Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-17
ECLI:NL:RBOBR:2026:5873
Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die ziet op de bouw van een watersilo op het perceel Laar in Berlicum. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college de derde-partij ten onrechte als belanghebbende bij het verzoek om handhaving heeft aangemerkt. Toch heeft het college de opgelegde last onder dwangsom mogen opleggen en kan deze in rechte worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter bepaalt dat de getroffen voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: SHE 26/2110 en SHE 26/2109 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiseres] B.V., uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J. van Groningen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel , het college (gemachtigden: mr. L.L. van Dalsen-Croes en mr. W. Piepenbrock). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [belanghebbende] uit [woonplaats] . Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom die ziet op de bouw van een watersilo op het perceel [adres] in [woonplaats] . Eiseres is het niet eens met deze last. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningen-rechter de zaken. 2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de derde-partij ten onrechte als belanghebbende bij het verzoek om handhaving heeft aangemerkt. Toch heeft het college de opgelegde last onder dwangsom mogen opleggen en kan deze in rechte worden gehandhaafd. Verder heeft college ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar aan eiseres toegekend. Eiseres krijgt deels gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak door een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toe te kennen aan eiseres. De voorzieningen- rechter bepaalt dat de getroffen voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd die ziet op de bouw van een watersilo op het perceel [adres] in [woonplaats] . Eiseres dient de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Dit doet eiseres door te zorgen dat de watersilo binnen tien weken is verwijderd en verwijderd blijft. Indien eiseres niet of niet volledig voldoet aan de last, dan verbeurt zij een dwangsom van € 6.000,- per week met een maximum van € 60.000,-. Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Met het bestreden besluit van 10 juni 2026 op de bezwaren eiseres en op de bezwaren van de derde-partij is het college bij die besluiten gebleven. Het college heeft wel de hoogte van de dwangsom aangepast en vastgesteld op het bedrag van € 5.000,- per week met een maximum van € 50.000,-. 3.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/2109. 3.2. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit bij uitspraak van 22 juli 2026 geschorst en bepaald dat partijen worden opgeroepen om ter zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam] en haar gemachtigde, de gemachtigden van het college en de derde-partij. 3.4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft verweerder aan eiseres een omgevings-vergunning verleend voor het wijzigen en in werking hebben van een varkenshouderij aan het [adres] in [woonplaats] (hierna: de locatie). Op 8 augustus 2024 heeft de derde-partij aan het college gemeld dat hij vermoedt dat er een mestverwerker is geplaatst op de locatie. Op 18 september 2024 heeft de toezichthouder van de gemeenten Boxtel en Sint-Michielsgestel een controle uitgevoerd ter plaatse. Tijdens de controle is vastgesteld dat er een waterreservoir op het perceel is geplaatst. 5. Het college heeft op 2 mei 2025 een voornemen tot oplegging van een dwangsom aan eiseres kenbaar gemaakt. Het college heeft eiseres laten weten dat de situatie op het perceel in overeenstemming moet worden gebracht met de geldende wet- en regelgeving door de volgende bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden: het waterbassin met wit dak, een zwart gebouw, drie blauwe zeecontainers met daarbij behorende houten dakbedekking en een groen gebouw. Tegen dit voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend. 6. Op 24 juni 2025 heeft eiseres vervolgens aanvragen ingediend voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de watersilo en voor een omgevings-vergunning voor het legaliseren van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de verwerking van ter plaatse geproduceerde mest. Op 25 september 2025 heeft een toezichthouder een hercontrole uitgevoerd op de locatie. 7. Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft het college aan eiseres een omgevings-vergunning verleend voor het legaliseren van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de verwerking van ter plaatse geproduceerde mest op de locatie. Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft het college voor de bouw van de watersilo aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Volgens het college heeft eiseres de watersilo zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan gebouwd. Wat betreft het zwarte gebouw, de drie blauwe zeecontainers met de daarbij behorende houten dakbedekking en een groen gebouw is het college niet overgegaan tot handhaving. 8. Bij besluit van 27 november 2025 heeft college de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom verlengd tot zes weken na de dagtekening van dat besluit. 9. De onafhankelijke bezwaarschriftencommissie heeft het college geadviseerd het besluit van 13 oktober 2025 tot het opleggen van een last onder dwangsom aan te passen voor wat betreft de hoogte van de dwangsom, en voor het overige in stand te laten. Ook heeft de bezwaarschriftencommissie geadviseerd het besluit van 27 november 2025 tot het verlengen van de begunstigingstermijn in stand te laten, en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen. 10. Wat betreft het bestemmingsplan, in strijd waarmee de watersilo volgens het college is gebouwd, is nog het volgende van belang. Naar aanleiding van ingestelde beroepen en gelijktijdige verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 16 september 2024 het besluit van de raad tot gewijzigde vaststelling van bestemmingsplan "Omgevingsplan [naam] " geschorst voor zover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "Agrarisch" aan de [naam] , de [adres] . Deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling is de aanleiding geweest voor een herstelbesluit in de vorm van een tweede gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. 11. Op 4 februari 2026 heeft de gemeenteraad van de gemeente Sint-Michielsgestel het raadsvoorstel Herstelbesluit [naam] aangenomen. 12. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling de schorsing van het bestemmingsplan en het herstelbesluit in stand gelaten. De uitkomst van het onderzoek in de bodemprocedure is volgens de voorzieningenrechter ongewis. De twijfels die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 16 september 2024 heeft geuit die er mede op zien of het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [adres] en [adres] in de bodemprocedure in stand zal blijven, zijn niet weggenomen. Het plan dient daarom in zoverre geschorst te blijven. 13. Hieronder gaat de voorzieningenrechter eerst in op de vraag of de derde-partij belanghebbende is. Eiseres betwist dat. Daarna zal zij ingaan op de overtreding en op de vraag of het college, zoals eiseres betoogt, had moeten afzien van handhavend optreden. Ten slotte komen de proceskosten, waarvan eiseres stelt dat ze ten onrechte niet zijn vergoed, aan bod. Is de derde-partij belanghebbende? 14. Eiseres voert aan dat het college de derde-partij ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende bij het verzoek om handhaving voor zover het ziet op de watersilo. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat op het perceel waarop zijn woning staat gevolgen van enige betekenis worden ondervonden. De afstand tussen de watersilo en de woning is daarvoor te groot. Eiseres heeft ter onderbouwing nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling uit 2019. Nu geen sprake is van een verzoek van een belanghebbende in de zin van de Awb is de reactie van het college op dat verzoek volgens eiseres geen besluit in de zin van de Awb. Eiseres stelt dat als er geen verzoek tot handhaving gedaan zou zijn, het college niet tot handhaving overgegaan zou zijn. 14.1. Het college stelt dat de derde-partij als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het verzoek om handhaving, omdat hij vanaf zijn perceel zicht heeft op het dak van de silo. Dat het zicht een deel van het jaar belemmerd wordt door de aanwezig bomen en struiken, doet hier niet aan af. Het college stelt dat het voor de bevoegdheid om handhavend op te treden bovendien niet uitmaakt of er een verzoek tot handhaving is gedaan. 14.2. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium 'gevolgen van enige betekenis' dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt er gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. De factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bezien. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 14.3. De voorzieningenrechter stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde op de zitting vast dat de afstand tussen het perceel waar de derde-partij woont en de watersilo 200 tot 260 meter bedraagt. Tussen het perceel van de derde-partij en de watersilo liggen agrarische percelen en bosschages. De derde-partij geeft vanwege deze bosschages afhankelijk van het seizoen vanuit zijn woning en tuin geen of slechts beperkt zicht op het dak van de watersilo. In de watersilo wordt regenwater opgeslagen. De derde-partij ondervindt dan ook geen geuroverlast. De derde-partij heeft verder niet onderbouwd waar eventuele feitelijke gevolgen, anders dan het uitzicht, voor hem persoonlijk uit bestaan. Ook op de zitting heeft de derde-partij dat niet gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de derde-partij geen gevolgen van enige betekenis van de watersilo ondervindt, gelet op de ruime afstand en het beperkte zicht dat de derde-partij vanaf zijn perceel heeft op de watersilo. Daar komt nog bij dat direct naast de watersilo omvangrijke bebouwing met meerdere voedersilo’s van eiseres is gelegen die deels hoger zijn dan de watersilo. Gelet op dit samenstel van bouwwerken heeft de watersilo niet een zodanige ruimtelijke uitstraling dat het belang van de derde-partij bij zijn verzoek om handhaving ten aanzien van de watersilo is betrokken. 14.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college eiseres dan ook ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij zijn verzoek om handhaving met betrekking tot de watersilo. Als gevolg daarvan is geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en behoefde het college niet te besluiten op zijn verzoek om handhaving. Eiseres heeft dit terecht naar voren gebracht. 14.5. Dat de derde-partij geen belanghebbende is betekent echter niet dat door het college niet handhavend opgetreden kan optreden. De bevoegdheid om handhavend op te treden volgt rechtstreeks uit de wet. Voor het uitoefenen van die bevoegdheid is geen aanvraag nodig. Het besluit van 13 oktober 2025 waarbij aan eiseres een last onder dwangsom is opgelegd is geen besluit op een aanvraag, maar het is wel een besluit in de zin van 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen de mogelijkheid van bezwaar openstaat. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Is sprake van een overtreding? 15. Tussen partijen is niet in geschil dat de watersilo zonder de vereiste omgevingsvergunning is gebouwd en deels buiten het bouwvlak is geplaatst en dat dit in strijd is met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 3.2.4, onder i en artikel 31.2.1 onder f van het bestemmingsplan Actualisatie Buitengebied Sint-Michielsgestel (hierna: het bestemmingsplan). Daarnaast heeft het college vastgesteld dat de bouw van de watersilo in strijd is met artikel 24.2.3 van het bestemmingsplan waarin is bepaald dat het ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas' niet is toegestaan om te bouwen binnen een zone van vijf meter aan beide zijden van de hartlijn met uitzondering van tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het onderhoud van de gasleiding. Het college heeft zich dus terecht bevoegd geacht handhavend op te treden. 16. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Had het college van handhaving moeten afzien? 17. Volgens eiseres gaat het in haar situatie om een bijzonder geval. Zij voert in dat kader aan dat de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel deze ruimtelijke ontwikkeling met het vaststellen van het omgevingsplan op zich aanvaardbaar heeft geacht. Ook als de watersilo niet exact binnen het huidige en toekomstige bouwvlak valt, is de ruimtelijke ontwikkeling volgens eiseres aanvaardbaar. De schorsing van het bestemmingsplan en het herstelbesluit door de voorzieningenrechter van de Afdeling ziet volgens eiseres bovendien niet op de watersilo. De watersilo zal op termijn een andere locatie krijgen. Eiseres voert verder aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat zij de watersilo niet gebruikt in het kader van een duurzame bedrijfsvoering. Het daarin opgeslagen water wordt gebruikt en met het verplaatsen van de silo zijn aanzienlijke kosten gemoeid. De last is daarom onredelijk bezwarend. De huidige problemen met het watertekort benadrukken nog eens het belang bij het behoud van de watersilo. Verder heeft het college ongemotiveerd gesteld dat het algemeen belang zwaarder weegt. Volgens eiseres wordt het algemeen belang niet geschaad door het ongemoeid laten van de watersilo. 17.1. Het college stelt dat de mogelijkheid tot legalisatie afhankelijk is van wat in de procedure over het bestemmingsplan door de Afdeling wordt besloten. Het is volgens het college zeer de vraag of het bouwvlak mag worden vergroot. Daarnaast is van belang dat eiseres zelf heeft aangegeven dat de watersilo buiten het bouwvlak komt te liggen. De aanwezigheid van de watersilo is verder niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, omdat deze nu wordt gebruikt als opslag voor drinkwater en de varkenshouderij sinds de oprichting ervan in 2006 zonder de watersilo functioneerde. 17.