Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-21
ECLI:NL:RBOBR:2026:5993
Veroordeling aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. 150 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren. Vordering benadeelde partij toegewezen. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Team Strafrecht Parketnummer: 01.030817.26 Datum uitspraak: 21 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 augustus 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 juli 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 9 april 2025 te Eindhoven met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] ( [geboortedatum] ) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het op schoot nemen van die [slachtoffer] , - die [slachtoffer] over de rug te masseren en/of te kriebelen en/of - (daarbij) zijn lichaam op en neer te bewegen, terwijl hij een erectie had; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De beoordeling van het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het standpunt van de verdediging. Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 7 augustus 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Het oordeel van de rechtbank. De bewijsmiddelen. De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Overwegingen van de rechtbank. Juridisch kader voor het bewijs in zedenzaken. De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. In zedenzaken geldt dat een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Ook een waarneming kan steunbewijs opleveren voor het ten laste gelegde. Met het bezigen van een (ondersteunend) bewijsmiddel waar het gaat om iemands gemoedstoestand moet terughoudend worden omgegaan. In de jurisprudentie is te zien dat de waarneming omtrent de gemoedstoestand als bewijsmiddel wordt gebezigd wanneer het betreffende slachtoffer (heel) kort daarvóór iets is aangedaan en de gemoedstoestand die door een getuige wordt waargenomen daarbij passend is. Vaststelling van de feiten. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet in geschil dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) op 9 april 2025 te Eindhoven, terwijl zij samen in een jacuzzi zaten op schoot heeft genomen en over de rug heeft gekriebeld. De bewijsvraag spitst zich toe op de vraag of verdachte ten tijde van deze handelingen een erectie had en of deze handelingen van seksuele aard waren. Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer] en steunbewijs. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het slachtoffer heeft consistent en authentiek verklaard over de handelingen van verdachte en zijn erectie gedurende deze handelingen. Zij heeft deze verklaring direct na het feit ten overstaan van haar broer en haar moeder gedaan. Tegen beiden heeft zij verklaard over de erectie van verdachte. Tegenover haar moeder heeft zij dit nader gespecificeerd: zij heeft de erectie zowel gezien als gevoeld. Dit sluit aan bij haar eigen verklaring bij de politie, waarin zij eveneens verklaart de erectie zowel te hebben gezien als te hebben gevoeld. Zowel haar broer als haar moeder verklaren daarover in de kern gelijk. Daar komt bij dat zowel de broer als de moeder van het slachtoffer verklaren over de geëmotioneerde toestand waarin het slachtoffer zich vlak na het feit bevond. Voorts blijkt uit de chatberichten die verdachte de dag na het feit heeft gestuurd naar het slachtoffer dat er meer is voorgevallen dan dat verdachte gedurende het onderzoek en de behandeling ter terechtzitting heeft willen doen voorkomen. Verdachte erkent in de chatberichten dat hij de grenzen van het slachtoffer heeft overschreden. Anders dan de verklaringen van broer en moeder is dit bericht van verdachte zelf afkomstig en vormt het daarmee onafhankelijk steunbewijs als bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Seksuele handelingen. De handelingen die aan verdachte verweten worden in de tenlastelegging kunnen zich ook buiten een seksuele context voordoen. De rechtbank stelt gezien hetgeen reeds overwogen vast dat verdachte een erectie had gedurende het plegen van deze handelingen. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen een onmiskenbaar seksueel karakter hebben gekregen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte, in onderlinge samenhang bezien, als seksuele handelingen te kwalificeren zijn in de zin van artikel 247 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Conclusie. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. Verweren. Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. De rechtbank heeft deze verweren aangemerkt als bewijsverweren. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 9 april 2025 te Eindhoven met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] ( [geboortedatum] ) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het op schoot nemen van die [slachtoffer] , - die [slachtoffer] over de rug te kriebelen en - daarbij zijn lichaam op en neer te bewegen, terwijl hij een erectie had. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straffen. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om enkel een taakstraf aan verdachte op te leggen. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De ernst van het bewezenverklaarde feit. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn dochter en haar lichamelijke integriteit aangetast. Verdachte pleegde het feit toen hij alleen met haar in een jacuzzi zat. Het minderjarige slachtoffer had op dat moment geen directe mogelijkheid om zich aan de seksuele handelingen te onttrekken. Het handelen van verdachte heeft een grote indruk gemaakt op het slachtoffer, zo is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de verklaringen van haar broer en haar moeder. De persoon van de verdachte. De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie aangaande verdachte van 24 juni 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. De strafmodaliteit. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en bij straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Deze dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving oplegging van een taakstraf passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 150 uren opleggen. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met alleen oplegging van een taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Deze straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat. Conclusie. Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 1.797,00, bestaande uit € 297,00 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade. De materiële schade bestaat uit kosten voor lichaamsgerichte psychotherapie. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding geheel kan worden toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alles te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist. Het oordeel van de rechtbank. Materiële schadevergoeding. De rechtbank acht de gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar, aangezien de post betrekking heeft op schade die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit en deze schade in voldoende mate is onderbouwd. Immateriële schadevergoeding. Gezien de aard van het bewezenverklaarde feit, alsmede de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij door de aanranding geestelijk letsel heeft opgelopen. De hoogte van het gevorderde bedrag aan immateriële schade acht de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 1.500,00 een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht de verdachte aansprakelijk voor deze schade. De vordering wordt in haar geheel toegewezen. De vordering wordt verder vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025 tot aan de datum van de algehele voldoening van het toegewezen bedrag. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 247 Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank: Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: Aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straffen. - Een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis - Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] : Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.797,00 euro, bestaande uit 297,00 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.797,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 17 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 297,00 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.