Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-08-17
ECLI:NL:RBOBR:2026:5867
Veroordeling voor ontucht en ontucht met seksueel binnendringen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke toewijzing van vorderingen van de benadeelde partijen. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.126892.24 Datum uitspraak: 17 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 augustus 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 10 november 2004 te Cuijk, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] gebracht; 2 hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2007 tot en met 9 maart 2009 te Cuijk, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (onder haar nachthemd) betasten van haar borsten en/of borststreek, althans bovenlichaam, en/of het op die [slachtoffer 2] gaan liggen en/of kussen/likken van de wang, althans het gezicht van die [slachtoffer 2] ; 3 hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 1 juli 2019 te Cuijk, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , zijnde een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, althans een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de borst(en) en/of borststreek en/of de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of het brengen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] en/of kussen van de mond van die [slachtoffer 3] . De formele voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 (ontucht met [slachtoffer 1] ) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft ten aanzien van feit 2 (ontucht met [slachtoffer 2] ) en feit 3 (ontucht met [slachtoffer 3] ) vrijspraak bepleit. Het oordeel van de rechtbank De gebezigde bewijsmiddelen staan in bijlage I. Ontucht met [slachtoffer 1] (feit 1) De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht, waarbij mede sprake was van seksueel binnendringen, met [slachtoffer 1] . Ontucht met [slachtoffer 3] (feit 3) en [slachtoffer 2] (feit 2) Juridisch kader Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen zijn betrokken: de verdachte en het veronderstelde slachtoffer. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen ontkent, zoals zich in deze zaak voordoet, leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen het veronderstelde slachtoffer kan verklaren over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Dat betekent dat steunbewijs nodig is uit een andere bron. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Verklaringen van getuigen die niet meer inhouden dan wat zij van het veronderstelde slachtoffer over het tenlastegelegde hebben gehoord (een zogenaamde auditu verklaring) zijn in beginsel niet toereikend om als steunbewijs te dienen. Dergelijke verklaringen zijn immers afkomstig uit één en dezelfde bron: het veronderstelde slachtoffer. Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt het zogeheten schakelbewijs. In zo’n bewijsconstructie worden verklaringen van verschillende aangeefsters van verschillende delicten gebruikt om elkaar te ondersteunen, omdat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt. Een en ander moet duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte. De vragen die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] en getuige [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en daarmee bruikbaar zijn voor het bewijs én of deze voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) (feit 3) De raadsman heeft betoogd dat er redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster, omdat deze een aantal inconsistenties bevat. De rechtbank is het niet met de raadsman eens en is van oordeel dat de verklaring van aangeefster (hierna te noemen [slachtoffer 3] ) betrouwbaar is. Zij overweegt daartoe het volgende. [slachtoffer 3] heeft al in 2016 verteld over het misbruik. Een aantal maanden na de eerste keer dat verdachte haar seksueel heeft betast, heeft [slachtoffer 3] dit al aan haar moeder [moeder van slachtoffer] verteld. Zij was toen tussen de 11 en 12 jaar oud. Haar moeder zei, zo blijkt uit de verklaringen van zowel [slachtoffer 3] als moeder, dat als dit echt waar was, zij de relatie met verdachte zou beëindigen. Omdat [slachtoffer 3] niet de oorzaak van het einde van de relatie van haar moeder wilde zijn, heeft zij vervolgens gezegd dat het niet waar was. In 2021 was sprake van een tijdelijke relatiebreuk tussen moeder en verdachte en hoorde moeder het verhaal van [slachtoffer 2] (hierna te noemen [slachtoffer 2] ). Het viel moeder op dat er overeenkomsten waren met wat [slachtoffer 3] eerder had verteld en zij vroeg [slachtoffer 3] wat er tussen verdachte en [slachtoffer 3] destijds was gebeurd. Toen heeft [slachtoffer 3] aangegeven dat het wèl waar was wat zij destijds had