Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-20
ECLI:NL:RBOBR:2026:5962
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Niet voldaan aan ‘zachte criteria’ ISD-maatregel. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van het voorarrest (vastgesteld op 107 dagen) waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.131019.26 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2000] , thans gedetineerd te: [verblijfplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 juli 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 mei 2026 te Eindhoven twee zonnebrillen (merk Chanel), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan warenhuis [bedrijf] (gevestigd aan [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De bewijsvraag. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen: Een proces-verbaal van aangifte van 5 mei 2026, inhoudende de verklaring van aangever [aangever] namens de [bedrijf] (p. 5-7, met bijlage p. 8); De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 augustus 2026. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 5 mei 2026 te Eindhoven twee zonnebrillen (merk Chanel), die aan warenhuis [bedrijf] (gevestigd aan [adres] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, maar verdachte te veroordelen tot een kale onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet is voldaan aan de ‘zachte criteria’ voor de oplegging van de ISD-maatregel, omdat verdachte niet eerder hulp is geboden. Daar komt bij dat verdachte geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen tijdens de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, omdat verdachte niet staat ingeschreven op een adres in Nederland. De reclassering had moeten onderzoeken of verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders en vreemdelingen in het strafrecht (hierna: de ISD VRIS-maatregel) geplaatst kon worden en dat is niet gebeurd. Subsidiair heeft de raadsvrouw de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel met een proeftijd van drie jaren bepleit. Meer subsidiair heeft zij verzocht om een ISD-maatregel onvoorwaardelijk op te leggen voor de duur van één jaar en met aftrek van het voorarrest. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Diefstallen zijn vervelende feiten; ze veroorzaken overlast en schade. Uit verdachtes handelen spreekt een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Verdachte heeft bij het plegen van het feit puur uit winstbejag gehandeld en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer en dat rekent de rechtbank verdachte aan. Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het volgende. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf 2021 veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten, gepleegd door het hele land. Daarvoor zijn zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, tot op heden zonder het gewenste resultaat. Er is op het gebied van het plegen van vermogensdelicten sprake van een delictpatroon. Rapportage reclassering Op 13 juli 2026 heeft de reclassering (Leger des Heils) over verdachte gerapporteerd. In dit rapport concludeert en adviseert de reclassering het volgende, zakelijk weergegeven: Betrokkene stelt winkeldiefstallen te plegen om in levensonderhoud te kunnen voorzien. Zijn UJD laat een duidelijk delictpatroon zien op het gebied van winkeldiefstallen. Betrokkene komt oorspronkelijk uit Roemenië en vertelt sinds 2020 geprobeerd te hebben om in Nederland zijn leven op te bouwen. Dit is klaarblijkelijk niet gelukt. Het is hem nooit gelukt om langdurig werk te vinden en behouden en om huisvesting te realiseren. Hij heeft nooit een vaste woon- of verblijfplaats gehad hier ten lande. Naar eigen zeggen lukt het hem niet om werk te vinden, daar hij geen BSN-nummer heeft. Wanneer dit geregeld zou zijn, acht hij zichzelf in staat om werk en huisvesting te realiseren. Naast deze praktische problemen, lijkt betrokkene over onvoldoende vaardigheden te beschikken om zijn problemen op te lossen. Hij lijkt zich enerzijds als slachtoffer van zijn situatie op te stellen, anderzijds stelt hij bewust alcohol te drinken zodat hij gaat stelen. Dit impliceert dat er bij betrokkene niet enkel sprake is van onmacht, maar dat hij ook bewust bepaalde keuzes maakt. Gelet op het feit dat er sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden en betrokkene een pro criminele houding laat zien (ondanks dat hij stelt zich te schamen voor zijn delictgedrag), zien we een groot afbreukrisico voor een traject binnen een voorwaardelijke veroordeling. We hebben vernomen dat betrokkene, voor wat betreft de formele eisen, in aanmerking komt voor de oplegging van een ISD-maatregel. Ondanks dat er nooit eerder hulpverlenings- of reclasseringsinterventies zijn ingezet, achten we een ISD-maatregel noodzakelijk en zien dit als de optimum remedium om tot gedragsverandering te kunnen komen. Inschatting risico's Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het risico op letsel wordt ingeschat als laag. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Advies over maatregelen en verboden Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Wij zien geen mogelijkheden om binnen een voorwaardelijk strafdeel met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Net als de reclassering vindt ook de rechtbank het belangrijk dat verdachte zijn problematiek blijvend gaat aanpakken en dat hij een stabiel leven opbouwt zonder dat hij daarbij strafbare feiten pleegt. Verdachte geeft aan dit nu zelf ook te willen en zich te willen houden aan bijzondere voorwaarden en een reclasseringstoezicht. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat hier hulp voor nodig is. Strafoplegging De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de zogenoemde ‘harde criteria’, nu aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan de oplegging van een ISD-maatregel stelt. Allereerst is diefstal een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder blijkt uit de justitiële documentatie van verdachte van 30 juli 2026 dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het nu door hem begane misdrijf ten minste drie keer wegens misdrijven onherroepelijk tot gevangenisstraffen is veroordeeld. Voorts is het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit begaan na de tenuitvoerlegging van deze eerder opgelegde straffen. De rechtbank is verder van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Dit volgt uit voormelde justitiële documentatie, maar ook uit het reclasseringsadvies van 13 juli 2026. In dat advies wordt een hoog recidiverisico geconstateerd indien de situatie van verdachte ongewijzigd zal blijven. De rechtbank overweegt daarnaast dat verdachte voldoet aan de definitie van stelselmatige dader als genoemd in de Richtlijn voor Strafvervolging bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders). Tot slot eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel, gelet op de aard van de misdrijven waarvoor verdachte is veroordeeld en het hoge risico op recidive. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of ook is voldaan aan de zogenoemde ‘zachte criteria’. De ISD-maatregel wordt in beginsel pas toegepast als eerdere straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden te recidiveren én indien eerdere hulpverlening niet het gewenste effect heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak niet is voldaan aan deze ‘zachte criteria’. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte een EU-onderdaan is met een rechtmatig verblijf in Nederland. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vooralsnog in Nederland wil blijven, en dat hij hier werk en huisvesting wil zoeken. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte nog nooit eerder de kans heeft gehad om – via een minder ingrijpende straf/maatregel en met behulp van reclasseringstoezicht – te bewijzen dat hij zijn leven blijvend op de rit kan krijgen zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte deze kans wel krijgen. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijk deel om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daaraan ook bijzondere voorwaarden verbinden. Nu door de reclassering geen mogelijke voorwaarden zijn geformuleerd die gesteld kunnen worden in geval van een voorwaardelijke veroordeling, zal de rechtbank zelf voorwaarden formuleren waarbij dagbesteding en huisvesting centraal staan. De rechtbank benadrukt dat het nu aan de verdachte is om deze kans met beide handen aan te grijpen. Hoewel verdachte tijdens de zitting een gemotiveerde indruk tot gedragsverandering heeft achtergelaten, ziet de rechtbank in de stukken en het delictverleden van verdachte ook dat hij in zijn motivatie wisselvallig kan zijn. Mocht verdachte zich niet aan de voorwaarden houden, dan is de kans groot dat de voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van het voorarrest (de rechtbank gaat uit van 107 dagen) waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zoals in het dictum genoemd. Dit brengt met zich mee dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven met ingang van heden. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 310 Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank: - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; - verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: diefstal De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf: Een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht (door de rechtbank vastgesteld op 107 dagen) waarvan 43 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Leger des Heils op het adres Dr. Cuyperslaan 80, 5623 BB te Eindhoven. Verdachte is bereikbaar op het telefoonnummer (06-87138684) en geeft wijzigingen voor wat betreft zijn telefoonnummer en adres door aan de reclassering. - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering. - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk met een vaste structuur. - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van voor hem passende huisvesting en een postadres. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde: - meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; - meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Voorlopige hechtenis: De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit vonnis is gewezen door: mr. E.H. Groen, voorzitter, mr. M.A. Waals en mr. M.J.C. van der Vegte, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier, en is uitgesproken op 20 augustus 2026. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, nummer PL2100-2026103347, afgesloten op 6 mei 2026, aantal doorgenummerde bladzijden: 33.