Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-08
ECLI:NL:RBOBR:2026:5283
RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/414984 / HA ZA 25-282 Vonnis van 8 juli 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. N.T.F. van Barschot, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties (genummerd 1 tot en met 17);- de conclusie van antwoord met producties (genummerd 1 tot en met 5); - de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Linssen en Van Barschot hebben ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier. [gedaagde] heeft ter zitting een aan [handelsnaam gedaagde] gerichte factuur van [A ] van 17 december 2024 overhandigd. Met instemming van [eisers] maakt ook deze factuur deel uit van het procesdossier. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers] wonen sinds 2004 met hun gezin aan de [adres] . 2.2. Het perceel van [eisers] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] , is omgeven door percelen landbouwgrond. Het direct naast- en achtergelegen perceel, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] (hierna: [kadastrale aanduiding 2] ), is eigendom van [gedaagde] . 2.3. De kadastrale kaart waarin voormelde percelen zichtbaar zijn, is onderstaand weergegeven: 2.4. Op [kadastrale aanduiding 2] werd door/namens [gedaagde] vóór 2024 voornamelijk maїs verbouwd. In 2024 is voormeld perceel voor het eerst gebruikt voor de lelieteelt. [gedaagde] heeft [kadastrale aanduiding 2] daartoe aan [C] B.V. (hierna: [C] ) in gebruik gegeven. 2.5. [A ] exploiteert onder meer een gewasbeschermingsbedrijf en heeft in opdracht van [C] in 2024 de gewassen verzorgd op [kadastrale aanduiding 2] , waartoe zij ten behoeve van de lelieteelt verschillende soorten gewasbeschermingsmiddelen heeft gebruikt. 2.6. Een e-mail van 22 mei 2024 van [eisers] aan [gedaagde] luidt, voor zover relevant, als volgt: “(…) Willen graag weten welke gewasbeschermers en/of biocides er mogelijk gebruikt zouden kunnen worden aansluitend aan ons perceel tbv de lelieteelt. De reden is om uit te sluiten dat er bestrijdingsmiddelen worden gebruikt die kans op gezondheidsschade voor omwonende kan veroorzaken. Dit staat los of deze op de CTGB lijst staan. (…)” 2.7. Namens [gedaagde] heeft [A ] daar bij e-mail van 23 mei 2024 onder meer als volgt op gereageerd: “(…) De middelen welke mogelijk nodig kunnen zijn voor een noodzakelijke behandeling in deze teelt kunt u vinden op de CTGB site (Dhr [gedaagde] heeft deze website eerder aan u doorgegeven begrijp ik), waarbij u kunt selecteren op een betreffende teelt. Deze middelen zijn officieel toegelaten eerst door de Europese- en daar opvolgende de Nederlandse overheid, om te mogen gebruiken in deze teelt. Alleen indien nodig zetten wij deze gepast in en enkel volgens de voorschriften als de toelating voorschrijft. Deze teelt is een geïntegreerde teelt (pas na scouten /constateren indien nodig ingrijpen), waarbij we op voorhand niet kunnen aangeven welke behandelingen nodig zijn. (…) Als u twijfels heeft of het niet eens bent met één van de toegelaten middelen welke we tot onze beschikking hebben, wil ik u vragen zich te richten tot de overheid / toelatingshouder / vergunningsverlener. (…)” 2.8. Voormelde reactie van [A ] vormde voor [eisers] reden om zich te wenden tot hun advocaat. Bij brief van 24 mei 2024 heeft de advocaat van [eisers] [A ] onder meer als volgt bericht: “(…) Cliënt is met zijn gezin woonachtig op perceel [woonplaats] , sectie [kadastrale aanduiding 1] aan de [adres] . [B] is doende lelies te kweken op perceel [woonplaats] , sectie [kadastrale aanduiding 2] , eigendom van de heer [gedaagde] . Dat perceel omsluit het De omstandigheid dat [A ] onweersproken heeft gesteld dat er na de oogst in oktober 2024 de komende 8 á 10 jaar geen lelieteelt meer op het betreffende perceel zal plaatsvinden, geeft [eisers] bovendien de tijd om in een bodemprocedure – met alle daaraan verbonden mogelijkheden tot het vaststellen van feiten middels het horen van getuigen en het inwinnen van deskundigenberichten – duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of en in hoeverre de inzet van gewasbeschermingsmiddelen in zijn directe woonomgeving voor de teelt van landbouwgewassen toelaatbaar is te achten, gelet op de mogelijk daaraan verbonden risico’s voor de gezondheid op de korte, middel- en lange termijn. De kort gedingprocedure is daarvoor niet toegerust, gericht als zij is op het binnen een kort tijdbestek genereren van een ordemaatregel, uitgaande van veelal summiere en lang niet altijd vaststaande feiten. (…)” 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair I. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade; II. zal bepalen dat [gedaagde] - op zijn kosten - binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis medewerking verleent aan de vestiging van een erfdienstbaarheid op het Perceel (dienend erf) ten behoeve van perceel [kadastrale aanduiding 1] (heersend erf) om het dienend erf in de periode van twintig jaar na dit vonnis niet te bewerken of te laten bewerken in de ruimste zin van het woord met de middelen Fresco, Goltix, Split protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech, Delmametrin en Sivanto Prime dan wel met de werkzame stoffen daarin ten behoeve van de lelieteelt of ten behoeve van andere (sier)teelt, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van [gedaagde] zoals bedoeld in artikel 3:300 BW, in welk geval de notariële en kadastrale kosten voor rekening van [gedaagde] komen, althans zal bepalen dat het vonnis inschrijfbaar is in de openbare registers van het kadaster zoals bedoeld in artikel 3:17 lid 1 BW; subsidiair III. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade; IV. [gedaagde] zal verbieden om het Perceel de komende twintig jaar na dit vonnis te bewerken of te laten bewerken in de ruimste zin van het woord met de middelen Fresco, Goltix, Split protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech, Delmametrin en Sivanto Prima dan wel met de werkzame stoffen daarin ten behoeve van de lelieteelt of ten behoeve van andere (sier)teelt; V. zal bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per dag of dagdeel voor zover [gedaagde] in strijd handelt of laat handelen met het onder IV gevorderde, met een maximum van € 500.000,00; primair en subsidiair VI. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van hun vorderingen, althans - bij toewijzing van de vorderingen van [eisers] - het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De bevoegdheid van de rechtbank 4.1. In deze zaak is Europese regelgeving van belang, waaronder de Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen (EG) 1107/2009 (hierna: Vo 1107/2009). Vo 1107/2009 heeft tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de communautaire landbouw te vrijwaren. Vo 1107/2009 schrijft daartoe procedures voor. Deze De VOF exploiteert volgens [gedaagde] [kadastrale aanduiding 2] . 4.8. [eisers] voeren daartegen aan dat zij op 25 maart 2025 aan de advocaat van [gedaagde] duidelijk hebben gevraagd om hen te informeren of [kadastrale aanduiding 2] aan een derde in gebruik is gegeven alsmede om de identiteit van deze derde kenbaar te maken en te vermelden wat de titel van het gebruik van [kadastrale aanduiding 2] is. [gedaagde] heeft vervolgens op 9 juli 2025 (via zijn advocaat) aangegeven dat hij eigenaar is van [kadastrale aanduiding 2] en dat het aan een derde in gebruik is gegeven voor landbouwactiviteiten, zonder kenbaar te maken wie dit is. [gedaagde] heeft daarbij ook gesteld dat hij geen bemoeienis heeft met deze activiteiten. 4.9. De rechtbank gaat aan het ontvankelijkheidsverweer voorbij. [gedaagde] is eigenaar van [kadastrale aanduiding 2] en kan worden aangesproken op het gebruik daarvan. [gedaagde] heeft het in zijn macht om in te grijpen in de situatie en een mogelijk onrechtmatig handelen te stoppen. Dat volgt niet alleen uit zijn eigendomspositie, maar ook uit zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling. [gedaagde] heeft verklaard dat hij één van de twee vennoten is van de VOF. De andere vennoot is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D] - [gedaagde] B.V. (hierna: [D] BV). [gedaagde] is zelf de bestuurder van [D] BV. Daarnaast is hij ook één van de twee aandeelhouders van [D] BV. De andere aandeelhouder is zijn moeder, die een lijfrente geniet uit de vennootschap. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat hij de bespuiting en gewasbescherming betaalt en de lelies verkoopt. Dat [gedaagde] dit niet voorafgaand aan de procedure kenbaar heeft gemaakt aan [eisers] en hen zelfs onjuiste informatie hierover heeft verschaft, kan [eisers] niet worden tegengeworpen. Het voorzorgsbeginsel Het standpunt van [eisers] 4.10. [eisers] voeren primair aan dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel. Zij lichten toe dat [C] [A ] begin 2024 opdracht heeft gegeven om [kadastrale aanduiding 2] te bewerken met een enorme hoeveelheid aan gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt. Minst genomen, is het aannemelijk dat er, wetenschappelijk gezien, onzekerheid bestaat over de risico’s voor de gezondheid van de mens bij het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen, zoals die door [A ] zijn gebruikt in het groeiseizoen 2024. Dat geldt in ieder geval voor de middelen Fresco, Goltix, Split protec, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech en Delmametrin. Van deze middelen staat vast dat de werkzame stoffen neurotoxisch dan wel mogelijk neurotoxisch zijn. Die residuen zijn wijdverbreid op en om de bewerkte akker en dringen ook door tot het huisstof en de luchtfilters in huizen. 4.11. In aansluiting op het voorgaande voeren [eisers] aan dat de norm van het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel ook is gericht tot nationale rechters als organen van de lidstaten en dat zij onder omstandigheden een verbod uit kunnen spreken ten aanzien van het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Volgens [eisers] kan niet van hen worden verwacht dat zij wachten totdat de schadelijke gevolgen daadwerkelijk intreden. Dit zou betekenen dat zij pas vorderingen in kunnen stellen indien bij hen daadwerkelijk een diagnose kan worden gesteld. In dit verband beoogt het voorzorgsbeginsel juist bescherming te bieden voor situaties waarin het gewenst is om in een zo vroeg mogelijk stadium preventief in te grijpen om onacceptabele gevolgen voor de menselijke gezondheid te voorkomen, aldus [eisers] Het verweer van [gedaagde] 4.12. [gedaagde] voert daartegen aan dat het voorzorgsbeginsel zich niet leent voor een directe werking in een privaatrechtelijke rechtsverhouding. [eisers] miskennen dat artikel 191 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat de Europese Unie bij het bepalen van haar beleid rekening dient te houden met: de beschikbare wetensc Het voorzorgsbeginsel zoals dat in de Vo 1107/2009 is opgenomen is immers gericht aan de betrokken autoriteiten wanneer zij uitvoeringsmaatregelen nemen, te weten de Europese Commissie wanneer zij werkzame stoffen goedkeurt of (later toch) verbiedt, respectievelijk de nationale autoriteiten wanneer zij gewasbeschermingsmiddelen weigeren of toelaten, al dan niet met beperkende maatregelen, dan wel die toelaten op een later tijdstip wijzigen of zelfs intrekken. Dat zijn de uitvoeringsmaatregelen waarbij de betrokken autoriteiten zich dienen te houden aan het voorzorgsbeginsel. Gelet hierop heeft artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009 geen directe werking in de horizontale verhouding tussen de omwonenden en [appellante]. 3.15. Voorts is onder ‘de lidstaten’ in artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009 naar het oordeel van het hof niet mede te verstaan ‘nationale rechterlijke instanties’ van de lidstaten, maar slechts de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die over de toelating gaan. Waar nationale rechterlijke instanties onder het EU-recht in beginsel tot de lidstaat worden gerekend waar het bijvoorbeeld gaat om het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, EU-verdrag, interpreteert het hof de term ‘lidstaat’ onder de verordening nauwer. Die nauwe(re) definitie van de term ‘lidstaten’ wordt namelijk bevestigd door de systematiek van de verordening waarbij steeds naar ‘lidstaat’ wordt verwezen wanneer het gaat om de autoriteit die de wetenschappelijke beoordeling maakt. De verordening schrijft procedureregels voor aan lidstaten, meer specifiek aan de toelatende autoriteiten, zoals het Ctgb en Europese instellingen. Bovendien wordt deze nauwere interpretatie ook bevestigd door het oordeel van de Europese rechters dat aan rechterlijke instanties binnen de systematiek van de verordening slechts een beperkte rechterlijke toetsing toekomt, zoals gedefinieerd in de reeds genoemde arresten in de Blaise- en FMC Corporation zaken. Noch in de overwegingen van Vo 1107/2009, noch in genoemd artikel of enig ander artikel van de verordening is ‘de rechtspraak’ als adressant te verstaan van het voorzorgsbeginsel zoals genoemd in artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009. 