verteld. Vervolgens heeft zij met haar moeder een informatief gesprek gehad bij de politie. Uit het dossier blijkt dat moeder weerstand toonde tegen het doen van aangifte door [slachtoffer 3] en destijds uiteindelijk aan de politie heeft laten weten dat de aangifte ‘on hold’ werd gezet. Toen in 2023 de relatie tussen de moeder en verdachte hervat werd was dit voor [slachtoffer 3] aanleiding om zich opnieuw tot de politie te wenden en na een nieuw informatief gesprek alsnog aangifte te doen. [slachtoffer 3] heeft bij de politie tijdens het informatieve gesprek in 2023 en in haar aangifte uitgebreider en gedetailleerder verklaard dan tijdens haar eerste informatieve gesprek in 2021. De rechtbank acht dit verklaarbaar door de aanwezigheid van de moeder van [slachtoffer 3] bij het eerste informatieve gesprek en de mogelijke invloed op [slachtoffer 3] van moeders weerstand tegen het doen van aangifte. Het is plausibel dat [slachtoffer 3] gaandeweg meer heeft durven verklaren dan in het eerste informatieve gesprek in 2021, zoals dat sprake is geweest van het betasten op de huid van haar vagina door verdachte in plaats van het betasten daarvan op de kleding. De inconsistenties in de verklaringen die de verdediging naar voren heeft gebracht, zoals de verschillende locaties en data waarop het misbruik zou hebben plaatsgevonden, zijn voor de rechtbank evenmin aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Volgens [slachtoffer 3] heeft verdachte haar immers jaren geleden op verschillende momenten en in verschillende bedden betast. Dat [slachtoffer 3] na verloop van tijd locaties en tijdstippen door elkaar haalt, doet niet direct af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. [slachtoffer 3] heeft in de kern consequent, gedetailleerd en authentiek verklaard over hoe zij werd benaderd door verdachte en wat hij met haar deed. Tenslotte komt de verklaring van [slachtoffer 3] , zoals haar moeder ook al had geconstateerd, op belangrijke punten overeen met de verklaring van [slachtoffer 2] over haar ervaring met verdachte (hieronder uiteengezet), wat naar het oordeel van de rechtbank bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen. Tussenconclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (feit 2) De moeder van [slachtoffer 2] , [moeder slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer 2] ongeveer 2 jaar geleden ( rb: 2021) min of meer uit het niets ineens vroeg of [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) ooit heeft verteld dat verdachte aan [slachtoffer 3] heeft gezeten. Ze zei erbij dat ze er voor [slachtoffer 3] wilde zijn, omdat verdachte dit ook met haar had gedaan. [slachtoffer 2] heeft in 2023 bij de politie een getuigenverklaring afgelegd. Zij verklaarde geen aangifte te doen nu het misbruik al 15 jaar is geleden en haar in haar dagelijks leven niet heeft beïnvloed, maar dat zij een verklaring wilde afleggen om [slachtoffer 3] te steunen, die zij overigens niet goed kent. De rechtbank stelt vast dat zij dus geen eigen belang had bij het afleggen van haar verklaring. Verder heeft [slachtoffer 2] consistent, gedetailleerd en authentiek verklaard. Daarnaast komt de verklaring van [slachtoffer 2] op belangrijke punten overeen met de verklaring van [slachtoffer 3] over haar ervaring met verdachte (hieronder uiteengezet), wat naar het oordeel van de rechtbank bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen. Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat ook de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs is. Steun- en schakelbewijs Als er geen direct steunbewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten dan kunnen de feiten met zogenoemd schakelbewijs toch bewezen worden. Het gaat dan om het gebruik van bewijs van een ander, soortgelijk feit dat als steunbewijs kan dienen. Schakelbewijs gebruiken, kan alleen als de manier waarop de verschillende feiten (in dit geval de aanrandingen waarover [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben verklaard) zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont. De manier waarop de feiten zijn gepleegd (modus operandi) moet dan zodanig overeenkomen in beide zaken dat (bijvoorbeeld) de aangifte van het ene feit als steunbewijs voor het andere feit kan dienen. (Vgl. Hoge Raad 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 en Hoge Raad 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:654). De rechtbank is van oordeel dat voormelde aangifte van [slachtoffer 3] en verklaring van [slachtoffer 2] schakelbewijs opleveren. De verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] vertonen op essentiële punten belangrijke overeenkomsten, met name voor wat betreft zijn relatie tot hen, de aanloop naar de seksuele handelingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de aard van die seksuele handelingen. [slachtoffer 3] is de dochter van de toenmalige partner van verdachte [moeder van slachtoffer] en [slachtoffer 2] is de zus van zijn toenmalige partner [slachtoffer 1] ; beide slachtoffers zijn dus minderjarige meisjes die nauw verwant zijn aan de toenmalige partner van verdachte. Beiden verklaren dat de handelingen gebeurden in de beslotenheid van de slaapkamer, terwijl zij tijdens het slapen in bed lagen en verdachte zich ongezien waande door zijn partner. Verdachte heeft op zo’n manier gehandeld dat beide slachtoffers de eerste paar keren de indruk hadden dat verdachte een vergissing maakte en eigenlijk bedoelde zijn partner (hun moeder/zus) aan te raken. Verdachte betastte bij beide slachtoffers de borststreek, terwijl er bij hen beiden nog geen sprake was van borstgroei. Verdachte probeerde hen te (tong)zoenen. Verdachte zweeg daarbij. De verklaringen in onderling verband en samenhang bezien maken inzichtelijk dat verdachte de jonge meisjes, verwant aan zijn toenmalige partner, op dezelfde manier seksueel heeft benaderd en betast. Gelet op voornoemde overeenkomsten in de verklaringen kunnen deze over en weer mede redengevend worden geacht voor het steunbewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Aanvullend steunbewijs ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 2) Zoals hiervoor uiteengezet, gebruikt de rechtbank de aangifte van [slachtoffer 3] als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 2] . Verder ziet de rechtbank steunbewijs in de verklaring van [slachtoffer 1] , de zus van [slachtoffer 2] , die heeft verklaard dat [slachtoffer 2] in die periode vaak bij verdachte en haar logeerde, dat [slachtoffer 2] dan op een matras op de grond in hun slaapkamer lag en dat [slachtoffer 2] ineens niet meer wilde komen logeren. Aanvullend steunbewijs ten aanzien van [slachtoffer 3] (feit 3) Ten aanzien van feit 3 gebruikt de rechtbank eveneens de verklaring van [slachtoffer 2] als steunbewijs, zoals hierboven uiteen is gezet. Verder ziet de rechtbank steunbewijs in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 3] , die, zoals eveneens hiervoor uiteen gezet, stelt dat [slachtoffer 3] reeds in 2016 heeft verteld over het misbruik. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook het derde en tweede ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, hetgeen leidt tot de conclusie dat verdachte ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De bewezenverklaring Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: 1 in de periode van 1 maart 2004 tot en met 10 november 2004 te Cuijk meermalen met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] gebracht; 2 in de periode van 10 maart 2007 tot en met 9 maart 2009 te Cuijk meermalen met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (onder haar nachthemd) betasten van haar borsten en/of borststreek, en/of het op die [slachtoffer 2] gaan liggen en/of kussen/likken van het gezicht van die [slachtoffer 2] ; 3 in de periode van 1 januari 2016 tot en met 1 juli 2019 te Cuijk meermalen met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , zijnde een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de borst(en) en/of borststreek en/of de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of het brengen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] en/of kussen van de mond van die [slachtoffer 3] . De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De strafbaarheid van het feit Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren wordt opgelegd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit verdachte een taakstraf op te leggen en een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de inverzekeringstelling niet te boven gaat. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met drie kinderen onder de 16 jaar. Verdachte heeft daarbij kwetsbare slachtoffers uitgekozen, die weinig weerbaar waren. Slachtoffer [slachtoffer 1] was nog maar 15 jaar toen zij een seksuele relatie kreeg met de destijds 28-jarige verdachte. Zij had een verleden van seksueel misbruik en verdachte wist dit, maar liet zich daardoor niet weerhouden. Het dossier biedt aanknopingspunten om uit te gaan van verregaande seksuele handelingen met binnendringen die verdachte aangeefster liet ondergaan, waarbij ook derden betrokken waren. Slachtoffer [slachtoffer 1] was door haar leeftijd en haar verliefde gevoelens voor verdachte niet in staat grenzen aan te geven en verdachte heeft daar misbruik van gemaakt. De slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hadden een zeer jonge leeftijd toen het misbruik begon, namelijk 10 jaar. Dit misbruik heeft plaatsgevonden in de huiselijke sfeer, bij uitstek een plek waar kinderen zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Zij bevonden zich in een van verdachte afhankelijke positie, waarbij verdachte als stiefvader de zorg had over [slachtoffer 3] en als partner van haar zus overwicht had op [slachtoffer 2] . Verdachte heeft met zijn handelen grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van alle drie de slachtoffers en uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] blijkt hoeveel schade dit heeft aangericht. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en de rechtbank neemt hem dit kwalijk. De persoon van verdachte Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte van 26 juni 2026, waaruit blijkt dat hij – weliswaar lang geleden – eerder is veroordeeld voor een zedenfeit. Verder is verdachte meermaals veroordeeld voor onder andere huiselijk geweld. De rechtbank overweegt verder ten nadele van verdachte dat verdachte ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en kennelijk de ernst van het door hem aan de slachtoffers aangedane leed niet inziet. Dit bemoeilijkt het verwerkingsproces voor de slachtoffers. Straf De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen. De rechtbank kan zich vinden in de eis van de justitie om verdachte een gevangenisstraf van 3 jaar op te leggen, zij het dat de rechtbank van oordeel is dat er een fors voorwaardelijk strafdeel opgelegd moet worden. Op die manier beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Door het ontbreken van een psychologisch rapport heeft de rechtbank geen concrete informatie over de psyche van verdachte, terwijl uit het verhandelde ter zitting en hetgeen verdachte over zichzelf heeft verteld wel aanwijzingen volgen voor psychische problematiek. De rechtbank legt aan verdachte daarom een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De rechtbank acht een proeftijd van 3 jaren gerechtvaardigd, gelet op de kennelijk aanwezige psychische problematiek en ook het voorstelbare recidiverisico. Ten aanzien van de door slachtoffer [slachtoffer 1] verzochte contact- en locatieverboden overweegt de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat er al jarenlang geen contact tussen het slachtoffer en verdachte is. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten om deze verboden aan verdachte op te leggen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) [slachtoffer 1] , wettelijk vertegenwoordigd door mr. M.C.W. Houtepen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 36.069,19, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 16.069,19 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering en refereert zich ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de materiële post ‘verlies van verdienvermogen’ betwist, nu er in het dossier een andere oorzaak voor arbeidsongeschiktheid is te vinden en de opgegeven bedragen onvoldoende onderbouwd zijn met stukken. Ook ten aanzien van de gevorderde immateriële schade acht de verdediging het causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de gevorderde schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Beoordeling Materiële schade De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de opgegeven schade (medische kosten en het verlies van verdienvermogen) en het bewezen verklaarde onvoldoende vaststaat. Aan verdachte is slechts het seksueel misbruik in de periode totdat de benadeelde partij 16 jaar oud werd tenlastegelegd (en bewezen verklaard). Uit het dossier en uit de toelichting bij de vordering blijkt dat bij de benadeelde partij sprake is van meer trauma en er dat er vanaf haar 16e jaar in de relatie tussen verdachte en de benadeelde partij meer ernstig belastende gebeurtenissen zijn voorgevallen, waardoor de benadeelde partij psychische schade heeft opgelopen. Voor de rechtbank is onduidelijk in hoeverre de thans door verdachte gepleegde bewezen verklaarde handelingen de geleden schade hebben veroorzaakt. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het materiële deel van de vordering. Immateriële schade De rechtbank acht immateriële schadevergoeding toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij op jonge leeftijd over een periode van 8 maanden vergaande seksuele handelingen door verdachte heeft moeten ondergaan, waarbij ook derden betrokken waren. De benadeelde partij stond daarbij als kwetsbaar meisje psychisch onder de invloed van verdachte en was niet in de positie om weerstand te bieden. Zij heeft hierdoor psychische schade opgelopen. De rechtbank zoekt voor de hoogte van de schadevergoeding aansluiting bij de categorie ‘ernstig’, hoofdstuk 15.2 (b) van de Rotterdamse schaal en wijst de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. In