Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-30
ECLI:NL:RBOBR:2026:5457
De kantonrechter laat de 18-weken-termijn buiten beschouwing. Dit betekent dat de netbeheerder de aansluiting diende te realiseren binnen een redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (eerste volzin). De netbeheerder heeft de aansluiting binnen een termijn van eenentwintig weken gerealiseerd. De kantonrechter is van oordeel dat een aansluittermijn van eenentwintig weken op zichzelf genomen redelijk kan zijn, behoudens bijzondere omstandigheden. Verder is de kantonrechter van oordeel dat eiseres had moeten begrijpen dat de derde partij (namens de netbeheerder) geen harde datum met haar overeenkwam, maar dat die derde partij een grove schatting dan wel een voorlopige geschatte plandatum communiceerde. De netbeheerder heeft geen fatale termijn overschreden. Ook het (gestelde) gebrek aan (actieve) communicatie vanuit de netbeheerder omtrent het moment waarop de elektriciteitsaansluiting zou worden gerealiseerd, levert geen tekortkoming in de nakoming op. De conclusie is dat de netbeheerder niet tekortgeschoten is in haar (aansluit)verplichtingen en ook anderszins niet aansprakelijk is. Er is daarom geen grondslag voor toewijzing van schadevergoeding. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11777966 \ CV EXPL 25-3657 Vonnis van 30 juli 2026 in de zaak van [eiseres] , te [plaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. W.M. Nooi-Maatjes, tegen ENEXIS NETBEHEER B.V. , te 's-Hertogenbosch, gedaagde partij, gemachtigde: mr. Q.N. Manuel. Partijen zullen hierna “ [eiseres] ” (in vrouwelijk enkelvoud) en “Enexis” (in vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 juni 2025 met producties 1 tot en met 11; - de conclusie van antwoord met productie 1; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - het e-mailbericht van 20 april 2026 met productie 12 van [eiseres] ; - de pleitnota van mr. Nooi-Maatjes; - de spreekaantekeningen van mr. Manuel; - de mondelinge behandeling (hierna: de zitting) van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ter zitting zijn namens [eiseres] verschenen [vennoot 1] en [vennoot 2] , beiden vennoot van [eiseres] , bijgestaan door de gemachtigde van [eiseres] . Enexis heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. [vennoot 1] heeft bij aanvang van de zitting een procesvolmacht overgelegd, waaruit blijkt dat [vennoot 3] , eveneens vennoot van [eiseres] , een volmacht geeft aan zowel [vennoot 2] als [vennoot 1] om haar te vertegenwoordigen tijdens de zitting. 1.3. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De feiten 2.1. De vennootschap onder firma [eiseres] is een metaalbewerkingsbedrijf dat kleine en grote series onderdelen produceert van verschillende materialen. 2.2. Enexis is een netbeheerder en verzorgt de realisatie van alle aansluitingen en het transport van elektriciteit op het door haar beheerde elektriciteitsnet in onder meer Groningen. 2.3. [eiseres] is tot november 2024 gevestigd geweest in een bedrijfspand aan het adres [adres 1] in [plaats] , waar ook een bedrijfswoning gevestigd was. 2.4. Per augustus 2023 huurde [eiseres] het bedrijfspand aan het adres [adres 2] in [plaats] , vooruitlopend op de verhuizing van het bedrijf van [adres 1] naar [adres 2] . Per december 2024 is [eiseres] (mede) gevestigd aan het adres [adres 2] in [plaats] (zonder bedrijfswoning). 2.5. In eerste instantie heeft [eiseres] een aanvraag bij Enexis ingediend waarbij de elektriciteitsaansluiting in het bedrijfspand op het adres [adres 2] van 3x40 naar 3x80 ampère verhoogd zou worden. Deze aanvraag is in november 2023 gerealiseerd. 