3.16. De voorzieningenrechter baseert haar oordeel op het voorzorgsbeginsel en verwijst daarbij niet alleen naar artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009, maar ook naar de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. Die laatste verordening is volgens haar artikel 1 evenwel alleen van toepassing op levensmiddelen. Volgens artikel 2, onder c, van deze verordening vallen planten vóór de oogst niet onder de definitie levensmiddel, laat staan dat lelies daaronder vallen. Daarom valt de onderhavige zaak buiten reikwijdte van deze verordening en is het daarin opgenomen voorzorgsbeginsel niet van toepassing in deze zaak. Het voorzorgsbeginsel dat is neergelegd in artikel 191, lid 2, VWEU, artikelen 9 en artikel 168, lid 1, VWEU en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is gericht tot de instellingen van de EU wanneer zij wetgeving aannemen en uitvoeren (HvJEU, 1 oktober 2019, C-616/17, Mathieu Blaise, ECLI:EU:C:2019:800, r.o. 41 en 42). Omdat die bepalingen wetgevings- of uitvoeringsmaatregelen behoeven, missen zij rechtstreekse toepasselijkheid in een geschil tussen particulieren als in de onderhavige zaak. 3.17. De Nederlandse civiele regelgeving wijst evenmin het voorzorgsbeginsel als zelfstand dragende rechtsgrond voor een dergelijke vordering aan. Dit brengt mee dat de Nederlandse rechter de vordering van de omwonenden niet op grond van toepassing van het voorzorgsbeginsel kan toewijzen. Dat neemt niet weg dat aan het voorzorgsbeginsel betekenis kan toekomen. Op grond van hetgeen de omwonenden hebben aangevoerd ligt ter Eerst wanneer duidelijk is aan welke stoffen [eisers] daadwerkelijk zijn blootgesteld, kan worden beoordeeld of en in welke mate dit tot gezondheidsrisico’s kan leiden. 4.18. In aansluiting op het voorgaande voert [gedaagde] aan dat [eisers] wijzen op verschillende publicaties, zoals krantenartikelen en rapporten, om de mogelijkheid van blootstelling aan te tonen. Het door [eisers] overgelegde rapport Meten = Weten is een verslag van onderzoeksproject Schone Sier, waarbij in 2022-2023 metingen zijn verricht in de lucht en eikenblad in Drenthe en op de Veluwe. Dit rapport zegt niets over de locatie waar [eisers] wonen. Voor de wel onderzochte locaties wordt nader onderzoek aanbevolen, maar er zijn onvoldoende resultaten verkregen om de daadwerkelijke (langetermijn)effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de menselijke gezondheid vast te stellen. Ook het door [eisers] overgelegde rapport van het RIVM (2019-0052) biedt geen houvast voor hun stellingen. Uit dit onderzoek kwamen geen gezondheidsproblemen naar voren, die samenhingen met de bollenteelt. Verder blijkt uit het door [eisers] genoemde artikel van Silva (et al) evenmin wat de concrete langetermijneffecten zijn van de middelen die door/namens [gedaagde] voor slechts de duur van één teeltseizoen werden gebruikt op het onderhavige landbouwperceel. Hoe gevaarlijk een actieve stof is, zegt niets over het gevaar bij de toepassing daarvan, aangezien een en ander afhankelijk is van de concentratie, de hulpstoffen, de momenten en de duur van de blootstelling. Al deze factoren zijn in het geval van [eisers] beperkt, zodat het risico op gezondheidsschade gering is. 4.19. [gedaagde] merkt op dat de door/namens hem gebruikte middelen breed worden ingezet in de land- en tuinbouw. Veel van de middelen - mits deze toegelaten zijn - worden gebruikt bij de teelt van aardappelen, uien, wortelen en andere groenten. Het is de Nederlandse Staat - na advisering door het Ctgb - die beslist of een middel wordt toegelaten en op welke wijze het moet worden toegepast. [eisers] hebben niet gesteld, laat staan bewezen, dat [A ] zich niet zou hebben gehouden aan de wettelijke voorschriften. Het Ctgb heeft - voordat tot toelating is overgegaan - uitvoerig onderzoek gedaan naar deze middelen. Naast de strenge controle op middelen vooraf wordt de gewasbeschermingsmiddelensector ook streng gecontroleerd op het gebruik door de NVWA, de Regionale