Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-06-18
ECLI:NL:RBOBR:2026:5780
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11911782 \ CV EXPL 25-5724 Vonnis van 18 juni 2026 in de zaak van Stichting Mooiland , te Grave , gemeente Land van Cuijk , eisende partij, hierna te noemen: Mooiland , gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gemeente [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. E.M. Prins. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 september 2025 met producties 1 tot en met 3; - de conclusie van antwoord van 4 december 2025; - de door Mooiland ingediende akte eisvermeerdering van 24 april 2026, met producties 4 tot en met 15; - de aan de zijde van Mooiland op 1 mei 2026 ingediende producties 16 en 17;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is datum voor vonnis bepaald. De zaak in het kort De verhuurder vordert betaling van een huurachterstand, want de huurder betaalt de huurverhogingen niet. De rechtbank wijst de vordering van de verhuurder af. De huurverhoging is namelijk niet rechtsgeldig tot stand gekomen. De verhuurder heeft niet aangetoond dat de aangetekende herinneringsbrieven over het voorstel met de huurverhoging door de huurder zijn ontvangen. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 2 De feiten 2.1. Op 23 mei 2012 is tussen Mooiland als verhuurder en [gedaagde] als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het gehuurde). 2.2. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde] maandelijks aan Mooiland de huurtermijn verschuldigd. De huur dient bij vooruitbetaling te worden voldaan, uiterlijk op de eerste van de maand. 2.3. Op 16 april 2024 heeft Mooiland [gedaagde] per gewone post een brief gestuurd met een voorstel tot verhoging van de maandelijkse kale huur per 1 juli 2024, te weten van € 575,03 naar € 605,51. 2.4. Op 24 september 2024 heeft Mooiland een aangetekende rappelbrief verzonden aan [gedaagde] . 2.5. Op 15 april 2025 heeft Mooiland per gewone post een brief gestuurd met een voorstel tot verhoging van de maandelijkse kale huur per 1 juli 2025, namelijk van € 605,51 naar € 632,70. 2.6. Op 23 september 2025 heeft Mooiland een aangetekende rappelbrief verzonden aan [gedaagde] . 2.7. In 2024 en 2025 bleef de bijdrage servicekosten onveranderd op € 0,80 per maand. [gedaagde] betaalt vanaf 1 juli 2024 € 575,83 per maand aan huur en servicekosten. 3 Het geschil 3.1. Mooiland vordert - na vermeerdering van eis ter zitting- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.575,93 aan kale huurachterstand tot en met mei 2026, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. 3.2. Mooiland legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij heeft in 2024 en in 2025 aan [gedaagde] een brief gestuurd met daarin een voorstel om de huurprijs te verhogen. Zowel in 2024 als in 2025 is een huurverhoging tot stand gekomen, omdat beide jaren een aangetekende rappelbrief is gestuurd en [gedaagde] hiertegen niet in bezwaar is gekomen bij de huurcommissie. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de huurprijs geldig is verhoogd. [gedaagde] is echter iedere maand de oude huurprijs blijven betalen. Daarom is er volgens Mooiland een huurachterstand van € 1.575,93. Dit bedrag ziet op de niet-betaalde huurverhogingen van juli 2024 tot en met mei 2026. 3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Mooiland , met veroordeling van Mooiland in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde] betwist de vordering van Mooiland . Zij heeft nooit ingestemd met de huurprijswijzigingen. [gedaagde] voert daartoe aan dat zij nooit brieven over de voorgestelde huurverhoging heeft ontvangen. Ook de aangetekende rappelbrieven zijn nooit ontvangen.