2.6. Op 13 februari 2024 heeft [eiseres] via Mijnaansluiting.nl bij Enexis een aanvraag ingediend voor een tweede elektriciteitsaansluiting van 3x80 ampère in het bedrijfspand op het adres [adres 2] (hierna: de tweede elektriciteitsaansluiting). Op 14 februari 2024 heeft Enexis aan [eiseres] een offerte gestuurd voor het realiseren van de aangevraagde tweede elektriciteitsaansluiting. Het offertebedrag bedroeg in totaal € 1.840,41. 2.7. Vervolgens heeft Enexis bij opdrachtbevestiging van 20 februari 2024 de opdracht van [eiseres] ten behoeve van de tweede elektriciteitsaansluiting bevestigd. In de opdrachtbevestiging staat, voor zover relevant: “(…) Hiermee bevestigen wij de ontvangst van uw opdracht via Mijnaansluiting.nl voor het uitvoeren van de onderstaande voorzieningen. Werkzaamheden Elektra Nieuwe Aansluiting 3x80 Ampère Op het perceel [adres 2] [postcode] [plaats] (…) Planning Werkzaamheden Wij hebben aannemer [A] BV gevraagd om de werkzaamheden namens ons uit te voeren. Zij bereiden de opdracht nu voor u voor. De aannemer neemt contact op met u of uw contactpersoon om de planning en uitvoering van de werkzaamheden te bespreken. (…).” 2.8. Daarnaast heeft [eiseres] op 20 februari 2024 bij Enexis een aanvraag ingediend voor het verlagen van de (eerste) elektriciteitsaansluiting van 3x80 ampère naar 3x35 ampère. Dit betrof de aansluiting die Enexis eerder in november 2023 had gerealiseerd (zie r.o. 2.5). Omdat deze verlagingsopdracht door [eiseres] aan Enexis werd verstrekt, kon Enexis de aanvraag voor een tweede elektriciteitsaansluiting (met een aansluitcapaciteit van 3x80 ampère) honoreren. Op 27 februari 2024 heeft Enexis de ontvangst van de aanvraag tot verlaging bevestigd en een factuur hiervoor gestuurd met daarin een bedrag van in totaal € 291,08. 2.9. Bij e-mail van 26 februari 2024 heeft [A] B.V. (hierna: [A] ) ten aanzien van de tweede elektriciteitsaansluiting aan [eiseres] bericht: “Informatie m.b.t. schouw: datum 29-03-2024 Zachte plandatum mits goedkeuring schouw: week van 8 april 2024 (…).” 2.10. Bij e-mail van 14 mei 2024 (08:46 uur) heeft [A] ten aanzien van de tweede elektriciteitsaansluiting aan [eiseres] bericht: “(…) Uitvoer staat zacht gepland voor na de bouwvak. We begrijpen dat dit geen nieuws is wat men graag ontvangt, maar door de overweldigende hoeveelheid opdrachten die naar ons zijn gekomen is er sprake van een langere aanlooptijd. Het is helaas ook niet mogelijk om opdrachten naar voren te halen aangezien er chronologisch gepland wordt. Er heeft inmiddels een schouw plaatsgevonden, dit heeft geen invloed op de uitvoerplanning. (…).” 2.11. Hierna hebben [eiseres] enerzijds en [A] anderzijds per e-mail met elkaar gecorrespondeerd. Bij e-mail van 14 mei 2024 (12:35 uur) bericht [eiseres] aan [A] , voor zover relevant: “(…) Bijgaand treft u een kopie verkoop contract aan. U kunt ook contact opnemen met van [makelaar] , dat ons huidig onderkomen [toevoeging kantonrechter: [adres 1] ] is verkocht per 1 augustus 2024. Dus nog voor de bouwvak. U geeft aan dat er een nieuwe “zachte planning” is van na de bouwvak. Dat gaat niet. Dat zou betekenen dat het in september “misschien” volgens uw “zachte planning” wordt uitgevoerd. Door toezeggingen vanuit Enexis hebben wij geen enkel twijfel of “stress” gehad aangaande stroom. Er was immers nog wel wat tijd. Echter nu creëert u een heel groot probleem voor ons. Onze bedrijfshal moet voor 1 augustus 2024 leeg zijn . Is er geen stroom: De machines moeten juli verhuist en aangesloten zijn op het net. Na de bouwvak betekend: maanden lange stilstand van ons productiebedrijf. Dat betekend heel direct: Faillissement van ons bedrijf, als zijnde familie bedrijf en VOF betekend dat we ons huis kwijt raken, grote schulden last over houden – in prive aansprakelijk en het betekend ook dat personeel van ons, hun baan kwijt raken. Als dit niet wordt opgelost, zullen wij juridische stappen MOETEN ondernemen om onze hebben en houden te kunnen beschermen. (…).” 