Uitvoeringsdienst en het Waterschap. Daar komt bij dat [gedaagde] ernaar streeft om bij toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen de dosering te minimaliseren. Hij schakelt daarvoor een gespecialiseerd en gecertificeerd bedrijf in dat werkt met behulp van de modernste technieken en op een zo duurzaam mogelijke wijze. [gedaagde] en [A ] hebben bovendien aanvullende maatregelen getroffen om het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen en de mogelijke schade gevolgen ervan voor omwonenden te voorkomen, onder meer door te kiezen voor specifieke leliesoorten, zorg te dragen voor driftreductie en door bij de keuze voor gewasbeschermingsmiddelen bij voorkeur in te zetten op biologische middelen en biostimulanten. 4.20. Ten aanzien van het door [eisers] gevorderde verbod op toepassing van de genoemde gewasbeschermingsmiddelen - die ook in de reguliere landbouw worden gebruikt - en de gevorderde vestiging van een erfdienstbaarheid voert [gedaagde] nog aan dat deze vorderingen iedere nuance ontberen. Onder het verbod zouden namelijk niet alleen chemische, maar ook biologische gewasbeschermingsmiddelen vallen. Dit zou bovendien betekenen dat [gedaagde] bij de teelt van aardappelen, uien, suikerbieten, granen en maїs ook de daarvoor gangbare gewasbeschermingsmiddelen niet meer zou mogen gebruiken, waardoor al deze teelten niet meer succesvol kunnen worden voltooid op het betreffende perceel. Het is met de huidige stand van de techniek en wetenschap niet mogelijk om de hiervoor genoemde gewassen onder de huidige natuurlijke omstandigheden te telen zonder gewasbeschermingsmidd Het feit dat er in de wetenschap onzekerheid bestaat over het bestaan, de aard of ernst van een risico, sluit dan ook niet uit dat men naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid dient te anticiperen op dat risico (een voorzorgverplichting). Over het bestaan van een risico is namelijk geen absolute of een verregaande mate van zekerheid noodzakelijk, voordat van een actor kan worden vereist dat hij voorzorgsmaatregelen neemt ter beheersing of ter afwending van een risico. Indien er op grond van de bestaande kennis en inzichten vermoedens zijn dat er een verband bestaat tussen een blootstelling en het mogelijke intreden van negatieve gezondheidseffecten, kan een verplichting tot handelen bestaan. 4.27. De vraag is vervolgens welke mate van zekerheid over het bestaan van een risico vereist is, voordat een verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen kan ontstaan. De rechtbank hanteert hierbij de maatstaf van een (natuur)wetenschappelijk gefundeerd plausibel vermoeden over het bestaan van een gevaar, waarbij een plausibel vermoeden dient te worden begrepen als een (natuur)wetenschappelijk gefundeerde uitspraak over het bestaan van een risico die (natuur)wetenschappers dusdanig serieus nemen dat men het vermoeden rechtens niet mag negeren. Plausibel vermoeden? 4.28. Naar het oordeel van de rechtbank kan vastgesteld worden dat er sprake is van een plausibel vermoeden van gezondheidsrisico’s door blootstelling aan (de actieve stoffen van) gewasbestrijdingsmiddelen in de voor de lelieteelt benodigde omvang. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. 4.29. Zoals hiervoor al is overwogen, stellen [eisers] zich op het standpunt dat de door hen genoemde gewasbeschermingsmiddelen, althans de daarin werkzame stoffen, een negatieve invloed hebben op de gezondheid van mensen en dat deze onder meer in verband worden gebracht met ernstige neurodegeneratieve ziekten, zoals Parkinson, Alzheimer en ALS. Zij verwijzen in dit verband naar diverse wetenschappelijke onderzoeken. 4.30. Uit het door [eisers] overgelegde RIVM-rapport uit 2019 (getiteld “Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten” (productie 7 bij dagvaarding en productie 5 bij dagvaarding in kort geding)) volgt - kort gezegd - onder meer dat de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van bloembollenvelden aanzienlijk hoger is dan op een grotere afstand daarvan. De concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de buitenlucht zijn bij omwonenden gemiddeld hoger naarmate zij dichter bij een locatie wonen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten. De gewasbeschermingsmiddelen worden tot ver in de omgeving van bollenteelt aangetroffen. Zo werden er op 500 meter afstand van de bollenteelt nog gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in de urine van omwonenden, in de luiers van kinderen en in huisstof. Daarnaast bleek dat in woningen op 250 meter van de bollenvelden de lucht gemiddeld tien keer hogere concentraties gewasbeschermingsmiddelen bevat dan de lucht bij verder weg gelegen woningen. Huisstof bevatte in die woningen gemiddeld vijf keer hogere concentraties. 