Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-18
ECLI:NL:RBOBR:2026:5876
IVA-uitkering. Hoogte dagloon. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het UWV heeft de later uitbetaalde uren terecht niet meegenomen in de berekening. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/3749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: E.A.M. Vervoort). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser per 19 oktober 2024 toegekende IVA -uitkering op grond van de Wet WIA . Eiser is het niet eens met de vastgestelde hoogte van de IVA-uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de uitkering terecht heeft vastgesteld op € 1.150,94 bruto per maand. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de hoogte van de aan eiser toegekende IVA-uitkering juist heeft vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het besluit van 31 oktober 2024 heeft het UWV geweigerd aan eiser per 19 oktober 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV het beroep van eiser gegrond verklaard en aan hem per 19 oktober 2024 een IVA-uitkering toegekend van € 1.150,94 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Feiten 3. Eiser was werkzaam als verkoopmedewerker voor 27,82 uur per week. Op 29 september 2022 heeft hij zich ziekgemeld. In verband met het bereiken van de zogenoemde einde wachttijd van 104 weken, heeft eiser op 6 augustus 2024 bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zijn de besluiten genomen zoals die staan vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’. Standpunten van partijen 4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom vanaf 19 oktober 2024 recht heeft op een IVA-uitkering. Het UWV licht toe dat de (bruto-)uitkering van eiser is gebaseerd op het door de werkgever opgegeven loon over de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2022 van € 1.442,50. Omdat augustus 2022 bestaat uit 23 dagloondagen, is dit bedrag gedeeld door 23 en vervolgens vermenigvuldigd met 21,75. Het aldus berekende loon van € 1.364,16 is na indexatie vastgesteld op een WIA-maandloon van € 1.657,35. Omdat de IVA-uitkering 75% van het WIA-maandloon is, bedraagt de bruto uitkering per maand € 1.243,01 (€ 1.657,35 x 75%) inclusief vakantiegeld. De maandelijkse betaling is € 1.150,94 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. 5. Eiser brengt naar voren dat hij al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was op het moment dat hij ging werken. Eiser werkte 27,82 uur per week en als hij niet deels arbeidsongeschikt zou zijn geweest, dan had hij voltijd – 38 uur per week – gewerkt. Daarnaast stelt eiser dat het loon van augustus 2022 ten onrechte is gedeeld door het aantal dagloondagen van augustus van 23. Volgens eiser moet het loon van augustus worden gedeeld door 21,75, het aantal gemiddelde SV-dagen per maand. Eiser stelt tot slot dat zijn dagloon hoger moet zijn, omdat hij in januari 2023 een nabetaling heeft ontvangen van meeruren die hij heeft gemaakt vóór zijn ziekmelding op 29 september 2022. Toetsingskader 6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling van de door eiser aangevoerde beroepsgronden 7. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat zijn stelling dat hij al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was bij aanvang van zijn werkzaamheden, is bedoeld om de context te schetsen en niet is bedoeld als beroepsgrond. De rechtbank zal hierover dan ook geen oordeel geven. Het aantal dagloondagen 8.1. Het UWV heeft met toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit de berekeningsperiode vastgesteld van 1 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2022 en het loon over augustus 2022 gedeeld door het in dit aangiftetijdvak gelegen aantal dagloondagen van 23. Eiser bestrijdt niet dat de berekeningsperiode en het aantal dagloondagen zijn vastgesteld volgens de regels van Dagloonbesluit. Hij is echter van mening dat het loon van augustus 2022 moet worden gedeeld door het gemiddeld aantal SV-dagen per maand van 21,75, omdat delen door het aantal dagloondagen van 23 voor hem ongunstig uitpakt. 8.2. In geschil is of het UWV in het geval van eiser van de voorgeschreven berekeningswijze in het Dagloonbesluit had moeten afwijken, omdat dit leidt tot een onevenredige uitkomst. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en legt dat hierna uit. 8.3. Met het bestreden besluit heeft het UWV toepassing gegeven aan artikel 18 van het Dagloonbesluit. Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift. Bij een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift (dat geen wet in formele zin is) kan aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst en bij strijd met het evenredigheidsbeginsel moet het algemeen verbindende voorschrift buiten toepassing worden gelaten. Omdat bij een gebonden besluit door de wetgever de belangenafweging al op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift heeft plaatsgevonden, moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift tot een onevenwichtige uitkomst zou leiden. De rechter beoordeelt daarom of het bestreden besluit onevenwichtig is, waarbij de toetsing is of het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. 8.4. De omstandigheden die eiser noemt, leiden er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Het is een bewuste keuze geweest van de wetgever om het in het refertejaar vanaf de aanvang van de dienstbetrekking verdiende loon te delen door het aantal doordeweekse dagen (dagloondagen). Die berekening houdt voor eiser in dat het welvaartsniveau dat bepalend is voor de hoogte van zijn uitkering het gemiddelde loon per dag is in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2022. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau op basis van het loon dat daadwerkelijk is ontvangen voorafgaand aan de uitval. Dat het besluit voor eiser ongunstig uitpakt omdat augustus 23 dagloondagen heeft en het gemiddeld aantal dagloondagen per maand 21,75 is, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor het bestreden besluit onevenwichtig is. Het UWV heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om de geldende dagloonregels buiten toepassing te laten. De later uitbetaalde uren over augustus 2022 9.1. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de in januari 2023 uitbetaalde meeruren over augustus 2022 terecht niet heeft meegenomen bij het vaststellen van het dagloon. De rechtbank legt dat hierna uit. 9.2. Volgens artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In vaste rechtspraak is geoordeeld dat de besluitgever er bewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat het Dagloonbesluit geen mogelijkheid biedt in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Door uit te gaan van het bedrag aan SV-loon van € 1.442,50 dat door de werkgever is opgegeven over augustus 2022, heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit correct toegepast. Ondanks dat de rechtbank begrijpt dat dit voor eiser nadelig uitpakt, is dit het gevolg van de gekozen systematiek en kan het niet tot vaststelling van een ander dagloon leiden. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet WIA Artikel 13. Dagloon en maandloon 1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 2. In afwijking van het eerste lid wordt in het in artikel 21 bedoelde geval het dagloon op de daar genoemde wijze vastgesteld. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld. 4. Het maandloon bedraagt: indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten. Dagloonbesluit werknemersverzekeringen Artikel 15. Algemene bepalingen over het loon voor Wet WIA en WAO 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. 2. Onder loon als bedoeld in artikel 14 wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten. Artikel 18. Dagloon starter en herintreder 1. Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode. 2. Het dagloon van de werknemer die in de referteperiode geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten is de uitkomst van de volgende berekening: (A – B + C) / D waarbij: A staat voor het loon dat de werknemer voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, bij alle werkgevers; B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden; C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden; en D staat voor het in dat aangiftetijdvak gelegen aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag van intreden van de arbeidsongeschiktheid. 3. Indien D nul is, is het dagloon, in afwijking van het tweede lid, de uitkomst van de volgende berekening: E/F waarbij: E staat voor het overeengekomen loon in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden; en F staat voor het aantal dagloondagen in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden dan wel, indien het een aangiftetijdvak van een maand betreft, 21,75. (…) Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190. Zie Nota van Toelichting bij artikel 18 van het Dagloonbesluit, Stb. 2013, 185, p. 39. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2347, r.o. 4.4 en van 28 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:437, r.o. 4.3.