2.12. [eiseres] heeft op 14 mei 2024 een klacht ingediend bij Enexis. Daarnaast heeft Netwerk Nederland namens [eiseres] bij e-mail van 14 mei 2024 (14:08 uur) een klacht ingediend bij [A] . Daarin staat, voor zover relevant: “(…) De klant heeft een goedkeuring gehad op zijn schouw en vervolgens zou op 8 april 2024 de plandatum zijn. Vervolgens heeft u de datum verschoven naar week 20 en is er nog steeds niks gebeurd. Daarna wordt er een mail verstuurd met een zachte plandatum voor ná de bouwvak. De klant heeft overigens het pand verkocht en moet eind juli 2024 eruit. Vóór 1 augustus 2024 dient deze situatie gerealiseerd te worden. (…).” 2.13. Bij e-mail van 16 mei 2024 (15:40 uur) bericht [A] aan Netwerk Nederland: “Uw ingebrekestelling ligt bij de jurist”. 2.14. Bij e-mail van 16 mei 2024 (14:25 uur) heeft [eiseres] aan de heer [B] , werkzaam bij Klachten & Claims binnen Enexis (hierna: [B] ), voor zover relevant, bericht: “(…) Nu krijgen wij bericht dat het na de bouwvakantie wordt. Dit is ook een | zachte” planning. Zonder duidelijkheid en zekerheid. De 8 april datum was al een “zachte planning”. Dus wat is er nou eigenlijk gebeurd? We begrijpen hier niets van. We moeten voor 26 juni wel stroom hebben, dan hebben we nog een maand de tijd om ons machinepark te verhuizen. Dat hebben we ECHT wel nodig! Later gaat voor ons niet. Wij hebben ons bedrijfshal verkocht en moeten er op 1 augustus uit zijn. Zie ook de meegeleverde verkoopovereenkomst. (…).” 2.15. [B] heeft namens Enexis bij e-mail van 21 mei 2024 aan [eiseres] bericht, voor zover relevant: “(…) U heeft namens [eiseres] een klacht ingediend bij Enexis Netbeheer over de planning van uw aanvragen voor een nieuwe aansluiting van 3x80 ampère (1002504243) en een verlaging van een bestaande aansluiting van 3x80 naar 3x35 ampère (1002503225) aan de [adres 2] te [plaats] . Klacht U geeft aan uw huidige pand reeds te hebben verkocht. Zodoende verzoekt u Enexis Netbeheer dan wel [A] B.V., die met de uitvoering van de aanvragen is belast, om uiterlijk 1 augustus 2024 de gevraagde mutaties te realiseren. Eerder zou er, al dan niet abusievelijk, sprake zijn geweest van een planafspraak op 8 april 2024. Opvolging Ondertussen begreep ik dat Netwerk Nederland namens u ook een klacht heeft ingediend bij [A] B.V. (…).” 2.16. Bij e-mail van 27 mei 2024 (17:07 uur) heeft [eiseres] aan [A] bericht, voor zover relevant: “(…) Vanuit [A] B.V. nog geen reactie mogen ontvangen. Vandaar in samenwerking met onze jurist het volgende. Wij hebben op 14 februari jl. uw offerte voor het realiseren voor een nieuwe aansluiting voor de elektriciteit (3 x 80 (A)) op het adres van ons nieuwe bedrijfspand aan de [adres 2] ( [postcode] ) te [plaats] aanvaard. U heeft on sop 20 februari jl. een opdrachtbevestiging gezonden voor deze werkzaamheden, bij u bekend onder nummer [nummer] . U heeft in deze opdrachtbevestiging aangegeven dat de werkzaamheden namens u door de firma [A] bv zullen worden uitgevoerd. [A] bv heeft in eerste instantie aangegeven de werkzaamheden in de week van 8 april 2024 (week 15) te zullen uitvoeren. Daarna heeft [A] bv de uitvoeringsdatum echter verschoven naar week 20 en vervolgens zelfs naar “na de bouwvak”. Dat betekent in de regio waar wij gevestigd zijn op zijn vroegst week 35. Dit is voor ons niet acceptabel omdat wij uiterlijk 1 augustus a.s. ons huidige bedrijfspand moeten hebben verlaten en dus ruim vóór die datum over elektriciteit in ons nieuwe bedrijfspand moeten beschikken. Wij hebben u en [A] bv hierover al diverse berichten gezonden. U en [A] bv hebben echter steeds aangegeven hier niets aan te willen veranderen. Overigens hadden wij geen enkele reden om te twijfelen aan een acceptabele termijn, omdat u reeds een plandatum heeft doorgegeven aan ons. (…) Hierbij sommeren wij u dan ook uiterlijk op 19 jjuni a.s. de nieuwe aansluiting in ons bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaats] volgens de opdrachtbevestiging (uw kenmerk [kenmerk] ) gerealiseerd te hebben, bij gebreke waarvan wij u aansprakelijk zullen stellen voor alle schade die wij hierdoor lijden. Omdat wij gedurende de periode dat wij niet over elektriciteit in ons nieuwe bedrijfspand kunnen beschikken niet kunnen produceren, zal deze schade aanzienlijk zijn. Wellicht ten overvloede wijzen wij u erop dat een beroep door u op overmacht of een exoneratiebeding volgens recente rechtspraak niet mogelijk is. (…).” 