Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-09
ECLI:NL:RBOBR:2026:57
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1101 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. E. Coenen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser recht heeft op een Wajong -uitkering. Hij vroeg deze aan toen hij 34 jaar was. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen, omdat op basis van de beschikbare gegevens niet is vast te stellen welke beperkingen eiser op zijn achttiende verjaardag had. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daarvoor een aantal argumenten aan. Aan de hand van deze argumenten (beroepsgronden) beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag mocht afwijzen. 1.1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Was het onderzoek zorgvuldig? Had het UWV een hoorzitting moeten houden? En: Is het besluit inhoudelijk juist? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 17 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. R. Boonstra, waarnemer van de gemachtigde van het UWV. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. 2.3. Partijen hebben nadere stukken ingediend. 2.4. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet op een tweede zitting behandeld. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989. Op 17 februari 2024 heeft hij een Wajong-uitkering aangevraagd. Het standpunt van eiser 4. Eiser voert aan dat het UWV een zeer onduidelijk dossier over hem heeft verzonnen en slechts enkele minuten aan hem heeft besteed. Doordat het UWV het zo druk heeft, heeft eiser geen gebruik kunnen maken van een hoorzitting. Volgens eiser is zijn ADHD niet serieus genomen door het UWV, hoewel dit volgens de Nederlandse overheid een handicap is. Toch heeft het UWV hier geen vragen over gesteld. Eiser voert aan dat hij het niet eens is met het verloop bij het UWV. Het dossier is volgens hem een puinhoop, heel negatief en heel positief. Eiser heeft informatie van psycholoog drs. E. van den Maegdenbergh en psychiater dr. M. Oprea van 25 november 2011 overgelegd. De redenen voor de beslissing van de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of de besluitvorming van het UWV zorgvuldig heeft plaatsgevonden, vervolgens of het UWV een hoorzitting had moeten houden en daarna of het bestreden besluit inhoudelijk juist is. Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden? 5.1. Uit rapporten van verzekeringsartsen moet blijken dat zij zorgvuldig onderzoek hebben gedaan. De wet bepaalt dat de rapporten goed gemotiveerd moeten zijn. Ook mogen de rapporten volgens de wet geen tegenstrijdigheden bevatten. 5.2. Voor zover eiser aanvoert dat het onderzoek onz Dan kan het zijn dat moeilijker is vast te stellen hoe het op zijn achttiende verjaardag met hem ging. Het is vaste rechtspraak van de hoogste rechter in Wajongzaken dat dit het risico is van het laat aanvragen van een Wajonguitkering. 5.7. Het gaat in deze zaak om de medisch situatie van eiser tijdens de periode van zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna, van 4 maart 2007 tot 4 maart 2012. 5.8. Eiser heeft een brief van een psycholoog en een psychiater van 25 november 2011 ingestuurd. Uit deze brief blijkt het volgende. Eiser heeft op dat moment ongeveer drie tot vier jaar klachten. Hij heeft woede-uitbarstingen, daarnaast is sprake van somberheid, piekeren, slecht inslapen, een negatief zelfbeeld en suïcidale ideaties. Eiser is dan achterdochtig en onzeker. Er is sprake van PDD NOS gecombineerd met ADHD gecombineerde type en een stemmingsstoornis. Eiser ging niet akkoord met het behandelvoorstel. Hij is doorverwezen naar GGZ. Ook is er medicatie opgestart en daardoor is eiser gestabiliseerd. 5.8.1. Het UWV heeft de brief van 25 november 2011 voorgelegd aan zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B). De verzekeringsarts B&B zegt dat uit deze brief niet blijkt welke klachten eiser had toen hij achttien was en hoe ernstig deze waren. Ook is uit deze brief niet af te leiden welke beperkingen eiser had op zijn achttiende. Het is volgens de verzekeringsarts wel nodig om te weten welke beperkingen eiser had toen hij achttien was. Pas als kan worden vastgesteld dat eiser op zijn achttiende beperkingen had, kan beoordeeld worden of deze binnen vijf jaar erger zijn geworden. De rechtbank is het daarmee eens. 5.8.2. Eiser bestrijdt dat hij voor langere tijd gestabiliseerd is met medicijnen. Hij geeft aan dat hij snel is gestopt met de medicatie. De rechtbank stelt vast dat in brief van de psycholoog en de psychiater inderdaad staat vermeld dat op verzoek van eiser een medicijn is gestaakt, hoewel dit een duidelijke verbetering van de stemming liet zien. Maar de psycholoog en de psychiater zijn ook van mening dat eiser is gestabiliseerd. Wat eiser schrijft, maakt de rechtbank daarom niet aan het twijfelen. Bovendien blijken hieruit eisers beperkingen op zijn achttiende niet. 5.9. Ook het door de GGZ afgenomen diagnostisch interview voor ADHD bij volwassenen van 4 april 2023 dat eiser in bezwaar heeft overgelegd, maakt het oordeel niet anders. Weliswaar blijkt uit deze informatie de diagnose ADHD, maar ook hieruit blijkt niet welke beperkingen eiser op zijn achttiende had door ziekte of een handicap. 5.10. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt de situatie op zijn achttiende verjaardag dus niet. Toch heeft het UWV geprobeerd te kijken hoe de situatie toen was. Het UWV is ervan uitgegaan dat eiser op zijn achttiende al ADHD had. Maar het UWV heeft vastgesteld dat eiser opleidingen heeft gedaan en lange tijd gewerkt heeft. Daarom gaat het UWV ervan uit dat eiser toen arbeidsvermogen had. 5.10.1. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat hij rond zijn achttiende geen werk had en dat daarvoor een reden was. Volgens hem heeft hij rond zijn 22e een kort arbeidsverleden. Hij bestrijdt dat hij zeven jaar als supervisor heeft gewerkt. Het was volgens hem maar drie tot vier jaar en maar ongeveer zestien uur per week. Bovendien ging het niet goed. Eiser had woedeaanvallen waardoor de relatie met zijn leidinggevende onder druk kwam te staan. Ook ontwikkelde eiser stress-gerelateerde klachten. Eiser stelt dat hij geen opleiding af heeft kunnen maken. 5.10.2. De informatie van eiser maakt niet dat de rechtbank gaat twijfelen aan het standpunt van het UWV. De rechtbank begrijpt dat het werken lastig was voor eiser, maar eiser heeft toch een aantal jaren gewerkt. Dan kan niet geoordeeld worden dat eiser geen arbeidsvermogen had. Uit het dossier blijkt verder dat eiser heeft verteld dat hij geslaagd is voor vmbo-kader en mbo middenkader. De rechtbank vindt dat het UWV goed heeft uitgelegd waarom eiser volgens het UWV op zijn a