4.31. In het door [eisers] overgelegde RIVM-briefrapport 2021 (getiteld “Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren” (productie 7 bij dagvaarding en productie 6 bij dagvaarding in kort geding)) is onder meer het volgende vermeld: “(…) 2 Ziektebeelden en milieublootstelling (…) 2.4 Verband met milieufactoren De oorzaak van de ontwikkeling van neurodegeneratieve ziekten in de meerderheid van de gevallen wordt beschreven als multifactorieel met een bijdrage van leefstijlfactoren, (niet oorzakelijke) genetische variaties, en milieufactoren. Een groeiende hoeveelheid epidemiologische data wijst blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, al dan niet in combinatie met blootstelling aan andere chemische stoffen, aan als risicofactor voor het ontwikkele Onder verwijzing naar de inhoud van voormeld rapport hebben [eisers] toegelicht dat zij van alle door/namens [gedaagde] gebruikte gewasbeschermingsmiddelen hebben onderzocht wat daarvan de werkzame stof is, om deze werkzame stoffen vervolgens te vergelijken met het in het rapport van Silva opgenomen overzicht waar de schadelijkheid van 209 soorten gewasbeschermingsmiddelen in is opgenomen. Zij hebben daarvan een overzicht gemaakt en deze als productie 14 in het geding gebracht. In aansluiting op het voorgaande voeren zij aan dat tot en met 22 juli 2024 door/namens [gedaagde] vooral gebruik is gemaakt dat de middelen Fresco, Stomp en Goltix. Volgens hen staat van de werkzame stof in Fresco vast dat die kankerverwekkend en neurotoxisch is. Van de werkzame stof in Stomp staat vast dat die mogelijk kankerverwekkend en schadelijk voor de vruchtbaarheid is. Ten aanzien van de werkzame stof in Goltix voeren [eisers] aan dat deze mogelijk kankerverwekkend, schadelijk voor de vruchtbaarheid en neurotoxisch is, terwijl vaststaat dat deze hormoon verstorend is. Wat betreft de werkzame stoffen in Fresco, Goltix, Split Protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis Protech, Delmametrin en Sivanto Prime voeren [eisers] aan dat in ieder geval vast staat dat die werkzame stoffen neurotoxisch dan wel mogelijk neurotoxisch zijn. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] het door [eisers] als productie 14 in het geding gebrachte overzicht niet, althans onvoldoende, hebben weersproken. 4.34. Tot slot hebben [eisers] gewezen op de inhoud van een rapport van Meten = Weten (getiteld “Een nevel van bestrijdingsmiddelen”) van 10 juni 2024, waarin onder meer het volgende is vermeld: “(…) Humane toxiciteit Dit onderzoek was er vooral op gericht een beeld te krijgen van de belasting van mens en milieu met bestrijdingsmiddelen en niet op de eerste plaats over de effecten daarvan. Op basis van de informatie uit de PPDB database is vastgesteld dat alle aangetroffen bestrijdingsmiddelen reële dan wel mogelijke, toxische eigenschappen hebben voor mensen . Ook kunnen we vaststellen dat van vele aangetroffen stoffen informatie over bepaalde toxische effecten op de mens ontbreekt en er desalniettemin een toelating als gewasbeschermingsmiddel is verleend. De beschikbare informatie over humane gezondheidsaspecten is gebaseerd op individuele stoffen. De daarvoor vereiste toxiciteitstesten worden door de producent van een stof uitgevoerd. Hierbij wordt alleen naar de acute toxiciteit gekeken. De chronische effecten van cocktails van bestrijdingsmiddelen die dag en nacht worden ingeademd, met alle formuleringshulpstoffen, beschermstoffen en synergisten worden niet onderzocht en zijn dus onbekend. (…) Steeds meer onderzoek laat zien dat er verbanden zijn tussen bestrijdingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten. De ziekte van Parkinson is in Frankrijk, Italië en sinds kort ook Duitsland al erkend als beroepsziekte. Ook kinderen lijken hersenschade op te kunnen