2.17. Bij e-mail van 3 juni 2024 (18:24 uur) heeft [A] aan [eiseres] , voor zover relevant, bericht: “(…) U richt zich in uw bericht tot [A] . Dit is enigszins begrijpelijk nu [A] als aannemer de uitvoering c.q. realisatie van uw aansluiting(en) op zich heeft genomen. [A] voert haar werkzaamheden echter uit in opdracht van de betrokken nutspartijen. In onderhavig geval zijn de nutspartijen uw directe contractspartij. Dat is [A] niet. Desalniettemin willen wij u vanuit [A] uiteraard wel van een reactie voorzien. (…).” 2.18. Op 12 juli 2024 is Enexis onaangekondigd naar [eiseres] toe gegaan en heeft Enexis, zonder voorafgaande communicatie hierover, de tweede elektriciteitsaansluiting gerealiseerd. 2.19. Bij brief van 13 augustus 2024 heeft de voormalig gemachtigde van [eiseres] Enexis aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Bij brief van 23 augustus 2024 heeft Enexis de aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Enexis te veroordelen tot betaling van € 18.883,03, of een door de kantonrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 955,00 en de wettelijke rente daarover, met veroordeling van Enexis in de kosten van deze procedure. 3.2. Enexis voert verweer. Enexis concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Deze zaak gaat, kort weergegeven, over de vraag of Enexis als netbeheerder tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis, door [eiseres] pas op 12 juli 2024 aan te sluiten op het elektriciteitsnet. [eiseres] stelt als gevolg van de tekortkoming een schade van in totaal € 18.883,03 te hebben geleden, omdat zij i) de geplande verhuizing van het bedrijf van het adres [adres 1] naar het adres [adres 2] moest uitstellen en hierdoor extra kosten heeft moeten maken; ii) de eerste verkoop van het bedrijfspand (inclusief bedrijfswoning) aan het adres [adres 1] , met een opleverdatum van 1 augustus 2024, heeft moeten uitstellen, als gevolg waarvan de eerste koper de koopovereenkomst heeft ontbonden en [eiseres] het pand voor € 15.000,00 minder heeft kunnen verkopen aan een andere koper; iii) de geplande aankoop van een privéwoning uitgesteld moest worden, omdat deze woning zou worden gefinancierd met vrijgekomen middelen uit de verkoop van het bedrijfspand, en zij als gevolg hiervan een boete verschuldigd was; en iv) het bedrijfspand aan de [adres 2] voor een langere periode heeft moeten huren. De grondslagen van de hoofdvordering 4.2. [eiseres] baseert haar hoofdvordering, om Enexis te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, op een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:74 BW). In de dagvaarding heeft [eiseres] eerst en vooral gesteld dat Enexis het pand niet binnen 18 weken na de bevestiging van de aanvraag heeft aangesloten, nu de tweede elektriciteitsaansluiting pas op 12 juli 2024 is gerealiseerd, en dat het niet tijdig aansluiten van het pand in strijd is met de wettelijke verplichting die voor Enexis voortvloeit uit artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet (oud). Volgens [eiseres] levert dit daarom een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op die aan Enexis kan worden toegerekend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] deze grondslag verduidelijkt en nader toegelicht dat zij - gelet op de communicatie van [A] (namens Enexis) (zie r.o. 2.9) - in redelijkheid mocht verwachten dat de tweede elektriciteitsaansluiting in de week van 8 april 2024 gerealiseerd zou worden en dat, nu dit niet is gebeurd, Enexis hiermee een fatale termijn heeft overschreden. Daarnaast heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de tekortkoming ook gelegen is in de gebrekkige communicatie van Enexis over de tweede elektriciteitsaansluiting. 