Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-21
ECLI:NL:RBOBR:2026:6005
Veroordeling voor het op drie momenten corrumperen van kinderen. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 357 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.229976.25 Datum uitspraak: 21 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [1951] , wonende te [adres] , thans gedetineerd in [verblijfplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025, 25 februari 2026, 7 mei 2026, 24 juli 2026 en 7 augustus 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 november 2025. Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 25 februari 2026, ten laste gelegd dat: T.a.v. feit 1: hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Helmond meermalen een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn geslachtsdeel te laten zien en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te vragen of zij ook iets wilden laten zien of zich wilden uitkleden, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt T.a.v. feit 2: hij op of omstreeks 3 juni 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 3] zijn geslachtdeel te tonen en/of masturberende/trekkende bewegingen te maken en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 3] te vragen of zij haar spleetje wilde laten zien, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt T.a.v. feit 3: hij op of omstreeks 06 april 2025 te Houten meermalen een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zijn geslachtdeel te tonen en/of masturberende/trekkende bewegingen te maken en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te vragen of hij hun vagina mocht zien en/of zij hun onderbroek naar beneden wilden doen en/of hij hun vagina mocht aanraken, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft op gronden als verwoord in haar pleitnota partiële vrijspraken van de feiten 1 en 2 bepleit. Zo heeft verdachte de slachtoffers niet gevraagd om zich uit te kleden en heeft hij geen masturberende bewegingen gemaakt. Verder is er in de visie van de raadsvrouw geen sprake van een beroep of gewoonte maken van de tenlastegelegde handelingen. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verder vrijspraak van feit 3 bepleit vanwege onvoldoende bewijs voor het daderschap van verdachte. Het oordeel van de rechtbank. De bewijsmiddelen. Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Verdachte erkent zijn daderschap op wezenlijke onderdelen van de aangifte. De rechtbank leidt uit het samenstel van de bewijsmiddelen in de kern af dat verdachte wilde kijken of hij na het staken van het nemen van libidoremmende medicatie nog een erectie kon krijgen. De rechtbank is van oordeel dat in deze gedraging en het motief van verdachte het seksuele karakter van het handelen van verdachte besloten ligt. Er is dus sprake van het feit dat verdachte de kinderen getuige heeft laten zijn van een weergave met een seksuele strekking. Verdachte heeft de kinderen zijn penis laten zien, een confrontatie die kinderen niet zouden moeten zien. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] en haar vriendinnetje [slachtoffer 2] heeft gevraagd om ook iets te laten zien of dat hij zou hebben gevraagd of zij zich wilden uitkleden. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de politie op 31 augustus 2025 heeft verklaard dat hij aan de twee kinderen heeft gevraagd of hij hun ‘plasser’ mocht zien. Tevens heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wilde kijken of zijn erectiestoornis opgelost kon worden door het kijken naar het geslachtsdeel van de slachtoffers. De rechtbank houdt verdachte aan deze verklaringen, nu er geen aanknopingspunt is waarom deze verklaringen onjuist zouden zijn. De rechtbank acht de verklaring van [moeder slachtoffer 1] , de moeder van [slachtoffer 1] , betrouwbaar en neemt de inhoud van de aangifte integraal tot uitgangspunt bij de beoordeling van de feitelijke toedracht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de slachtoffers kort na het incident authentiek, concreet, gedetailleerd, logisch en zonder enige vorm van overdrijving aan de moeder van [slachtoffer 1] verteld wat hen was overkomen. Hun verhaal komt in grote lijnen overeen met wat verdachte heeft verklaard. De rechtbank acht hun verklaringen en daarmee de inhoud van de aangifte in totaliteit betrouwbaar en gaat uit van de juistheid ervan. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. Verdachte erkent zijn daderschap grotendeels. Verdachte ontkent dat hij masturberende bewegingen heeft gemaakt en dat hij [slachtoffer 3] heeft gevraagd haar spleetje te laten zien. Naar eigen zeggen kan verdachte geen erectie meer krijgen, dus kan hij -naar eigen zeggen- niet masturberen. De rechtbank acht ook de door verdachte betwiste onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft ook ten aanzien van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wilde kijken of zijn erectiestoornis kon worden opgelost door het kijken naar het geslachtsdeel van de slachtoffers en dat hij wilde kijken of hij na het niet meer nemen van libidoremmende medicatie nog een erectie kon krijgen. De moeder van [slachtoffer 3] , [moeder slachtoffer 3] , heeft verklaard dat [slachtoffer 3] heeft voorgedaan hoe verdachte horizontaal op en neer gaande bewegingen met zijn hand maakte en dat verdachte heeft gevraagd of hij haar spleetje mocht zien. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar en neemt de inhoud van de aangifte integraal tot uitgangspunt bij de beoordeling van de feitelijke toedracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer kort na het incident authentiek, concreet, gedetailleerd, logisch en zonder enige vorm van overdrijving aan haar moeder verteld wat haar was overkomen. Dat verdachte geen erectie meer kon krijgen maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte geen zelfbevredigende handelingen meer zou kunnen uitvoeren. Gelet op de aangifte en de eigen verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris acht de rechtbank ook bewezen dat hij aan het slachtoffer vervolgens heeft gevraagd of hij haar ‘spleetje’ mocht zien. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3. De verklaarde toedracht [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben kort na het incident aan de ter plaatse gekomen verbalisanten verteld dat er een rare meneer was die moest plassen en dat niet alleen durfde. Dat de meisjes op wacht moesten staan en dat hij vervolgens aan hen had gevraagd of ze wel eens een ‘grote meneer piemel’ hadden gezien. Hij had vervolgens zijn piemel laten zien en gezegd dat de meisjes hun broeken naar beneden moesten doen, ook hun onderbroeken, en hij had gevraagd of hij hun vagina’s mocht zien. Ze hadden daarna hun broeken naar beneden gedaan. Toen de man dichter naar hen toe kwam vond [slachtoffer 4] het niet meer leuk en ging zij voor [slachtoffer 5] staan en hebben zij hun broeken weer aan gedaan. De meisjes hebben ditzelfde verklaard aan hun moeders [moeder slachtoffer 4] (moeder van [slachtoffer 4] ) en [moeder slachtoffer 5] (moeder van [slachtoffer 5] ). [slachtoffer 4] heeft daarbij nog tegen haar moeder gezegd dat zij haar vest naar beneden had getrokken toen de man haar wilde aanraken en dat er ‘druppeltjes plas uit de piemel kwamen toen hij in de piemel kneep’. [slachtoffer 5] heeft tegen haar moeder gezegd dat [slachtoffer 4] heeft voorkomen dat de man hen heeft aangeraakt. De kinderen beschrijven de man als een oude man met een huidskleur zoals die van een van de moeders, zijnde een witte huidskleur, met grijs haar en een Stella fiets. Dit alles zou bij de bosjes zijn gebeurd bij een speeltuin met ‘die familieschommel’ en ‘prikkelplantjes’. Betrouwbaarheid van de slachtoffers. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , afgelegd bij de politie en ook aan hun moeders betrouwbaar. Zij hebben consistent, gedetailleerd, volledig en authentiek verklaard. De verklaringen die de kinderen hebben afgelegd bij de politie en hun moeders is gelijkluidend en dus consistent. Daarnaast hebben de kinderen gedetailleerd verklaard. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen ook authentiek zijn. De kinderen gebruiken bewoordingen die passen bij de leeftijd van de kinderen en daarbij beschrijft [slachtoffer 5] handelingen met de penis die -gelet op de context- niet leeftijdsconform zijn en door een kind van die leeftijd doorgaans niet eigenhandig ingevuld kunnen worden. Tot slot verklaart de moeder van [slachtoffer 4] dat [slachtoffer 5] in paniek was, een emotie die kort na de feiten door haar is waargenomen. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid ervan en neemt de hiervoor geschetste feitelijke toedracht tot uitgangspunt in haar beoordeling. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte de man is waarover de meisjes hebben verklaard. Daartoe stelt de rechtbank allereerst vast dat verdachte die dag daadwerkelijk in Houten was, terwijl hij daar niet woont. Verdachte is op 6 april 2025 met zijn fiets in zijn woonplaats Nijmegen in de trein gestapt en om 14:57 uur in Houten Castellum uitgestapt. Om 18.31 uur heeft verdachte ingecheckt op Utrecht Centraal met zijn OV-chipkaart voor zijn terugreis naar Nijmegen. Als reden voor zijn bezoek aan Houten Castellum heeft verdachte ook ter terechtzitting verklaard dat hij de ingestorte parkeergarage bij het Sint Antoniusziekenhuis in Nieuwegein wilde bekijken. Vanaf het treinstation Houten Castellum is dat tenminste tien kilometer fietsen. De rechtbank acht het volstrekt onlogisch dat verdachte dan in Houten Castellum zou uitstappen, aangezien dit niet het dichtstbijzijnde treinstation is ten opzichte van de ingestorte parkeergarage in Nieuwegein. Verdachte koos ook niet voor de snelste route. Daarbij komt ook nog dat de parkeergarage al in mei 2024 was ingestort en verdachte niet kan verklaren waarom hij pas zo lang na het instorten van de parkeergarage interesse kreeg in de instorting, is gaan kijken en met welk doel. Treinstation Houten Castellum is ongeveer 700 meter van de locatie waar de meisjes zijn aangesproken. Voorts stelt de rechtbank vast dat de meisjes spreken over een ‘Stella’ fiets. Verdachte heeft een fiets van het merk Stella. Dat de kleur, zoals verdachte stelt, niet zwart maar grijs was, kan een nuance in de waarneming zijn. Schakelbewijs ten aanzien van de modus operandi Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat schakelbewijs als dergelijk steunbewijs kan dienen. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de rechter de bewezenverklaring mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt ‘schakelbewijs' genoemd. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest. Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt. Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Evenmin is voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk - dus los van de schakelbewijsconstructie - wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank stelt vast dat alle drie de ten laste gelegde feiten buiten de woonplaats van verdachte hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij steeds met de trein naar een willekeurige plaats in Nederland gaat en zich dan met de fiets verder verplaatst. Dat verdachte de trein naar een andere plaats neemt om vervolgens met een fiets zich te verplaatsten naar een plek om kinderen aan te spreken is dus een duidelijke en terugkerende modus operandi voor verdachte. Daarbij komt dat ook de handelwijze bij de slachtoffers in grote en belangrijke mate overeenkomt. Zo spreken de slachtoffers over een man die aangeeft dat hij moet plassen en dan met de kinderen naar een afgelegen plek loopt. Vervolgens vraagt de man de kinderen of ze al eens een piemel hebben gezien. In eerdere gevallen heeft verdachte, naar eigen zeggen ter terechtzitting, deze smoes ook gebruikt om kinderen naar een afgelegen plek te lokken. Verder vraagt de man bij feit 1 of hij de ‘plasser’ van de slachtoffers mocht zien. Bij feit 2 vraagt hij of hij het ‘spleetje’ van het slachtoffer mag zien en bij feit drie moesten de slachtoffers hun ‘blootje’ laten zien waarna de man hun vagina wilde aanraken. Tot slot verklaren de slachtoffers van feit 2 en feit 3 over een masturberende beweging danwel een knijpende beweging in de piemel. Zodra de slachtoffers niet (meer) willen of wegrennen, gaat de man er op de fiets snel van door. Dit alles maakt dat de modus operandi (de manier van verplaatsen en steeds naar een andere plaats dan zijn woonplaats, de rustige locaties waar hij de kinderen naartoe lokt, de smoes die hij steeds gebruikt en het snelle vertrek per fiets wanneer het niet lukt) en de opeenvolging van handelingen en vragen aan de slachtoffers dermate gelijkend zijn dat de rechtbank de redengevende feiten en omstandigheden die aan de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 ten grondslag liggen zal gebruiken als schakelbewijs voor feit 3. Conclusie van de rechtbank Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest waarover [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben verklaard en zich aldus ook schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit. Beroep of gewoonte maken van de feiten 1,2 en 3. Naar oordeel van de rechtbank heeft verdachte een gewoonte gemaakt van de ten laste gelegde strafbare feiten. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat verdachte maar liefst zeventien zedenfeiten op zijn justitiële documentatie heeft staan. Verdachte recidiveert dus bijzonder hardnekkig in zijn zedendelicten over een lange periode. Verdachte heeft in 2025 in enkele maanden tijd weer vijf slachtoffers gemaakt met soortgelijke feiten met dezelfde modus operandi. Daarmee kan worden gesproken over een gewoonte maken van het corrumperen van kinderen. Dat betekent dat de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde integraal wettig en overtuigend bewezen acht. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: t.a.v. feit 1 op 27 augustus 2025 te Helmond meermalen een kind beneden de leeftijd van zestien jaren te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geslachtsdeel te laten zien en daarbij aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te vragen of zij ook iets wilden laten zien of zich wilden uitkleden, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt t.a.v. feit 2 op 3 juni 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk een kind beneden de leeftijd van zestien jaren te weten [slachtoffer 3] getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 3] zijn geslachtdeel te tonen en masturberende/trekkende bewegingen te maken en (daarbij) aan die [slachtoffer 3] te vragen of zij haar spleetje wilde laten zien, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt t.a.v. feit 3 op 06 april 2025 te Houten meermalen een kind beneden de leeftijd van zestien jaren te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door ten overstaan van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zijn geslachtdeel te tonen en masturberende/trekkende bewegingen te maken en (daarbij) aan die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] te vragen of hij hun vagina mocht zien en zij hun onderbroek naar beneden wilden doen en hij hun vagina mocht aanraken, terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben, met dien verstande dat de voor feit 1 en feit 2 gebezigde bewijsmiddelen tevens worden gebruikt in de bewijsvoering van feit 3. De strafbaarheid van de feiten. Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen met de voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van een op te leggen tbs met voorwaarden op het standpunt gesteld dat sprake is van een in tijd gemaximeerde maatregel. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ernst van de feiten. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel benaderen van jonge kinderen. Een delict dat grote impact heeft op de (jonge) kinderen en die voor maatschappelijke onrust zorgt. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en het kan de ontwikkeling van de kinderen ernstig schaden. Op persoonlijk niveau heeft verdachte ook een grote inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van de slachtoffers. Dit blijkt uit de indrukwekkende slachtofferverklaringen die zijn voorgedragen ter terechtzitting. De slachtoffers ervaren nog altijd angst en hun gevoel van veiligheid in hun eigen buurt is ernstig aangetast door verdachte. Het is voor de kinderen niet meer vanzelfsprekend om onbekommerd buiten te kunnen spelen. Het feit dat verdachte de kinderen bovendien heeft opgedragen het delict geheim te houden en zo zijn geheim en schaamte op te dringen aan de kinderen rekent de rechtbank verdachte ten zeerste aan. Het strafblad van verdachte. De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte. Hierop staan maar liefst zeventien zedenfeiten. Hij werd voor het eerst aangehouden voor een zedenfeit op zestienjarige leeftijd. Verder volgt hieruit dat verdachte in 2004, vanwege zedendelicten, tbs met verpleging van overheidswege (ook wel dwangverpleging genoemd) opgelegd heeft gekregen. Deze maatregel werd uiteindelijk in 2019 onvoorwaardelijk beëindigd. Deze impactvolle, intensieve en langdurige maatregel heeft kennelijk niet het gehoopte effect gesorteerd en heeft hem er niet van weerhouden om de huidige delicten, wederom zedenfeiten, te plegen. Verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van het feit dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed kennelijk niet, dan wel onvoldoende, inziet en zijn seksuele behoeften in indringende mate steeds voor het belang van de slachtoffers stelt. Dit rekent de rechtbank verdachte dan ook aan. De persoon van verdachte Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte lijdt aan meerdere ziekelijke stoornissen. Op 19 mei 2026 hebben de psychiater dr. J. Vreugdenhil en de psycholoog drs. M.H. Keppel een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie en het advies luiden: Dat er bij verdachte sprake is van een pedofiele stoornis, een exhibitionismestoornis en een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken. Gedurende de tbs-periode waren de parafiele stoornissen in remissie, maar ze zijn teruggekomen na het wegvallen van begeleiding, structuur en libidoremmende medicatie. Geadviseerd wordt om betrokkene de drie ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De herhaling van seksueel ongeoorloofd dan wel strafbaar gedrag wordt, bij ongewijzigde omstandigheden zonder adequate hulpverlening, als matig-hoog beoordeeld. Er lijkt sprake te zijn van een seksuele drang, die gaandeweg weer is toegenomen na het stoppen met libidoremmende medicatie en het wegvallen van toezicht en begeleiding na de tbs-behandeling. Er is momenteel sprake van motivatie voor behandeling en medicatiegebruik. Gezien het feit dat betrokkene een aantal jaren na een langdurige tbs-behandeling is gerecidiveerd, wordt langdurig toezicht vanuit de reclassering noodzakelijk geacht om het recidiverisico te verlagen. Daarnaast is het noodzakelijk dat de opnieuw ontstane seksuele drang van betrokkene wederom wordt behandeld met libidoremmende medicatie, omdat dit ook in het verleden effectief is gebleken. Gezien het matig-hoge risico op toekomstig seksueel gewelddadig gedrag, waarbij rekening moet worden gehouden met maatschappelijk gevaar, wordt een tbs-kader noodzakelijk geacht. Aangezien betrokkene op dit moment bereid is om zich aan de gestelde voorwaarden te houden en er geen reden is om aan zijn intenties daartoe te twijfelen, wordt door de deskundigen tbs met voorwaarden geadviseerd. De reclassering kan hiertoe de haalbaarheid onderzoeken. Gezien de blijvende, complexe en meervoudige problematiek van betrokkene, de delictgeschiedenis en de terugval na een eerdere tbs-behandeling, lijkt daarnaast een GVM aangewezen om zorg en toezicht na afloop van de tbs-maatregel te kunnen blijven waarborgen. In het maatregelrapport van 21 juli 2026 heeft M.M.J.E Idserda als volgt overwogen: In 2004 werd betrokkene veroordeeld tot tbs met dwangverpleging, die uiteindelijk in januari 2019 onvoorwaardelijk werd beëindigd. De reclassering adviseerde destijds om de tbs- maatregel te verlengen met één jaar, omdat er onduidelijkheid was of betrokkene bij RIBW in Nijmegen kon blijven wonen. Betrokkene ging uiteindelijk (zelfstandig) wonen in Hatert, nabij Nijmegen. Hier ging het langere tijd goed, maar op den duur kreeg hij steeds minder structuur en begeleiding. Daarbij was hij gestopt met de libidoremmende medicatie en miste hij seksualiteit en intimiteit. Wij schatten het huidige risico op recidive, evenals de gedragsdeskundigen, matig tot hoog in. Aangezien betrokkene na een langdurig tbs-traject gerecidiveerd is -indien bewezen- achten de gedragsdeskundigen langdurig toezicht door de reclassering noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen. Zij