lopen door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. (Liu & Schelar, 2012; Louati et al., 2023). Toch worden neurotoxische effecten tot op de dag van vandaag niet meegenomen in onderzoek voor de toelating van bestrijdingsmiddelen. (…) CONCLUSIES (…) Alle gevonden middelen zijn toxisch Voor zover de in PUF filters en eikenblad gevonden bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen in de PPDB database, hebben ze voor mensen allemaal (100%) toxische eigenschappen. Die betreffen het zenuwstelsel, de ontwikkeling/reproductie, het hormoonsysteem, kankerverwekkende of toxische eigenschappen voor de lever. (…)” 4.35. Verder is van belang dat - hoewel [gedaagde] en omwonenden in beginsel mogen vertrouwen op de uitkomsten van de toelatingsbeoordeling door EFSA, de Commissie en uiteindelijk het Ctgb - sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze in dit geval aanwezig, waartoe als volgt wordt overwogen. 4.36. Door [gedaagde] i Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief nu juist dat de Nederlandse overheid - gezien het feit dat de omgang met onzekere risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de beleidsagenda staat - eveneens de mogelijke (milieu- en) gezondheidsrisico’s én de noodzaak tot handelen onderkent. [gedaagde] gaat er met zijn enkele stelling bovendien aan voorbij dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van zijn verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen. 4.40. Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een bijzondere zorgplicht heeft jegens de in de directe nabijheid van zijn teeltlocatie wonende omwonenden (in dit geval [eisers] die op het aangrenzende perceel woont op minder dan 100 meter) en dat hij die schendt en voorshands een onrechtmatige daad pleegt indien hij toch lelies gaat (laten) kweken met gebruikmaking van de in deze zaak genoemde gewasbeschermingsmiddelen in de omvang die noodzakelijk is voor lelieteelt. Het mag zo zijn dat telers (in dit geval [gedaagde] ) een commercieel belang hebben bij de lelieteelt, maar het belang van omwonenden (in dit geval [eisers] ) om gevrijwaard te blijven van potentiële (ernstige) schade aan de gezondheid weegt zwaarder dan het economische belang van [gedaagde] . 4.41. Die bijzondere zorgplicht c.q. verhoogde zorgvuldigheidsnorm brengt voor van [gedaagde] in de omstandigheden van het geval mee dat hij voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen treft ter voorkoming van gezondheidsschade bij [eisers] Om vast te kunnen stellen wat in dit geval de geëigende door [gedaagde] te nemen voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen concreet zijn, althans dienen te zijn, is van belang dat de rechtbank wordt geïnformeerd over de huidige beschikbare wetenschappelijke kennis over de relatie tussen blootstelling aan - de in deze zaak aan de orde zijnde - gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve aandoeningen en/of overige aandoeningen. De door [eisers] in het geding gebrachte rapporten zijn al enkele jaren oud, zijn slechts een selectie uit de beschikbare wetenschappelijke informatie en er is - in de wetenschap, maar ook van overheidswege - in toenemende mate aandacht voor en onderzoek gedaan naar voormeld verband. Gelet op het voorgaande en voor de verdere beoordeling acht de rechtbank het dan ook aangewezen om op dit punt een deskundigenbericht in te winnen. 4.42. Voordat wordt overgegaan tot het inwinnen van een deskundigenbericht over genoemd onderwerp, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging, na overleg over een en ander, tot een gezamenlijk voorstel te komen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. 4.43. De rechtbank is voornemens in ieder geval de volgende vragen aan de deskundige(n) voor te leggen: Is er ter zake van de in deze zaak aan de orde zijnde gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen blootstelling aan deze gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) en neurodegeneratieve aandoeningen en/of overige aandoeningen en zo ja, welke onderzoeken zijn dat? Kunt u daarbij ingaan op 1) de methodologische validiteit van de betreffende onderzoeken, ii) de transparantie en controleerbaarheid van de onderzoeken en iii) of en in hoeverre de onderzoeksresultaten van de verschillend