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Uit de uitspraken van de voorzitter van Afdeling volgt dat de uitkomst van de bodemprocedure over het bestemmingsplan ongewis is. Verder is niet bekend wanneer de Afdeling de bodemzaak zal behandelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de onverwacht lange duur van deze procedure heel vervelend is voor eiseres, maar dat laat onverlet dat ongeacht de uitkomst van die bodemprocedure duidelijk is dat de watersilo ook deels buiten het toekomstige bouwvlak zal komen te liggen. Het op enig moment verplaatsen van de watersilo is dus noodzakelijk om deze in overeenstemming te laten zijn met het nieuwe bestemmingplan. Eiseres heeft dit ook erkend. Zij heeft aangegeven dat de watersilo, zodra er duidelijkheid is van de Afdeling over het bestemmingsplan binnen het bouwvlak geplaatst zal worden en dat daarvoor nog voldoende ruimte zal zijn. Dat betekent dat de watersilo er waarschijnlijk nog geruime tijd zal staan. De voorzieningenrechter acht het redelijk dat het college daar niet op wil wachten. Daarbij heeft het college ook van belang mogen vinden dat de watersilo niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van eiseres. Dat de watersilo een nuttige toepassing heeft, omdat eiseres daarmee regenwater opvangt dat zij gebruikt als drinkwater voor het vee, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft zelf de keuze gemaakt om de watersilo zonder vergunning te bouwen en de beginselplicht tot handhaving brengt met zich dat in het algemeen belang dient te worden opgetreden tegen overtredingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het in dit geval had moeten afzien van handhaving. De kosten van het afbreken van de watersilo kunnen niet als zodanig worden gezien. Dit betoog slaagt niet. Vergoeding proceskosten 18. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten in bezwaar heeft toekend. Op het punt van de hoogte van de dwangsom is tegemoetgekomen aan het bezwaar. Nu het college heeft erkend dat van een verschrijving geen sprake is, had het bezwaar op dit punt gegrond verklaard moeten worden en had aan eiseres een proceskostenvergoeding moeten worden toegewezen. 18.1. Het college stelt dat het primaire besluit niet is herroepen en dat er daarom geen reden is voor een proceskostenvergoeding. 18.2. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping, zo volgt uit artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, vindt plaats, wanneer heroverweging daartoe aanleiding geeft. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot een wijziging van de hoogte van de opgelegde dwangsom. Het primaire besluit wordt daarmee gewijzigd, wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg. Van een kennelijke verschrijving is, zoals het college ook zelf stelt, geen sprake. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college het primaire besluit voor wat betreft de opgelegde dwangsom had moeten herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Omdat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, heeft het college ten onrechte geweigerd om eiseres op haar verzoek een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toe te kennen. Dit betoog slaagt. Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten in bezwaar is toegekend. De opgelegde last dwangsom blijft gehandhaafd. Dit betekent dat eiseres de watersilo moet verwijderen en verwijderd houden. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij een termijn van maximaal zes weken nodig heeft om de watersilo te verwijderen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze termijn redelijk is en zal daarom met toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb bepalen dat de getroffen voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak. 19.1. Nu met inachtneming van deze uitspraak rechtens nog maar één uitspraak mogelijk is, zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepalen dat verweerder aan eiseres, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, een vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar toekent ten bedrage van € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, waarde per punt € 666,-, wegingsfactor 1). 19.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (totaal 3 punten, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit zover daarin het verzoek van eiseres om vergoeding van haar in bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen; - kent aan eiseres een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure ten bedrage van € 1.332,- toe, te betalen door het college. - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit; - bepaalt dat de getroffen voorlopige voorziening vervalt zes weken na bekendmaking van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1.