vinden een klinische opname niet zinvol en adviseren een resocialisatie binnen het kader van tbs met voorwaarden. In contact met rapporteur stelt betrokkene zich hiertoe bereidwillig en coöperatief op. Hij zegt daarbij zijn medewerking toe aan het interventieadvies van de gedragsdeskundigen; hij is bereid om opnieuw libidoremmende medicatie te gaan gebruiken en hij staat open voor ambulante behandeling. De reclassering verwacht dat betrokkene in staat is om zich aan bijzondere voorwaarden te houden. Op grond hiervan schatten wij het risico op recidive van zedenfeiten matig-hoog in, waardoor wij het risico op letselschade ook matig-hoog achten. De risico’s komen voort uit de hardnekkige en chronische (zeden)problematiek van betrokkene. Hij heeft probleembesef en ziekte-inzicht en hij is gemotiveerd om niet terug te vallen in delictgedrag. Betrokkene weet wat daarvoor nodig is (met name libidoremmende medicatie en ambulante behandeling) en wil zijn medewerking daaraan verlenen. Na het beëindigden van de tbs-maatregel (2019) wilde betrokkene graag zijn libidoremmende medicatie afbouwen, omdat hij graag weer een 'normaal seksleven' wilde. Hij besprak dit met zijn contacten van de COSA, die hem naar zijn (nieuwe) huisarts verwezen. Hoewel de huisarts terughoudend zou zijn geweest, volgens betrokkene, heeft hij wel de libidoremmende medicatie afgebouwd. Hierna zou hij zijn seksuele gevoelens ''wel wat teruggekregen'' hebben, maar hij had geen (seksuele) relatie. Hoewel betrokkene eerder stopte met libidoremmende medicatie (zie: seksualiteit), staat hij er wel positief tegenover om opnieuw libidoremmende medicatie te gaan gebruiken, zoals door de Pro Justitia rapporteurs geadviseerd. Hij vindt het wel wat tegenstrijdig, vanwege zijn huidige erectieproblemen. Het lijkt zijn inziens immers onnodig om libidoremmende medicatie te nemen, als er al geen lust/wens tot seks meer is. De reclassering verwacht echter dat de risico’s toenemen als betrokkene geen libidoremmende medicatie gebruikt en wij verwachten langdurige commitment van betrokkene als het gaat om medicatie-inname. In het verleden was betrokkene coöperatief en goed in de samenwerking met de reclassering. Wij schatten het risico op onttrekking dan ook laag in. De reclassering adviseert positief over tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden. Betrokkene heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden en wij kunnen het toezicht hierop uitoefenen. • Geen strafbaar feit plegen • Meewerken aan reclasseringstoezicht •Niet naar het buitenland • Ambulante behandeling; Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang • Meewerken aan time-out • Contactverbod • Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) • Vermijden contact met minderjarigen Wij adviseren dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. De kans op een misdrijf met schade voor personen is aanwezig. Bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseren wij een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf. Zowel de persoonlijkheidsstoornis als de parafiele stoornissen van betrokkene zijn van chronische aard en hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde – indien bewezen. Zijn (zeden)problematiek is zeer hardnekkig en complex. Ook na een eventuele behandeling kunnen er risico’s blijven bestaan voor toekomstig seksueel grensoverschrijdend gedrag. Er is mogelijk langdurig toezicht op betrokkene nodig om potentiële nieuwe (minderjarige) slachtoffers te voorkomen. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en houdt hier bij de strafoplegging in matigende zin rekening mee. Tbs-maatregel De juridische criteria voor het kunnen opleggen van tbs volgen uit artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr): bij verdachte dient ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens te hebben bestaan die invloed had op zijn handelen, de door verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel. Wanneer sprake is van groot herhalingsgevaar, kan de rechtbank op grond van artikel 37b, eerste lid, Sr bepalen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank stelt vast dat het gewoonte maken van het plegen van een feit als bedoeld in artikel 251 Sr een feit is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en waarvoor aldus een tbs-maatregel kan worden opgelegd. Uit de Pro Justitia rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rechtbank is op basis van de aard van de stoornis en de persoonskenmerken van verdachte, beide zoals geschetst door de deskundigen, van oordeel dat sprake is van ernstige psychische problematiek waarvoor behandeling, langdurig toezicht en libidoremmende medicatie noodzakelijk is. Daarnaast is gebleken dat verdachte onder invloed van deze problematiek een gevaar vormt voor anderen, en meer in het bijzonder prepuberale meisjes. Verdachte is, nadat hij reeds langdurig het regime van een eerder opgelegde tbs-maatregel had ondergaan, gestopt met libidoremmende medicatie en heeft wederom strafbare feiten gepleegd waarvoor hij verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. Dit alles maakt dat aan de formele criteria voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan. De