Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-16
ECLI:NL:RBOBR:2026:5868
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11853108 CV EXPL 25-6253 vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd. 1 Kern van de zaak 1.1. [eiser] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden. 1.2. Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 4 september 2026; het incidentele verzoek ex artikel 195 Rv tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie; de conclusie van antwoord op het incidentele verzoek tevens houdende repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 2.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 3 3. De feiten 3.1. [eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer ] 20-09-2000 Profit Effect 3.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald door [eiser] I. 20-09-2010 - € 5.286,77 Ja 3.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 12.463,99 aan maandtermijnen en een bedrag van € 5.286,77 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] een bedrag van € 1.509,54 aan dividenden ontvangen en € 752,74 aan fiscaal voordeel genoten. Op 13 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 3.679,33 aan [eiser] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. 3.4. De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 23 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 4.1. [eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd m Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 5.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de @overeenkomst(en) en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 5.7. [eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [eiser] was al bekend met [A] , omdat hij boven dit kantoor heeft gewoond. [eiser] werd in 2000 door de tussenpersoon telefonisch benaderd. De medewerker van de tussenpersoon stelde voor om een afspraak te maken om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van de tussenpersoon. [eiser] heeft hiermee ingestemd en is samen met zijn echtgenote naar het kantoor van de tussenpersoon gegaan. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [A] , de heer [B] (hierna te noemen: ‘adviseur’), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld van [eiser] . De echtgenote van [eiser] was op dat moment zwanger van hun eerste kind en deze aanstaande gezinsuitbreiding is ook besproken met de adviseur. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om vermogen op te bouwen voor de toekomst, met het oog op de aanstaande gezinsuitbreiding. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser] om een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 8.000,-. Dit bedrag was een gedeelte van het spaargeld van [eiser] wat hij kon missen en de adviseur raadde [eiser] aan Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia 5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia 5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaa Ook van [eiser] als cliënt van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eiser] , althans zijn gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) of vergelijkbaar ander document, geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 194 Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen. 5.21. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 87,00. vorderingen Dexia 5.22. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen. proceskosten 5.23. Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00) - nakosten € 100,00 Totaal € 910,47 5.24. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 6 De beslissing De kantonrechter n het incident van Dexia 6.1. wijst het verzoek af, 6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 87,00, in conventie 6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 6.4. verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 6.5. verklaart voor recht dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, 6.6. veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.963,97, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16., 6.7. veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst(en) meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00. 6.8. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 910,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 6.9. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.10. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.11. wijst het meer of anders gevord