassing van het maatwerkvoorschrift los moet worden gezien van de besluitvorming op de aanvraag revisievergunning, hetgeen niet wegneemt dat in de revisievergunning gedragsvoorschriften kunnen worden gesteld in afwijking van een maatwerkvoorschrift dat de rechtbank zou opnemen in de uitspraak. 6.4. Gelet hierop volstaat de rechtbank met de opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de volgende voorlopige voorz