4.3. De kantonrechter zal hierna de grondslagen van de hoofdvordering beoordelen. Allereerst volgen overwegingen met betrekking tot de wettelijke taken van de netbeheerder, de 18-weken-termijn en de redelijke termijn. Vervolgens zal de kantonrechter vaststellen of er sprake is geweest van een fatale termijn en zo ja, of Enexis die fatale termijn heeft overschreden. Hierna geeft de kantonrechter zijn oordeel over het door [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling nader ingenomen standpunt over de gebrekkige communicatie van Enexis. De 18-weken-termijn 4.4. In deze zaak is de Elektriciteitswet 1998 van toepassing zoals die gold tot 22 februari 2025 (hiervoor en hierna Elektriciteitswet 1998 (oud)). Artikel 23 Elektriciteitswet 1998 (oud) luidt, voor zover in deze procedure relevant: “1. De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk. (…) (…) 4. Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend, indien het verzoek betreft: a. een aansluiting tot 10 MVA; b. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn heeft gerealiseerd.” 4.5. De aansluittermijn van achttien weken was ook opgenomen in het Codebesluit aansluittermijnen elektriciteit kleine aansluitingen (hierna: Codebesluit) en is vervolgens gecodificeerd in artikel 8.11 van de Netcode Elektriciteit. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft het Codebesluit in zijn beslissing van 17 september 2024 vernietigd voor wat betreft de daarin genoemde aansluittermijnen. 4.6. De aansluittermijn van achttien weken is vervolgens ook bij koninklijk besluit van 17 februari 2025 uit de Elektriciteitswet 1998 (oud) geschrapt met ingang van 22 februari 2025. De wetgever heeft daarover overwogen: “Met deze onderdelen [A en B van artikel 7.3 Energiewet] worden de wettelijke aansluittermijn van 18 weken voor grote aansluitingen en de volumecorrectieregeling geschrapt uit de Elektriciteitswet 1998. Deze wettelijke bepalingen conflicteren momenteel met nieuwe door de ACM vastgestelde bepalingen omtrent aansluittermijnen en tarieven in respectievelijk de Netcode elektriciteit en de tariefbesluiten voor de netbeheerders voor elektriciteit. De vaststelling of goedkeuring van aansluittermijnen en tarieven behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de ACM. In het belang van de rechtszekerheid is het wenselijk deze conflicterende wettelijke bepalingen zo snel mogelijk te laten vervallen.” 4.7. Artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 is daarmee vanaf 22 februari 2025 als volgt komen te luiden: “Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn.” 4.8. In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat Enexis het pand niet binnen 18 weken na de bevestiging van de aanvraag op 27 februari 2024 heeft aangesloten, nu de aansluiting pas op 12 juli 2024 is gerealiseerd, en dat het niet tijdig aansluiten van het pand in strijd is met de wettelijke verplichting die voor Enexis voortvloeit uit artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud). Enexis heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat de 18-weken-termijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) buiten toepassing moet blijven. Primair omdat deze wettelijke bepaling afbreuk doet aan het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Subsidiair omdat de 18-weken-termijn in strijd is met de Elektriciteitsrichtlijn en het Unierecht. 