vervolgvraag is of het opleggen van deze beveiligingsmaatregel ook passend is, en zo ja, in welke vorm: tbs met verpleging van overheidswege of tbs met voorwaarden. De rechtbank stelt voorop dat een tbs-maatregel in alle gevallen een ultimum remedium moet zijn, waarna steeds moet worden gekeken welke tbs-modaliteit het beste aansluit bij de behandelings- en begeleidingsbehoefte van de terbeschikkinggestelde om het recidiverisico en het maatschappelijk gevaar zo goed mogelijk in te dammen. Tbs met voorwaarden vergt meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van de tbs-gestelde. Hij moet dan instemmen met de voorwaarden, die behoorlijk ingrijpend kunnen zijn. De hierboven genoemde gedragsdeskundigen hebben in hun rapport geconcludeerd dat verdachte begeleidings- en/of behandelingscontact vanwege zijn vermijdende coping niet zelf actief kan of zal opzoeken. Daarbij wordt een tbs-kader noodzakelijk geacht omdat er een matig-hoog risico is op toekomstig seksueel gewelddadig gedrag waarbij er rekening moet worden gehouden met maatschappelijk gevaar. De aard en de ernst van het delictgedrag en de daarbij spelende stoornissen van verdachte vragen om een strak, zeer gecontroleerd kader. Waarbij -zeker aanvankelijk- bescherming van de maatschappij ook van wezenlijk belang is. Hoewel de psychiater en psycholoog hebben aangegeven dat de haalbaarheid van tbs met voorwaarden alsmede het opleggen van een GVM-maatregel door de reclassering dient te worden onderzocht, en de reclassering de mogelijkheden daartoe aanwezig acht, is de rechtbank van oordeel dat enkel de modaliteit tbs met verpleging van overheidswege toereikend is in het geval van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Aan verdachte is in 2004 tbs met verpleging van overheidswege opgelegd wegens zedendelicten, die maatregel is in 2019 onvoorwaardelijk beëindigd. Verdachte is veroordeeld voor niet minder dan zeventien zedendelicten. Na het beëindigen van de eerder opgelegde tbs- maatregel is verdachte weer overgegaan tot het plegen van onderhavige vijf zedendelicten. Dit nadat hij zelfstandig is gestopt met de voor hem noodzakelijk gebleken libidoremmende medicatie omdat hij ‘het wel genoeg vond’ en een normaal seksleven wilde. Hij wilde onderzoeken of hij nog een erectie kon krijgen en heeft daarvoor in april, juni en augustus 2025, in respectievelijk Houten, Grave en Helmond in totaal vijf jonge meisjes benaderd. Verdachte verklaarde ter terechtzitting dit puur te hebben gezien als ‘test’ voor zijn erectiestoornis. Na het benaderen van het eerste slachtoffer, waarbij hij geen erectie heeft gekregen, heeft hij zich hier niet bij neergelegd en heeft hij weer nieuwe ‘testmomenten’ gecreëerd en uitgevoerd en hiermee nieuwe slachtoffers gemaakt. Bij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft dit zelfs bijna weer geleid tot een ‘ hands-on ’ delict. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het kunnen hebben van een erectie voor hem altijd erg belangrijk is geweest en dat hij niet wist of althans niet voldoende wist dat ‘ hands-off ’ delicten ook bijzonder schadelijk kunnen zijn voor de slachtoffers. In zijn eerdere tbs-behandeling is dat volgens hem onvoldoende aan bod gekomen in de behandeling. Verder heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij de noodzakelijke libidoremmende medicatie wel weer zal gaan gebruiken als dat moet, maar dat hij de noodzaak daarvan niet inziet, omdat hij immers geen erectie meer kan krijgen. Ook bij de reclassering heeft verdachte aangegeven dat hij de inname van libidoremmende medicatie wat tegenstrijdig vindt, vanwege zijn huidige erectieproblemen. Het lijkt zijn inziens immers onnodig om libidoremmende medicatie te nemen, als er al geen lust/wens tot seks meer is. Ook heeft hij zowel in de verhoren bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat juist deze libidoremmende middelen wellicht de veroorzaker zijn geweest van zijn erectiestoornis. Voornoemde uitlatingen van verdachte baren de rechtbank grote zorgen. Verdachte is eerder gestopt met deze medicatie, wat uiteindelijk heeft geleid tot de onderhavige delicten en gelet op deze uitspraken acht de rechtbank aannemelijk dat hij wederom zal stoppen met de libidoremmende medicatie wanneer het hem niet zint en dan weer tot ‘ hands-off ’ dan wel ‘ hands-on ’ delicten zal overgaan. Bij verdachte zijn in het verleden de libidoremmende middelen uiterst effectief gebleken in het leiden van een (zeden)delictvrij leven. Bij zijn afwegingen om na de tbs-maatregel met de libidoremmende middelen te stoppen heeft hij uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang ‘om weer een libido en een erectie te kunnen hebben’ en heeft hij geen oog gehad voor de risico’s die die keuze met zich mee zou brengen, hoewel hij met die risico’s bekend was en ziektebesef heeft. Zowel de persoonlijkheidsstoornis als de parafiele stoornissen zijn van chronische aard en zijn (zeden)problematiek is zeer hardnekkig en complex. De reclassering verwacht dat de risico’s toenemen als betrokkene geen libidoremmende medicatie gebruikt en daarom verwacht de reclassering langdurige commitment van betrokkene als het gaat om medicatie-inname. Aangezien hij eerder gestopt is met de libidoremmende medicatie en hij nu ook twijfels heeft bij de noodzaak daarvan, bestaat er een grote kans dat verdachte wederom zal stoppen met het gebruik van de libidoremmende medicatie. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet kan worden gedwongen om libidoremmende medicatie te (blijven) nemen, ook niet in het kader van een tbs-maatregel. Libidoremmende middelen vallen niet onder de categorie medicatie die onder dwang kunnen worden toegediend in het kader van tbs met verpleging van overheidswege. Het behoort wel tot het behandelaanbod voor tbs’ers maar kan slechts vrijwillig worden opgenomen in de behandeling. De rechtbank concludeert dat zodra verdachte weer zal stoppen met deze medicatie -om welke reden dan ook- het risico op het plegen van nieuwe zedendelicten weer zal toenemen, zoals al eerder is gebeurd. Dit risico acht de rechtbank te groot. Zeker nu verdachte het moeilijk vindt om aan de bel te trekken als zijn seksuele drang weer toeneemt. Dat verdachte nu aangeeft eerder zijn ondersteunend netwerk te zullen inschakelen bij de drang die voortvloeit uit zijn stoornissen, acht de rechtbank niet realistisch. Het zou van hem vergen dat hij zonder nadere behandeling zelfstandig een nieuwe coping inzet, die hij niet eerder heeft ingezet terwijl hij al decennialang met deze problematiek kampt. In 2025 is het hem ook niet gelukt. Immers, ten tijde van de onderhavige delicten heeft hij steeds zijn netwerk niet ingeschakeld, heeft hij steeds besloten (over een periode van meerdere maanden) toch naar een plaats te reizen om een delict te plegen en verdachte heeft niet duidelijk kunnen maken wat daarin nu anders zou zijn. Daarbij overschat verdachte zichzelf consequent en onderschat hij zijn stoornissen en de risico’s die zijn stoornissen met zich brengen. Bovendien ziet verdachte het kwalijke van ‘ hands-off ’ gedrag onvoldoende in. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er geen wezenlijk verschil is tussen de coping van verdachte ten tijde van eerdere delicten en zijn eventuele coping nu. Zeker nu verdachte een persoonlijkheidsstoornis heeft met vermijdende trekken. Een tbs-modaliteit waarbij verdachte in de maatschappij blijft meedraaien, en daarbij op ieder moment in een trein en op een fiets kan stappen wanneer hij drang voelt en op nieuwe plaatsen nieuwe feiten kan plegen is geen passende tbs-modaliteit voor verdachte. Zijn mate van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid -niet alleen voor het inrichten van zijn leven maar ook voor het voorkomen van recidive en gevaar- schieten tekort om tbs met voorwaarden op verantwoorde wijze vorm te geven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het risico te groot dat verdachte zich niet aan de gestelde noodzakelijke voorwaarden voor tbs met voorwaarden zal houden. Dit brengt grote risico’s mee voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, nu aan de (wettelijke) criteria daarvoor is voldaan en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De rechtbank acht tbs met verpleging van overheidswege noodzakelijk en proportioneel. De rechtbank zal die maatregel dan ook opleggen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten kunnen worden aangemerkt als misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de tbs-maatregel met dwangverpleging een periode van vier jaar te boven mag gaan. Gevangenisstraf. De rechtbank acht in beginsel uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming op zijn plaats. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verdachte zo spoedig moet starten met de noodzakelijke tbs-behandeling, dit maakt dat er een geringere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan normaliter zou worden opgelegd bij dergelijke feiten. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 357 dagen, dit is gelijk aan het aantal dagen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , met als wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger slachtoffer 1] : Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Om deze reden zal de rechtbank dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zodanig voor de hand ligt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor de benadeelde partij integraal toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor haar heeft gehad. De rechtbank acht de vordering daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 1250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening. De benadeelde zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij zal zich daartoe tot de burgerlijke rechter moeten wenden. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , met als wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger slachtoffer 2] : Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zodanig voor de hand ligt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor de benadeelde partij integraal toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor haar heeft gehad. De rechtbank acht de vordering daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 1250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , met als wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger slachtoffer 3] : Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zodanig voor de hand liggen. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor de benadeelde partij partieel toe te toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor haar heeft gehad. De rechtbank ziet geen grond om te differentiëren in de hoogte van de toe te wijzen bedragen nu de feitencomplexen en de aard en de ernst van de normschending voor alle slachtoffers nagenoeg gelijk is. Om deze reden zal het deel van de vordering dat het bedrag van € 1250,- te boven gaat niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank acht de vordering daarom partieel toewijsbaar tot een bedrag van € 1250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot de dag der algehele voldoening. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , met als wettelijk vertegenwoordiger. [vertegenwoordiger slachtoffer 4] : Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 3 ten laste gelegde. Daaruit volgt dat de verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht feit 3 bewezen en oordeelt ten aanzien van de vordering benadeelde partij als volgt: De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zodanig voor de hand liggen. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor de benadeelde partij integraal toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor haar heeft gehad. De rechtbank acht de vordering daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 1250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot de dag der algehele voldoening. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , met als wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger slachtoffer 5] . Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 3 ten laste gelegde. Daaruit volgt dat de verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht feit 3 bewezen en oordeelt ten aanzien van de vordering benadeelde partij als volgt: De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zodanig voor de hand liggen. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor de benadeelde partij integraal toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor haar heeft gehad. De rechtbank acht de vordering daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 1250,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot de dag der algehele voldoening. Beslag De rechtbank beslist dat de inbeslaggenomen damesfiets (Omschrijving: PL2100-2025193914-G2381578/ kettingslot en gele snelbinder/ Electrische fiets, GRIJS, merk: STELLA) teruggegeven zal worden aan de rechtmatige eigenaar zijnde [verdachte] . Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 37b, 57 (oud), 251 Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde onder feit1, feit 2 en feit 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: t.a.v. feit 1 Een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling /een visuele weergave van seksuele aard met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een beroep of gewoonte wordt gemaakt. t.a.v. feit 2 Een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling /een visuele weergave van seksuele aard met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, terwijl van het begaan van het feit een beroep of gewoonte wordt gemaakt. t.a.v. feit 3 Een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling /een visuele weergave van seksuele aard met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een beroep of gewoonte wordt gemaakt. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf en maatregel. T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3: - gevangenisstraf voor de duur van 357 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht -Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege Teruggave inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen: 1 STK Fiets Dames, (Omschrijving: PL2100-2025193914-G2381578/ kettingslot en gele snelbinder/ Electrische fiets, GRIJS, merk: STELLA) aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] t.a.v. feit 1: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit 1.250,00 euro vergoeding van immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen. Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.250,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. t.a.v. feit 1: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.250,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. t.a.v. feit 2: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 03 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen. Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.250,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 03 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. t.a.v. feit 3: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 1.250,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. t.a.v. feit 3: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 5] , van een bedrag van 1.250,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. Dit vonnis is gewezen door: mr. C.W.H. Houg, voorzitter, mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. R.J. Heuft, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman, griffier, en is uitgesproken op 21 augustus 2026.