totaal wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag van € 10.000,00 , bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij kan de materiële schade en de overige immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Kostenveroordeling De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3) [slachtoffer 3] , wettelijk vertegenwoordigd door mr. L.H.C. van Sommeren, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 12.016,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 2.016,55 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering en refereert zich ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging Gelet op het vrijspraakverweer van de raadsman verzoekt hij primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de kosten van het ‘eigen risico’ niet overeenkomen met de onderliggende stukken en worden reiskosten naar het politiebureau, het OM en advocaten gevorderd die geen rechtstreekse schade zijn. Ten aanzien van de immateriële schade voert de raadsman aan dat er bij de benadeelde partij blijkens het dossier ook al psychische problematiek speelde en niet alle therapieën het gevolg blijken te zijn van het vermeend handelen van verdachte. Beoordeling Materiële schade De rechtbank acht onderdelen van de vordering toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Als gevolg van het misbruik is de benadeelde partij naar een psycholoog gegaan waarvoor zij zorgkosten en reiskosten heeft moeten betalen. Deze schade is door de verdediging in zoverre niet betwist. Ten aanzien van de kostenpost ‘medische kosten’ overweegt de rechtbank dat uit het overzicht van de zorgkosten van 2023 in bijlage I van de vordering blijkt dat de kosten voor het eigen risico € 32,70 bedroegen. De rechtbank zal daarom dit bedrag voor het eigen risico van 2023 toewijzen. Ten aanzien van het eigen risico van 2024 zal de rechtbank de gevorderde € 385,00 toewijzen. In totaal wijst de rechtbank ten aanzien van de medische kosten een bedrag van € 417,70 toe. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten zal de rechtbank de reiskosten van en naar de psycholoog ter hoogte van € 1.066,11 toewijzen. De reiskosten naar de advocaat, het Openbaar Ministerie, het politiebureau en de rechtbank kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Subsidiair heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij verzocht de reiskosten naar de rechtbank en naar het Openbaar Ministerie als proceskosten toe te wijzen, maar ook hiervoor ziet de rechtbank geen wettelijke basis. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. Immateriële schade De rechtbank acht immateriële schadevergoeding toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij psychische schade (PTSS) heeft opgelopen door het handelen van verdachte. De rechtbank sluit aan bij de categorie ‘meest ernstig’, hoofdstuk 15.3 (a) van de Rotterdamse schaal en wijst de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in de vordering. In totaal wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag van € 6.483,81 , bestaande uit € 1.483,81 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij kan de overige materiële schade en de overige immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Kostenveroordeling De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 60a, 63, 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank: bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificatie en strafbaarheid het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: feit 1: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; feit 2 en 3, telkens: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; strafoplegging legt op de volgende straf: een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren; voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit; vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 10.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; maatregel van schadevergoeding t.b.v. [slachtoffer 1] (feit 1) legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 10.000,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3) wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 6.483,81 euro, bestaande uit 1.483,81 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; maatregel van schadevergoeding t.b.v. [slachtoffer 3] (feit 3) legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 6.483,81 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 1.483,81 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 57 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Dit vonnis is gewezen door: mr. H.M. Hettinga, voorzitter, mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier, en is uitgesproken op 17 augustus 2026.