4.9. In onder meer de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2026 en van 25 november 2025 en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 april 2025 is geconcludeerd dat de in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (oud) opgenomen termijn van achttien weken buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de voornoemde jurisprudentie zal de kantonrechter de 18-weken-termijn, zoals deze tot 22 februari 2025 in artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (oud) stond, in het onderhavige geschil tussen partijen buiten beschouwing laten. Dit betekent dat Enexis de aansluiting diende te realiseren binnen een redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 (eerste volzin). Redelijke termijn 4.10. Gelet op het voorgaande komt de vraag aan de orde of Enexis in het onderhavige geval de aansluiting binnen de redelijke termijn heeft gerealiseerd. 4.11. De kantonrechter is van oordeel dat het in beginsel aan [eiseres] is om te stellen dat Enexis de aansluiting niet binnen een redelijke termijn heeft gerealiseerd, omdat [eiseres] zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna Rv). 4.12. Enexis heeft de aansluiting van [eiseres] binnen een termijn van eenentwintig weken gerealiseerd, nu de bevestiging van de aanvraag op 20 februari 2024 door Enexis aan [eiseres] is verzonden (zie r.o. 2.7 en productie 4 bij dagvaarding) en Enexis de aansluiting op 12 juli 2024 heeft gerealiseerd. [eiseres] heeft onvoldoende toegelicht op grond waarvan de gerealiseerde termijn van eenentwintig weken niet redelijk is. [eiseres] heeft enkel en alleen gewezen op een geschilbesluit van 10 juni 2025 van de ACM , waarin de ACM, zolang er geen concrete wettelijke aansluittermijnen zijn vastgesteld, als vertrekpunt hanteert dat een aansluittermijn van achttien tot tweeëntwintig weken voor kleinverbruikersaansluitingen in beginsel redelijk is (zie de pleitnota van [eiseres] ).Dit besluit is echter inmiddels achterhaald door beslissing CBb ECLI:NL:CBB:2026:180, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24/532. Een verdere toelichting heeft [eiseres] niet gegeven. Dat had gelet op de gemotiveerde betwisting door Enexis wel op haar weg gelegen. Dit betekent dat een aansluittermijn van eenentwintig weken op zichzelf genomen redelijk kan zijn, behoudens bijzondere omstandigheden. Fatale termijn? 4.13. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] de eerste en tweede grondslag (de 18-weken-termijn dan wel redelijke termijn) aldus uitgelegd en toegelicht dat zij, gelet op de communicatie van [A] , respectievelijk Enexis (zie r.o. 2.9), in redelijkheid mocht verwachten dat de aansluiting op 8 april 2024 gerealiseerd zou worden, op voorwaarde dat er sprake was van goedkeuring van de schouw. Volgens [eiseres] wees de schouw niks bijzonders uit, waardoor 8 april 2024 een harde datum was. Nu de aansluiting niet op 8 april 2024 is gerealiseerd, heeft Enexis een fatale termijn overschreden. 4.14. Enexis betwist dat partijen dan wel [eiseres] en [A] een contractuele of fatale termijn zijn overeengekomen. Volgens Enexis was “de week van 8 april 2024” geen harde toezegging, maar een voorlopige plandatum. 4.15. In artikel 6:83, aanhef en onder a, BW is bepaald dat het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. Uit deze bepaling volgt dat een tussen partijen overeengekomen termijn voor nakoming (“een voor de voldoening bepaalde termijn”) in beginsel ‘fataal’ is. Dat is alleen anders, indien blijkt dat de termijn een andere strekking heeft dan die van een fatale termijn. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot het bestaan van een voor de voldoening bepaalde termijn rusten op de schuldeiser ( [eiseres] ). De stelplicht en bewijslast in verband met de uitzondering, dus de aanwezigheid van een andere strekking van die termijn dan de strekking van een fatale termijn, rusten op de schuldenaar (Enexis), omdat dit een bevrijdend verweer is. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2023. Een en ander geldt ook indien partijen bij een overeenkomst die aanvankelijk geen termijn voor nakoming bevat, op een later moment alsnog een dergelijke termijn overeenkomen. Ook dan is artikel 6:83, aanhef en onder a, BW van toepassing, zodat de desbetreffende termijn ‘fataal’ is, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. 4.16. Partijen zijn in de aanneemovereenkomst (zie r.o. 2.7) geen termijn voor nakoming overeengekomen. [A] heeft, als opdrachtnemer van Enexis, bij e-mail van 26 februari 2024 wel aan [eiseres] gecommuniceerd: “zachte plandatum mits goedkeuring schouw: week van 8 april 2024” (zie r.o. 2.9). Gelet op de bewoordingen “zachte plandatum” en gelet op het feit dat Enexis een voorwaarde stelde aan de zachte plandatum (“mits goedkeuring schouw”), had [eiseres] moeten begrijpen dat [A] geen harde datum – zoals [eiseres] stelt – met [eiseres] overeenkwam, maar een grove schatting gaf dan wel een voorlopige geschatte plandatum aan [eiseres] communiceerde. De kantonrechter is dus van oordeel dat partijen ook niet op een later moment expliciet zijn overeengekomen dat de aansluiting op een bepaalde termijn zou geschieden. Daarmee is geen sprake van een “voor de voldoening bepaalde termijn” als bedoeld in artikel 6:83, aanhef en onder a, BW. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat Enexis geen fatale termijn heeft overschreden. Gebrekkige communicatie 4.17. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het knelpunt bij [eiseres] tevens is gelegen in het totale gebrek aan enige (actieve) communicatie vanuit Enexis is omtrent het moment waarop de tweede elektriciteitsaansluiting zou worden gerealiseerd en meer in het bijzonder dat Enexis evenmin heeft gecommuniceerd dat zij op 12 juli 2024 (dus vóór 1 augustus 2024) de tweede elektriciteitsaansluiting zou komen realiseren. 4.18. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij ervan mocht uitgaan dat de tweede elektriciteitsaansluiting op 8 april 2024 gerealiseerd zou worden (zie r.o. 4.13), maar dat Enexis vervolgens telefonisch heeft medegedeeld dat de werkzaamheden op 8 april 2024 niet zouden plaatsvinden en dat deze werden uitgesteld naar week 20 (13-19 mei 2024). Ondertussen had [eiseres] in april 2024 wel al de koopovereenkomst voor het bedrijfspand (inclusief bedrijfswoning) aan het adres [adres 1] gesloten, met een opleverdatum van 1 augustus 2024, aldus [eiseres] . Volgens [eiseres] was Enexis hiervan op de hoogte. Hierna bleef ook de uitvoering van de werkzaamheden in week 20 uit en is door [A] aan [eiseres] medegedeeld dat de uitvoering van de werkzaamheden zou geschieden “na de bouwvak” (zie r.o. 2.10). Als gevolg van deze mededeling heeft [eiseres] de verkoop van het bedrijfspand (inclusief bedrijfswoning) moeten uitstellen (zie ook r.o. 4.1), waarna Enexis op 12 juli 2024 de tweede elektriciteitsaansluiting toch – zonder voorafgaande aankondiging – heeft gerealiseerd. Op dat moment had [eiseres] , doordat eerder aan haar werd gecommuniceerd dat de aansluiting pas na de bouwvak zou plaatsvinden, de koopovereenkomst voor het bedrijfspand (inclusief bedrijfswoning) echter al ontbonden. Als Enexis wel had gecommuniceerd dat zij de tweede elektriciteitsaansluiting op 12 juli zou komen realiseren, dan had [eiseres] haar schade kunnen beperken, aldus [eiseres] . 4.19. Enexis betwist dat zij wetenschap heeft gehad van de verkoopperikelen aangaande het bedrijfspand (inclusief de bedrijfswoning) aan de [adres 1] . Zij betwist dat zij op de hoogte was van de verkoop en/of levering van het pand en/of de achterliggende belangen van [eiseres] daaromtrent. Ook betwist Enexis dat zij in verzuim is geraakt en zij betwist tevens dat [eiseres] haar in gebreke heeft gesteld tegen de datum van 1 augustus 2024 (de opleverdatum van het bedrijfspand en de bedrijfswoning). Daarnaast voert Enexis aan dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken niet blijkt dat de levering van het pand per 1 augustus 2024 zou geschieden. Voorts heeft Enexis aangevoerd dat het klantcontact dan wel de communicatie met [eiseres] omtrent het plannen van de werkzaamheden uitsluitend via [A] verliep en dat de planning van [A] niet aan Enexis is. Dat laatste berust volgens de kantonrechter op een misvatting. [eiseres] heeft een aanneemovereenkomst met Enexis gesloten en Enexis heeft op haar beurt [A] gevraagd de (aansluit)werkzaamheden namens haar uit te voeren bij [eiseres] (zie r.o. 2.7). Hiermee heeft Enexis de (aansluit)werkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan [A] , waardoor Enexis op grond van artikel 6:76 BW en artikel 7:751 BW op gelijke wijze aansprakelijk is voor gedragingen van [A] als zij voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is. 4.20. Desgevraagd heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling expliciet verklaard dat de e-mail van 16 mei 2024, 14:25 uur, de ingebrekestelling aan Enexis betreft (zie r.o. 2.14). In die e-mail is aan Enexis echter geen mogelijkheid geboden om binnen een (redelijke) termijn de tweede elektriciteitsaansluiting – conform de aanneemovereenkomst – gerealiseerd te hebben, bij gebreke waarvan [eiseres] Enexis aansprakelijk stelt voor de schade die zij daardoor zal lijden. In die e-mail heeft [eiseres] niet expliciet aan Enexis gecommuniceerd dat de tweede elektriciteitsaansluiting voor 1 augustus 2024 gerealiseerd moet worden en als dat niet gebeurt, zij de verkoop moet uitstellen en zij daardoor schade lijdt. De gemachtigde van [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat zij bepaalde communicatie vanuit [eiseres] dan wel Netwerk Nederland aan Enexis niet goed in haar dossier heeft, omdat zij op dat moment nog niet betrokken was bij deze procedure. Gelet op de betwisting van Enexis, dat zij niet in gebreke is gesteld tegen de datum van 1 augustus 2024, had het op de weg van [eiseres] gelegen om die communicatie – die mogelijk wel een dergelijke ingebrekestelling aan Enexis bevat – in het geding te brengen. Voor zover de gemachtigde van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling een algemeen aanbod heeft gedaan nadere stukken in het geding te brengen, is dat aanbod onvoldoende specifiek en ter zake dienend en bovendien te laat, als gevolg waarvan dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. 4.21. De conclusie van het voorgaande is dat ook het gebrek aan (actieve) communicatie vanuit Enexis omtrent het moment waarop de tweede elektriciteitsaansluiting zou worden gerealiseerd geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. 4.22. Hoewel het gebrek aan (actieve) communicatie door Enexis omtrent het moment waarop de tweede elektriciteitsaansluiting zou worden gerealiseerd, gelet op het voorgaande, op zichzelf onvoldoende is om te komen tot een verbintenis om schadevergoeding te betalen aan [eiseres] , had Enexis op zijn minst veel onduidelijkheid, onbegrip en frustratie bij [eiseres] kunnen voorkomen indien zij tijdig had gecommuniceerd over het feit dat ze de tweede elektriciteitsaansluiting op 12 juli 2024 in plaats van “na de bouwvak” zou komen aansluiten. Enexis had [eiseres] hierover tijdig kunnen informeren en de kantonrechter is dan ook van oordeel dat de manier waarop Enexis aanvraag van [eiseres] heeft aangepakt en afgehandeld bepaald geen schoonheidsprijs verdient. De slotsom 4.23. De conclusie van het voorgaande is dat Enexis niet is tekortgeschoten in haar (aansluit)verplichtingen en ook niet anderszins aansprakelijk is. Er is daarom geen grondslag voor toewijzing van schadevergoeding aan [eiseres] . Dit betekent dat de hoofdvordering van [eiseres] , om Enexis te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, voor afwijzing gereed ligt. 4.24.